De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 27
"Ik vraag u vergiffenis", hernam de Sarraceen. "Ik had uw bijgeloovigen eerbied voor de vrouwen vergeten, die gij veeleer beschouwt als geschikt om bewonderd en vereerd, dan gezocht en bezeten te worden. Ik sta er u borg voor, dat, daar gij zulk eene diepe achting voor dat teedere, zwakke schepsel eischt, waarvan elke beweging, elke stap en elke blik de vrouw aanduidt, aan haar niet minder dan eene algeheele aanbidding aan hare donkere lokken en edel, sprekend oog moet gebracht worden. Zij, inderdaad, dit wil ik bekennen, heeft in haar edelen gang en haar statig voorkomen iets, dat even rein als krachtig is.--Maar zij zelve, zoo de gelegenheid en een stout minnaar haar drongen, zou hem, ik verzeker het u, in haar hart danken, dat hij haar veeleer als eene stervelinge dan als eene godin behandelde."
"Eerbiedig de bloedverwante van Richard Leeuwenhart", zeide sir Kenneth op een toon van onbedwongen toorn.
"Haar eerbiedigen!" antwoordde de emir spottend--"bij de Kaaba, en als ik dat doe, zal dit vooral zijn als de bruid van Saladin."
"De ongeloovige Sultan is niet waardig, zelfs de plek te kussen, die Edith Plantagenet met haar voet gedrukt heeft!" riep de Christen, van zijn leger opspringende.
"Ha! wat zegt de Giaour?" riep de emir, de hand aan het gevest van zijn dolk slaande, terwijl zijn voorhoofd, als blinkend koper gloeide, en de spieren van zijne lippen en wangen zich bewogen, totdat ieder lok van zijn baard zich scheen saam te vlechten en te persen, alsof ze door instinktmatige drift bezield werd. Maar de Schotsche ridder, die den leeuwentoorn van Richard had doorstaan, was onbedeesd bij den tijgerblik van den vergramden Sarraceen.
"Wat ik gezegd heb", hervatte hij, met gekruiste armen en onverschrokken blikken, "zou ik te voet of te paard tegen alle stervelingen staande houden, en ik zou het niet de merkwaardigste daad van mijn leven achten, om het met mijn goed breed zwaard tegen een twintigtal van deze sikkels en naalden te handhaven", en hierbij wees hij op het zwaard en den dolk van den emir.
De Sarraceen herkreeg zijne bedaardheid, terwijl de Christen sprak, in zoo ver, dat hij de hand van zijn wapentuig terug trok, als of de beweging zonder bedoeling geweest was; maar hij verkeerde nog steeds in groote drift.
"Bij het zwaard van den Profeet", zeide hij, "dat de sleutel is zoowel van den hemel als van de hel, hij stelt zijn leven op geringen prijs, broeder, die zulk eene taal als gij gebruikt! Geloof mij, zoo uwe handen los waren, gelijk gij het noemt, een enkel waar geloovige die zóó veel te doen zou geven, dat gij spoedig wenschen zoudt, dat ze weder in ijzeren boeien geklonken waren."
"Liever zou ik wenschen, dat ze bij de schouders afgehouwen werden", sprak sir Kenneth.
"Goed. Uwe handen zijn thans gebonden", zeide de Sarraceen op vriendelijker toon, "gebonden door uw eigen edelen zin van rechtschapenheid, en ik heb ook voor het oogenblik niet het minste plan om ze in vrijheid te stellen. Wij hebben elkander reeds vroeger onze kracht en onzen moed getoond, en wij kunnen elkander wel weder in het open veld ontmoeten!--En schande kome over hem, die het eerst zijn vijand zal loslaten! Maar thans zijn wij vrienden, en ik zie om hulp tot u op, veeleer dan dat ik harde uitdrukkingen of eene uitdaging van u verwacht."
"Wij zijn vrienden" herhaalde de ridder; en er ontstond eene stilte, gedurende welke de vurige Sarraceen door de tent stapte als een leeuw, van wien men zegt, dat hij na eene geweldige prikkeling, dit middel gebruikt, om de drift van zijn bloed te verkoelen, eer hij zich in zijn hol ter rust uitstrekt. De kalmer Westerling bleef onveranderd in houding en voorkomen; evenwel was hij zonder twijfel ook bezig, om de gevoelens van gramschap, die zoo onverwachts waren opgewekt, te doen bedaren.
