De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 26

Chapter 263,830 wordsPublic domain

"Het zijn de priesterlijke soldaten van den Tempel", antwoordde El Hakim, "wier gelofte hen voorschrijft, noch wapenstilstand noch goede trouw met de vereerders van den Islam te kennen. Moge de profeet hen met wortel, takken en twijgen uitroeien!--Hunne vrede is oorlog, en hunne trouw is valschheid. Andere aanvallers van Palestina hebben hunne tijden en wijzen van ridderlijkheid. De leeuw Richard spaart, wanneer hij overwonnen heeft--de arend Filips sluit zijne vleugelen, wanneer hij een prooi heeft gegrepen--zelfs de Oostenrijksche beer slaapt, wanneer hij doorvoed is; maar deze horde van altijd hongerige wolven kent, geen stilstand noch verzadiging in hare roofzucht.--Ziet gij niet, dat zij een troep van hun hoofdkorps afzenden, en eene oostelijke richting nemen? Ginds zijn hunne pages en schildknapen, die zij in hunne vervloekte geheimen opvoeden, en die zij, als lichter gewapend, afzenden, om ons van onze drinkplaats af te snijden. Maar zij zullen bedrogen worden. Ik ken den oorlog in de woestijn nog beter dan zij."

Hij sprak eenige weinige woorden tot zijn voornaamsten officier, en zijn geheel gedrag en uiterlijk was eensklaps veranderd van de plechtstatige rust van een Oosterschen wijze, meer aan bespiegeling dan werkzaamheid gewoon, in het koen en stout voorkomen van een dapper krijgsman, wiens veerkracht door de snelle nadering van een gevaar, dat hij te gelijk voorziet en veracht, wordt opgewekt.

In sir Kenneth's oogen had de naderende crisis een verschillend karakter, en toen Adonbec hem zeide: "gij moet u dicht aan mijne zijde houden", antwoordde hij plechtig in het ontkennende.

"Ginds", zeide hij, "zijn mijne wapenbroeders--de mannen, in wier gezelschap ik beloofd heb te vechten, of te sneven. Op hunne banier schittert het teeken van onze allergezegendste verlossing.--Ik kan niet in gezelschap van de halve maan het Kruis ontvlieden."

"Dwaas!" zeide de Hakim; "hunne eerste daad zou zijn u ter dood te doemen, al ware het ook slechts om hunne schending van den wapenstilstand te verbergen."

"Daarop moet ik het laten aankomen", hervatte sir Kenneth, "maar ik draag de boeien der ongeloovigen geen oogenblik langer dan dat ik ze van mij kan afwerpen."

"Dan zal ik u dwingen om mij te volgen," zeide El Hakim.

"Dwingen!" antwoordde sir Kenneth toornig: "waart gij niet mijn weldoener, of iemand, die den goeden wil getoond heeft om dit te zijn, en zoo ik niet aan uw vertrouwen de vrijheid van deze handen verschuldigd was, dan zou ik u toonen, dat, hoewel ik ongewapend ben, dwang geene gemakkelijke zaak was."

"Genoeg, genoeg", hernam de Arabische geneesheer, "wij verliezen den tijd, terwijl die kostbaar begint te worden."

Dit zeggende verhief hij zijn arm, en gaf een luiden en schelle gil, als een teeken aan zijn gevolg, dat zich oogenblikkelijk over de vlakte van de woestijn verspreidde, in even veel richtingen als een rozenkrans, wanneer de snoer gebroken is. Sir Kenneth had den tijd niet om op te merken wat er verder volgde; want tegelijkertijd vatte de Hakim den toom van zijn paard, liet het aan zijn eigen vuur over, en beide renden eensklaps voort met de snelheid van het licht, en met eene vlugheid, die den Schotschen ridder bijna van zijne ademhaling beroofde, en hem geheel buiten staats stelde, om, al had hij ook gewild, den loop van zijn gids tegen te houden. Hoe geoefend sir Kenneth ook van zijne vroegste jeugd in de rijkunst was, was het snelste paard, dat hij ooit gereden had, eene schildpad in vergelijking met dat van den Arabischen wijze. Zij wierpen het zand achter zich--zij schenen de woestijn, die vóór hen lag, te verslinden--mijlen vlogen weg in minuten, en toch scheen hunne kracht onverminderd, en hunne ademhaling even vrij, als toen zij den wonderbaarlijken rit begonnen. De beweging, die even gemakkelijk als snel was, geleek meer naar vliegen door de lucht dan naar rijden over de aarde, en ging met geen onaangenaam gevoel gepaard, behalve de vrees, die natuurlijk degene voelt, die zich met zulk eene verbazende snelheid beweegt, en de moeielijkheid door de zoo geweldige zuiging van de lucht veroorzaakt.