"Laat ons hierover bedaard spreken", zeide de Sarraceen; "ik ben geneesheer, zoo als gij weet, en er staat geschreven, dat hij, die zijne wond wil genezen hebben, niet moet terugdeinzen, als de wondarts haar onderzoekt en peilt. Ziet gij, ik ben op het punt om mijn vinger op de gekwetste plek te leggen. Gij bemint deze bloedverwante van Melec Ric--ontplooi den sluier, die uwe gedachten bedekt--of ontplooi dien niet, zoo gij dit verkiest, want mijne oogen zien door het bekleedsel heen."
"Ik beminde haar", antwoordde sir Kenneth na eene poos, "zoo als de mensch de hemelsche genade bemint, en smeekte hare gunst om de hemelsche vergiffenis."
"En gij bemint haar niet langer?" vroeg de Sarraceen.
"Helaas!" antwoordde sir Kenneth, "ik ben niet langer waardig haar te beminnen.--Ik bid u, houd met dit gesprek op--uwe woorden zijn dolken voor mij."
"Vergeef mij slechts een oogenblik, vervolgde Ilderim. "Toen gij, een arm en verborgen krijgsman, uwe genegenheid zoo stout en zoo hoog vestigdet, zeg mij, had gij toen hoop op een goeden uitslag?"
"Liefde bestaat niet zonder hoop!" hernam de ridder; "maar de mijne grensde bijna even na aan wanhoop, als die van den zeeman, die om zijn leven zwemt, die baar op baar te boven komt, en bij tusschenpoozen een glimp van den verafgelegene baken opvangt, die hem toont, dat er land in het gezicht is, ofschoon zijn zinkend hart en zijne vermoeide leden hem overtuigen, dat hij het nooit zal bereiken."
"En nu", zeide Ilderim, "is deze hoop gezonken--is dat eenzame licht voor altijd uitgebluscht?"
"Voor altijd," antwoordde sir Kenneth op den toon van een echo uit het binnenste van een verwoest graf.
"Mij dunkt", zeide de Sarraceen, "wanneer alles, wat u ontbreekt, slechts zulk een verwijderde, nevelachtige glans van geluk is, als gij te voren hadt, dan zou het licht van uw baken wel eens weder ontstoken, uwe hoop uit de oceaan, waarin het verzonken is weder opgevischt kunnen worden, en gij zelf, goede ridder, de bezigheid en het genot weder verkrijgen, om de liefde met eene zoo weinig voedzame kost, als het maanlicht, te voeden; want zoo gij morgen in een even goeden naam als ooit stondt, zou zij, die gij bemindt, niet minder de dochter van vorsten, en de uitverkoren bruid van Saladin zijn."
"Ik wenschte, dat het zoo ware," zeide de Schot, "en zoo ik dan niet...."
Hij hield op, als een man, die vreest te snoeven onder omstandigheden, die niet toelieten, dat hij op de proef gesteld werd. De Sarraceen glimlachte, terwijl hij den afgebroken zin voltooide:
"Dan zoudt gij den sultan tot een tweegevecht uitdagen?--"
"En indien ik dit deed", zeide Sir Kenneth op fieren toon, "dan zou hij noch de eerste noch de beste tulband zijn, tegen welke ik mijne lans heb geveld."
"Ja, maar mij dunkt, dat hij het als eene te ongelijke wijze zou beschouwen, om de kans van een koninklijke bruid en den uitslag van een grooten oorlog te wagen", zeide de emir.
"Men zou hem aan de spits van den slag kunnen aantreffen", hernam de ridder, terwijl zijne oogen schitterden bij de visioenen, die hem zulk eene gedachte inboezemde.
"Men heeft hem dáár steeds gevonden," hervatte Ilderim; "ook is het zijne gewoonte niet, om den kop van zijn paard van een dapperen strijd af te wenden.--Maar het was niet van den Sultan, dat ik meende te spreken. In één woord, zoo het u genoegen kan geven, om zulk een naam te verwerven,--als verkregen kan worden door de ontdekking van den dief, die de banier van Engeland gestolen heeft dan kan ik u op een goeden weg leiden, om die taak ten uitvoer te brengen--dat is, zoo gij u wilt laten besturen; want wat zegt Lokman: Zoo het kind wil loopen, moet de min het leiden--zoo de onkundige wil verstaan, moet de wijze hem onderrichten."