Eerst een uur na deze vreeselijke beweging, en toen alle menschelijke vervolging verre, verre achter hen was, vertraagde de Hakim eindelijk zijn vaart, en deed hun loop in een handgalop veranderen. Hierna begon hij met eene even bedaarde stem, alsof hij sedert het laatste uur gewandeld had, tot den Schot eene lofspraak op de voortreffelijkheid van zijne renners te houden, terwijl deze, ademloos, half blind, half doof, en geheel duizelig door de snelheid van dezen zonderlingen rit, nauwelijks de woorden verstond, die zijn metgezel zoo ruimschoots ontstroomden.

"Deze paarden zijn van het ras, dat men het gevleugelde noemt, die alles in spoed evenaren, behalve den Borak van den Profeet. Zij worden gevoed met den gouden garst van Jemen, gemengd met specerijen en met eene kleine hoeveelheid gedroogd schapenvleesch. Koningen hebben provinciën gegeven, om ze in hun bezit te krijgen, en zij zijn in hun ouderdom even vlug als in hunne jeugd. Gij, Nazareër, zijt de eerste die, behalve ware geloovigen, ooit een dier van dit edel ras onder zich gehad heeft, een geschenk van den Profeet aan den gezegenden Ali, zijn bloedverwant en plaatsvervanger, te recht de Leeuw Gods genaamd. De tijd treft deze edele rossen zoo weinig, dat de merrie, die gij thans berijdt, reeds vijf maal vijf jaren heeft zien verloopen, en toch hare eerste snelheid en hare jeugdige kracht behoudt, behalve dat in den loop de steun van een toom, die door eene meer ervarene hand dan de uwe bestuurd wordt, thans noodzakelijk geworden is. De Profeet zij gezegend, dat hij de ware geloovigen de middelen tot vooruit- of achteruittrekken heeft geschonken, terwijl hunne in ijzer gekleede vijanden door hun eigen ontzaglijk gewicht afgemat worden! Wat moeten de paarden van gindsche honden van Tempeliers gesnoven en geblazen hebben, nadat zij tot aan de knieën toe in de woestijn voor een twintigste gedeelte van de ruimte hadden gearbeid, die deze brave paarden achter zich gelaten hebben, zonder eene enkele hartklopping of een droppel vocht op hunne gladde, fluweelen huid!"

De Schotsche ridder, die nu zijne ademhaling en zijn vermogen tot luisteren herkregen had, kon niet nalaten in zijn hart het voordeel te erkennen, dat deze Oostersche krijgslieden bezaten in een ras van dieren, dat evenzeer tot het voor- als achteruittrekken geschikt was, en zoo verwonderlijk bij de vlakte en zandige woestijnen van Arabië en Syrië paste. Maar hij verkoos niet, om den hoogmoed van den Muzelman nog grooter te maken, zijn trotschen eisch op meerderheid toe te stemmen. Hij zag dus rond, en kon, bij den bedaarder stap, waarmede zij zich bewogen, onderscheiden, dat hij in eene hem niet onbekende landstreek was.

De woeste oevers en het sombere water van de Doode Zee, de oneffen en steile keten bergen, die zich aan de linkerhand verhief, de twee of drie palmboomen, die bijeenstonden en de enkele groene plek op de uitgestrekte wildernis vormden--voorwerpen, die men niet licht vergat, wanneer men die slechts eenmaal gezien had,--bewezen sir Kenneth, dat zij de fontein, de Diamant der woestijn genoemd, naderden, die bij eene vorige gelegenheid het tooneel van zijne samenkomst met den Sarraceenschen emir Sheerkohf of Ilderim was geweest. Weinige minuten daarna hielden zij hunne paarden bij de bron op, en de Hakim verzocht sir Kenneth om van het paard te stijgen, en uit te rusten als op eene plaats van veiligheid. Zij onttoomden hunne paarden, terwijl El Hakim opmerkte, dat er verder geene zorg voor hen behoefde gedragen te worden, daar eenige van zijne slaven, die de snelste paarden hadden; hen spoedig zouden inhalen en het verder noodige verrichten.