"En gij zijt wijs, Ilderim", zeide de Schot, "wijs ofschoon gij een Sarraceen zijt, en edelmoedig, hoewel gij een ongeloovige zijt. Ik ben van beide getuige geweest. Neem dan de leiding van deze zaak op u, en indien gij niets van mij vordert, dat in strijd is met mijne trouw en mijn christelijk geloof, dan wil ik u stipt gehoorzamen. Doe wat gij gezegd hebt, en neem mijn leven, wanneer het volbracht is."
"Luister dan naar mij", zeide de Sarraceen. "Uw edele hond is thans hersteld door den zegen van dat goddelijke geneesmiddel, hetwelk mensch en dier geneest, en door zijn schranderheid zullen degenen, die hem aangevallen hebben, ontdekt worden."
"Ha!" riep de ridder uit--"mij dunkt, ik begrijp u--het was dom van mij, dat ik hieraan niet dacht!--"
"Maar zegt mij", voegde de emir erbij, "hebt gij eenige volgelingen of bedienden in het leger, door wie het dier zou kunnen herkend worden?"
"Ik heb mijn ouden wapendienaar, uw patiënt, met een knecht, die hem oppaste, ontslagen", antwoordde sir Kenneth, "op het oogenblik, dat ik de doodstraf verwachtte, en hem brieven voor mijne vrienden in Schotland medegegeven--er is geen ander, aan wien de hond nauwkeurig bekend is. Maar mijn eigen persoon is welbekend--mijne spraak zelve zal mij verraden in een kamp, waar ik verscheiden maanden lang geene geringe rol gespeeld heb."
"Gij zult in beide opzichten zoodanig vermomd worden, dat gij zelfs het nauwkeurigst onderzoek zult ontgaan.--Ik zeg u", zeide de Sarraceen, "dat niet uw wapenbroeder--niet uw broeder in den bloede--u zal herkennen, zoo gij u door mijn raad leiden laat. Gij hebt mij moeilijke dingen zien verrichten--hij, die de stervenden uit de duisternis van de schaduw des doods kan terugroepen, kan gemakkelijk een nevel voor de oogen der levenden brengen. Maar let wel op--aan dezen dienst is nog deze voorwaarde verbonden, dat gij een brief van Saladin aan de nicht van Melec Ric overhandigt, wier naam even moeilijk is voor onze Oostersche tong en lippen, als hare schoonheid verrukkelijk is voor onze oogen."
Sir Kenneth zweeg eene poos eer hij antwoordde, en de Sarraceen, zijne aarzeling bemerkende, vroeg hem: "zijt gij bevreesd u met deze boodschap te belasten?"
"Dat niet, al was ook de dood met de uitvoering gemoeid", zeide sir Kenneth; "ik overwoog slechts, of het met mijne eer bestaanbaar was, om den brief van den Sultan over te brengen, of met die van jonkvrouw Edith, om dezen van een heidenschen vorst aan te nemen."
"Bij het hoofd van Mahomed, en bij de eer van een krijgsman--bij het graf te Mekka en bij de ziel van mijn vader", hernam de emir, "zweer ik u, dat de brief in alle eer en achting geschreven is. Het gezang van den nachtegaal zal eer het rozenpriëel, dat hij bemint, schenden, dan dat de woorden van den Sultan de ooren van de bevallige bloedverwante van Engeland zouden beleedigen."
"In dat geval", zeide de ridder, "zal ik den brief van den Sultan zoo getrouw overbrengen, alsof ik zijn geboren vasal was, met dien verstande echter, dat hij, behalve dezen eenvoudigen dienst, dien ik trouw zal vervullen, het minst van mij onder alle menschen bemiddeling of raad in dezen zonderlingen liefdehandel verwachten moet."
"Saladin is edel", antwoordde de emir, "en zal een moedig paard niet tot een sprong aanzetten, dien het niet kan volbrengen.--Kom met mij naar mijne tent," voegde hij er bij, "en gij zult terstond op eene wijze vermomd worden, dat gij even onherkenbaar zult zijn als de middernacht. En zoo kunt gij door het leger der Nazareërs gaan, als of gij den ring van Giougi droegt."
HOOFDSTUK XXIV.
Een enkel stofje, Hetwelk den purp'ren beker nauw bezoedelt Baart afkeer van den drank, waarnaar wij smachten; Een roestig staal, bij 't trouw kompas geplaatst Leidt af de naald en doet soms schipbreuk lijden. Zoo breekt een klein geschil, de minste veete, 't Verbond van trouw en vriendschap tusschen vorste, En doet hun edelst plan in rook verdwijnen.
De kruistocht.