"Intusschen," zeide hij, eenig voedsel op het gras uitspreidende, "eet en drink, en wees niet ontmoedigd. De fortuin kan den gewonen sterveling verheffen of vernederen, maar de wijze en de krijgsman moeten zielen hebben, die boven hare maatschappij verheven zijn."

De Schotsche ridder trachtte zijn dank te betuigen, door te doen wat van hem verlangd werd; maar ofschoon hij uit welwillendheid trachtte te eten, kwam de zonderlinge tegenstrijdigheid tusschen zijn tegenwoordigen toestand en dien, waarin hij de eerste maal op dezelfde plek geweest was, toen hij de afgezant van vorsten en de overwinnaar in den strijd was, gelijk een nevel voor zijn geest, en vasten, vermoeidheid en uitgeputheid onderdrukten zijne lichaamskrachten. El Hakim sloeg zijn snel jagenden pols, zijn rood en ontvlamd oog, zijne heete handen en zijne korte ademhaling gade.

"De geest", zeide hij, "wordt verstandig door het waken, maar zijn broeder, het lichaam, dat uit grove stoffen bestaat, heeft den steun der rust noodig. Gij moet slapen; en opdat gij zulks ter verfrissching moogt doen, moet gij een dronk nemen, met dit elixer gemengd."

Hij trok uit zijn boezem een klein kristallen fleschje, dat in een koker van gevlochten zilverwerk vervat was, en liet in een gouden drinkbeker een kleine hoeveelheid van een donker vocht druppelen.

"Dit", zeide hij, "is een van die voortbrengselen, die Allah ten zegen op de aarde gezonden heeft, ofschoon de zwakheid, en verdorvenheid der menschen ze somtijds in een vloek hebben veranderd. Het is krachtig, gelijk de wijnbeker van den Nazareër, om het gordijn voor het slapeloos oog te trekken, en den last van den te zwaar beladen boezem te verlichten; maar wanneer het tot oogmerken van vermaak en losbandigheid gebruikt wordt, verscheurt het de zenuwen, vernielt de kracht, verzwakt het verstand en ondermijnt het leven. Maar vrees niet, zijne deugden in tijd van nood te gebruiken; want de wijze verwarmt zich bij hetzelfde hout, waarmede de razende de tent afbrandt."

"Ik heb te veel van uwe bekwaamheid gezien, wijze Hakim", zeide sir Kenneth, "om tegen uw voorschrift mij te verzetten"; en hierop slikte hij den slaapdrank in, gemengd met eenig water uit de bron. Vervolgens wikkelde hij zich in zijn haik, of Arabischen mantel, die aan zijn zadelknop hing, en strekte zich, volgens het voorschrift van den geneesheer, op zijn gemak in de schaduw uit, om de beloofde rust te verbeiden. In den beginne kwam er geen slaap, maar in plaats daarvan eene reeks van aangename, en toch niet opwekkende, gewaarwordingen. Hierop volgde een toestand, waarin de ridder, hoewel bewust van zijn eigen bestaan en zijn eigen toestand, zich in staat gevoelde, om die niet alleen zonder onrust en smart, maar even kalm te beschouwen, alsof hij de geschiedenis zijner rampen op een tooneel zag vertoonen, of veeleer als een lichaamlooze geest de voorvallen van zijn vorig bestaan zou aanschouwd hebben. Uit dezen staat van rust, die bijna tot onverschilligheid omtrent het verledene steeg, werden zijne gedachten in de toekomst voortgedreven; en deze schitterde, in weerwil van alles wat het vooruitzicht kon benevelen, met zulke kleuren, dat zelfs bij veel gelukkiger voorteekens zijne verbeelding, zonder geprikkeld te zijn, in haar meest gespannen toestand niet had kunnen voortbrengen. Vrijheid, roem, gelukkige liefde schenen het zekere en niet ver verwijderde vooruitzicht van den verbannen slaaf, den onteerden ridder, zelfs van den wanhopenden minnaar, die zijne hoop op geluk zoo verre geplaatst had boven de verwachting van gelukkige toevallige gebeurtenissen, als zich de meest teugelooze verbeelding voorspiegelen kan. Allengs, terwijl het verstandelijk licht beneveld werd, werden ook deze vroolijke visioenen duister, als de wegstervende kleuren van de ondergaande zon, totdat zij eindelijk volkomen uitgewischt werden; en sir Kenneth lag, naar allen schijn, op zijne diepe ademhaling na, als een levenloos lichaam aan de voeten van El Hakim uitgestrekt.

HOOFDSTUK XXIII.

Betoov'ring wenkt--en door haar sterke hand Verandert straks 't gelaat van 't gansche land: Totdat het wild tooneel rondom ons heen, Als 't ijdel beeld eens droomgezichts verdween.

Astolpho eene Romance.

Toen de ridder van den Luipaard uit zijn langen en diepen slaap ontwaakte, bevond hij zich in omstandigheden, die zoo geheel verschillende waren van die, waarin hij zich ter rust had begeven, dat hij er aan twijfelde, of hij niet nog droomde, dan wel het tooneel door tooverij was veranderd geworden. In plaats van op het vochtige gras, lag hij op een legerstede van meer dan Oostersche weelde, en gedienstige handen hadden hem, gedurende zijn slaap, van den rok van gemsleêr, dien hij onder zijne wapenrusting droeg, ontdaan, en hem in plaats daarvan een nachtgewaad aangetrokken. Slechts palmen der woestijn hadden hem overschaduwd; maar thans lag hij onder eene zijden tent, die met de schitterendste kleuren van het chineesche weefgetouw prijkte, terwijl een licht gazen voorhangsel, dat rondom zijn bed hing, hem tegen de insecten moest beschermen, waarvan hij sedert zijne komst in deze hemelstreek de bestendige en geduldige prooi geweest was. Hij zag om zich heen, alsof hij zich wilde overtuigen, dat hij werkelijk waakte, en alles wat hem in de oogen viel, was in overeenstemming met den luister van zijne slaapstede. Een draagbaar bad van cederhout, met zilver ingelegd, stond gereed voor het gebruik en verspreidde de liefelijkste geuren, die tot de bereiding ervan waren gebruikt. Op een tafeltje van ebbenhout naast zijne ligplaats stond eene zilveren vaas, met sorbet van de heerlijkste soort, koud als sneeuw, en dat de dorst, die op het gebruik van het sterke slaapmiddel volgde, bijzonder aangenaam maakte. Om de laatste nog overgebleven dampen der bedwelming te verdrijven, besloot de ridder het bad te gebruiken, en voelde hierdoor zich heerlijk verfrischt. Na zich met handdoeken van Indische wol gedroogd te hebben, wilde hij zijn eigen grove kleeding weder aantrekken, om naar buiten te gaan en te zien, of de wereld buiten evenzeer als binnen de plaats van zijne rust veranderd was. Die was echter nergens te zien, maar in hare plaats vond hij een Saraceensch gewaad van zijden stoffen, met zwaard en dolk, zooals het voor een aanzienlijken emir paste. Hij kon geene andere reden voor deze groote zorg vinden, dan een vermoeden, dat deze bewijzen van oplettendheid bestemd waren, om hem in zijne godsdienstige overtuiging te doen wankelen, zooals wel bekend was, dat de hooge achting voor de Europeesche kunde en moed den sultan onbeperkt deed zijn in zijne geschenken jegens diegenen, die, na zijne gevangenen te zijn geworden, overgehaald waren om den tulband aan te nemen. Sir Kenneth sloeg daarom eerbiedig een kruis, en besloot al dergelijke strikken te trotseeren; en ten einde dit met te meer standvastigheid te kunnen doen, besloot hij vast om zoo matig mogelijk van de weelde gebruik te maken, waarmede hij zoo mildelijk overstelpt werd. Toch voelde hij zijn hoofd nog zwaar en slaperig, en daar hij ook begreep, dat zijne lichte kleeding niet geschikt was om buiten te verschijnen, legde hij zich weder op zijn leger en opnieuw omvingen hem de armen des slaaps.

Maar ditmaal was zijne rust niet ongestoord; want hij werd door de stem van den geneesheer aan de opening van de tent gewekt, die vroeg naar zijne gezondheid en of hij voldoende gerust had.

"Mag ik uwe tent binnentreden?" zeide hij ten laatste, "want het gordijn is voor den ingang getrokken."