Voor den lezer kan thans weinig twijfel bestaan, wie de Ethiopische slaaf werkelijk was; met welk voornemen hij Richard's kamp had opgezocht, en waarom en met welke hoop hij nu dicht bij den persoon van den monarch stond, terwijl Leeuwenhart, omringd door zijne dappere pairs van Engeland en Normandië, op den top van den St. Georgeberg stond, met de banier van Engeland naast zich, die door den dappersten in het leger gedragen werd, door zijn natuurlijken broeder namelijk, Willem met het lange zwaard, Graaf van Salisbury, de telg van de liefde van Hendrik den Tweeden met de beroemde Rosamunde van Woodstock.
Uit verschillende uitdrukkingen in het gesprek van den Koning met Neville, den vorigen dag gehouden, was de Nubiër in grooten twijfel gebleven, of zijne vermomming niet doorgrond was, vooral daar de Koning scheen te begrijpen, op welke wijze de hond den dief, die de banier gestolen had, zou ontdekken, ofschoon de omstandigheid, dat zulk een dier bij die gelegenheid gekwetst was, nauwelijks in Richard's tegenwoordigheid was vermeld. Evenwel, daar de Koning voortging hem op geene andere wijze te behandelen, dan zijn uiterlijk eischte, bleef hij onzeker, of hij al dan niet ontdekt was, en hij besloot zijne vermomming niet vrijwillig af te werpen.
Intusschen vereenigden zich de troepen der verschillende vorsten, die zich bij den kruistocht gevoegd hadden, onder het bevel van hunne koninklijke en vorstelijke aanvoerders geschaard, in lange rijen aan den voet van de kleine hoogte; en terwijl die van de onderscheidene natiën voorbijtrokken, stegen hunne bevelhebbers een of twee schreden tegen den heuvel op, en betuigden aan Richard en aan den standaard van Engeland hun eerbied, "tot een teeken van achting en vriendschap", zoo als het protokol van de plechtigheid dit voorzichtig uitdrukte, "niet van onderwerping of vasalschap." De geestelijke waardigheidsbekleeders, welke in die dagen hunne mutsen niet voor stervelingen afnamen, schonken den Koning en het zinnebeeld van zijn opperbevel hun zegen, in plaats van eene buiging.
Zoo trokken de lange rijen voorbij, en ofschoon zij reeds door velerlei oorzaken verzwakt waren, scheen het nog een ijzeren leger, voor hetwelk de verovering van Palestina eene gemakkelijke taak kon schijnen. De soldaten, bezield met het bewustzijn van vereenigde kracht, zaten reeds op hunne stalen zadels, terwijl het scheen, dat de trompetten vroolijker en scheller klonken, de rossen, door rust en goed voeder verkwikt, knabbelden op hun gebit, trappelden ongeduldig op den grond. Voorwaarts trokken ze, het eene korps na de andere, met wapperende banieren, schitterende speren, wuivende vederbossen, in een lange eindelooze reeks--een leger, bestaande uit verschillende natiën, kleuren, talen, wapenen en kleederdrachten; maar allen voor het oogenblik met het heilige en echt romantische voornemen bezield, om de treurende dochter van Sion uit hare slavernij te bevrijden en de heilige aarde, die door Een hooger dan alle sterfelijken betreden was, van het juk der ongeloovigen Heidenen te verlossen. En men moet erkennen, dat, zoo onder andere omstandigheden, de soort van hulde, welke zoo vele krijgslieden aan den Koning van Engeland bewezen, van wie hij geene verplichte gehoorzaamheid had te vorderen, in schijn iets vernederends had, dan was toch de aard en oorzaak van den oorlog zoo geschikt voor zijn uitstekend ridderlijk karakter en zijne beroemde wapenfeiten, dat eischen, die men elders had kunnen doen gelden, hier vergeten werden, en de dappere gewillig hulde aan den dappersten betoonde in een kruistocht, waar de onverschrokkenste en veerkrachtigste moed tot een goeden uitslag noodig was.
De goede Koning, te paard gezeten, had eene plaats ingenomen op de helft der helling van den berg. Hij droeg een helm op het hoofd met eene kroon daarboven, die zijne mannelijke trekken voor ieder zichtbaar deden zijn, terwijl hij met een kalm en rustig oog, elke rij, die hem voorbijtrok, monsterde en de begroeting der aanvoerders beantwoordde. Zijn onderkleed was van hemelsblauw fluweel, met zilveren platen bedekt, en zijne broek van karmozijn roode zijde, met goudstof afgezet. Naast hem stond de gewaande Ethiopische slaaf, den edelen hond aan een riem vasthoudend, zoo als bij de jagers gebruik was. Deze omstandigheid viel volstrekt niet in het oog, want verscheiden vorsten van den kruistocht hadden zwarte slaven in hunne huishouding ingevoerd, in navolging van de heidensche pracht der Sarraceenen. Boven het hoofd des Konings wapperde de banier in breede plooien, en terwijl hij van tijd tot tijd daarop een blik wierp, scheen hij eene plechtigheid, die, als hem persoonlijk betreffende, onverschillig was, gewichtig te achten, wanneer die beschouwd werd als de boete voor eene beleediging, jegens het koninkrijk, dat hij beheerschte. Op den achtergrond, op den top zelven, stond een houten torentje, voor deze gelegenheid opgericht, waarin de Koningin Berengaria en de voornaamste hofdames zich bevonden. Daarheen zag de Koning van tijd tot tijd, en nu en dan waren zijne oogen op den Nubiër en zijn hond gevestigd, maar alleen dan, wanneer zulke aanvoerders naderden, die hij wegens vroegere bewijzen van kwaadwilligheid vermoedde, dat zij deel aan den roof van den standaard gehad hadden, of die hij tot zulk een lage misdaad in staat oordeelde.
Zoo, bij voorbeeld, zag hij niet in die richting, toen Filips Augustus van Frankrijk aan het hoofd van zijne prachtige korpsen van Gallische ridders naderde--zelfs voorkwam hij de bewegingen van den Franschen Koning, door van den berg af te dalen, terwijl de laatste er opsteeg, zoodat zij elkander in het midden ontmoetten, en hunne begroeting zoo vriendelijk wisselden, dat het scheen, of zij in broederlijke gelijkheid waren bijeengekomen. Het tooneel van de twee grootste vorsten van Europa, in rang zoowel als macht, die hunne eensgezindheid zoo openlijk betuigden, verwekte eene uitbarsting van donderende toejuichingen van het leger der kruisvaarders op verscheiden mijlen, afstands, die de rondzwervende benden Arabieren van de woestijn het kamp van Saladin deden vreezen, dat het leger der Christenen in beweging was. Maar wie anders dan de Koning der Koningen kan in het hart der Monarchen lezen? Onder dezen vleienden schijn van hoffelijkheid koesterde Richard wrevel en verdenking tegen Filips, en deze was er op bedacht om zich met zijne troepen van het leger van het Kruis te verwijderen, en Richard achter te laten, om met zijne eigen troepen de onderneming ten einde te brengen, of daarbij ten gronde te gaan.
Richard's gedrag was geheel verschillend, toen de in het zwart uitgeruste ridders en knapen van de Tempeliers naderden--mannen, wier gelaat door de zon van Palestina tot eene Aziatische bronskleur verbrand was; en de bewonderenswaardige toestand van wier paarden en uitrusting zelfs die van de uitgezochtste troepen van Frankrijk en Engeland overtrof. De Koning wierp een vluchtigen blik ter zijde, maar de Nubiër stond pal, en zijn trouwe hond zat aan zijne voeten, met een schranderen en toch tevreden blik de rijen, die hen thans voorbijtrokken, beschouwende. De blik des Konings wendde zich weder naar de ridderlijke Tempeliers, terwijl de Grootmeester, zich van zijn tweeslachtig karakter bedienende, Richard zijn zegen schonk, als priester, in plaats van hem zijn eerbied, als aanvoerder van een legerkorps, te betoonen.
"De hoogmoedige, dubbelhartige schurk zendt den monnik op mij af", zeide Richard tot den Graaf van Salisbury. "Maar, Langzwaard, wij zullen het door de vingers zien. Te grootte gevoeligheid moet het Christendom de diensten van deze ervaren lansen niet doen verliezen, omdat hunne overwinningen hen trotsch gemaakt hebben.--Zie, daar komt onze dappere tegenstander, de Hertog van Oostenrijk,--let op zijne houding en wijze van zich te gedragen, Langzwaard--en gij, Nubiër, laat den hond hem goed in het oog vatten. Bij den Hemel, hij brengt zijne narren met zich!"
Inderdaad was Leopold, hetzij uit gewoonte, of, wat waarschijnlijker is, om zijn geringschatting te kennen te geven voor de plechtigheid, die hij op het punt was te verrichten, door zijn spreukspreker en hofnar vergezeld; en terwijl hij Richard naderde, floot hij, als het ware om zijne onverschilligheid te toonen, ofschoon zijne grove trekken de norschheid, met vrees vermengd, verrieden, waarmede een ondeugende schooljongen zijn leermeester nadert. Toen de onwillige vorst met verstoorde en norsche blikken de geëischte buiging maakte, schudde de spreukspreker met zijn stok, en riep als een heraut uit, dat de Aartshertog van Oostenrijk, in hetgeen hij thans deed, niet geacht kon worden, iets van den rang en de voorrechten van een souvereinen vorst prijs te geven; waarop de nar met een luidklinkend amen antwoordde, wat een schaterend gelach bij de omstanders teweegbracht.
Koning Richard zag meer dan eens naar den Nubiër en zijn hond, maar de eerste bewoog zich niet, en de laatste trok geheel niet aan den riem, zoodat Richard met eenige minachting tot den slaaf zeide: "Uw uitslag in deze onderneming, mijn zwarte vriend, zal, ofschoon gij de schranderheid van uw hond tot steun van de uwe gebruikt, naar ik vrees, u niet zeer hoog in den rang der toovenaars plaatsen, of uwe verdiensten jegens onzen persoon veel vermeerderen."
De Nubiër antwoordde, als naar gewoonte, slechts met eene diepe buiging.
Intusschen trokken de troepen van den markies van Montserrat in orde langs den Koning van Engeland. Die machtige en listige baron had, om eene grootere vertooning met zijne troepen te maken, deze in twee deelen gesplitst. Aan het hoofd van den eersten, bestaande uit zijne vasallen en volgelingen, en gelicht uit zijne Syrische bezittingen, reed zijn broeder Enguerran, en hij zelf volgde aan het hoofd van eene dappere schaar van twaalf honderd Stradioten, eene soort van lichte ruiterij, die de Venetiërs in hunne Dalmatische bezittingen hadden gelicht, en waarvan zij het bevel aan den markies toevertrouwd hadden, met wien de republiek op verschillende wijzen in verbintenis stond. Deze Stradioten waren gedeeltelijk in Europeesch, maar hoofdzakelijk in Oostersch gewaad gekleed. Zij droegen, weliswaar, korte borstharnassen, maar hadden daarover bonte onderkleederen van rijke stoffen, met wijde broeken en halve laarzen. Op hunne hoofden droegen zij rechtopstaande mutsen, zooals die der Grieken, en verder hadden zij kleine, ronde schilden, bogen en pijlen, sabels en dolken. Zij zaten op met zorg gekozen paarden, die voor rekening van de Republiek van Venetië goed onderhouden werden; hunne zadels en hun tuig geleken naar die der Turken, en zij reden op dezelfde wijze met korte stijgbeugels en op hooge zadels. Deze troepen waren van groot nut in het schermutselen met de Arabieren, ofschoon zij niet in staat waren, aan een strijd man tegen man deel te nemen, gelijk de in ijzer gekleede krijgslieden van West- en Noord-Europa.
Aan het hoofd van deze schoone bende reed Koenraad in hetzelfde gewaad als de Stradioten, maar van zulke rijke stoffen, dat hij van goud en zilver scheen te schitteren, en de sneeuwwitte pluim, die aan zijne muts met eene diamanten gesp bevestigd was, scheen bijna de wolken te raken. Het edele ros, dat hij bereed, sprong en steigerde en legde zijn vuur en zijne behendigheid aan den dag, op eene wijze welke een minder voortreffelijken ruiter dan den markies had kunnen verlegen maken, die het bevallig met de eene hand bestierde, terwijl hij in de andere den staf hield, die schijnbaar getuigde van een even volstrekt gezag over de rijen, die hij aanvoerde. Nochtans was zijn gezag over de Stradioten meer in schijn dan in wezenlijkheid; want er reed naast hem op een paard van de makste soort een klein oud man, geheel in het zwart gekleed, zonder baard of knevels, en met een geheel gewoon en onbeduidend voorkomen, wanneer men hem met de pracht en den glans rondom hem vergeleek. Maar deze man, die er zoo onbeduidend uitzag, was een van die afgevaardigden, welke de Venetiaansche regeering in de kampen zond, om te letten op het gedrag der generaals, aan wie het bevel toevertrouwd was, om dat ijverzuchtig stelsel van bespieding en toezicht te handhaven dat van oudsher de staatkunde der republiek onderscheiden had.