"De meester," hervatte sir Kenneth, die besloten had te toonen, dat hij zijn toestand niet vergeten had, "behoeft geen verlof te vragen, om de tent van den slaaf binnen te treden."

"Maar indien ik niet als meester kom?" vroeg El Hakim, nog altijd zonder binnentreden.

"De geneesheer," antwoordde sir Kenneth, "heeft vrijen toegang tot het bed van zijn patiënt."

"Ik kom evenmin als geneesheer," hernam El Hakim, "en daarom wil ik verlof vragen, eer ik onder het bekleedsel van uwe tent treed."

"Al wie als vriend komt," zeide sir Kenneth, "en als zoodanig hebt gij u tot hiertoe jegens mij betoond, voor dien is de woning des vriends steeds open."

"En nog eens," zeide de Oostersche wijze in den omslachtigen trant van zijne landslieden, "gesteld dat ik niet als vriend kom?"

"Kom zoo als gij wilt," hernam de Schotsche ridder, eenigszins ongeduldig over dezen omslag,--"wees wat gij wilt--gij weet wel, dat het noch in mijne macht noch in mijne neiging ligt, om u den toegang te weigeren."

"Ik kom dan," zeide El Hakim, "als uw oude vijand, maar als een eerlijk en edelmoedig vijand."

Onder het uiten van deze woorden trad hij binnen; en toen hij voor het bed van sir Kenneth stond, bleef de stem die van Adonbec, den Arabischen geneesheer; maar de gestalte, kleeding en trekken waren die van Ilderim van Kurdistan, Sheerkohf genaamd. Sir Kenneth staarde hem aan, als of hij verwachtte, dat de verschijning, die hij als slechts door zijne verbeelding voortgebracht waande, zou verdwijnen.

"Verbaast u dit zoo", vroeg Ilderim, "en dat wel een beproefd krijgsman, te zien, dat een soldaat iets van de heelkunst verstaat?--Ik zeg u, Nazareër, dat een volmaakt ruiter zijn ros evengoed moet weten te zadelen, als te berijden; het zwaard op het aanbeeld te smeden, zoowel als in den slag te gebruiken; zijne wapenen te polijsten zoowel als te dragen, en vooral wonden te heelen, zoowel als toe te brengen."

Terwijl hij zoo sprak, sloot de Christen ridder herhaalde malen zijne oogen; en zoo lang deze gesloten bleven, was de gedachte aan den Hakim met zijn lang, wapperend, donker gewaad, zijne hooge Tartaarsche muts en deftige gebaren voor zijn geest tegenwoordig. Maar zoodra hij ze opende, verkondigde de zwierige en rijk met edelgesteenten versierde tulband, het lichte pantser van stalen ringen, met zilver doorvlochten, dat helder schitterde, zich voegende naar elke beweging van het lichaam, en de gelaatstrekken, die thans hun ernstig karakter verloren hadden, minder donker en niet langer door het rijke haar, dat thans uit een welgekamden baard bestond, overschaduwd waren, den krijgsman en niet den wijze.

"Zijt gij nog zoo verbaasd?" vroeg de emir, "en hebt gij met zoo weinig opmerkzaamheid de wereld doorkruist, dat gij er u over verwondert, dat de menschen niet altijd zijn wat zij schijnen?--Gij zelf--zijt gij wat gij schijnt?"

"Neen, bij St. Andries!" riep de ridder uit, "want het geheele Christenleger schijn ik een verrader toe, en ik ben overtuigd, dat ik een eerlijk man ben, hoewel ik gedwaald heb."

"Zoo beoordeelde ik u ook," antwoordde Ilderim, "en daar wij zout te zamen gegeten hadden, achtte ik mij gebonden, om u van schande en dood te redden.--Maar waarom ligt gij nog op uw bed, daar de zon reeds hoog aan den hemel staat? of zijn de kleederen, die mijne lastkameelen u verschaft hebben niet waard om door u gedragen te worden?"

"Niet onwaard, maar ongeschikt daarvoor", antwoordde de Schot; "geef mij de kleeding van een slaaf, edele Ilderim, en ik zal ze met genoegen dragen; maar ik kan het niet over mij verkrijgen, om het gewaad van een vrijen Oosterschen krijgsman met den tulband van den Muzelman te dragen."

"Nazareër," antwoordde de emir, "uw volk koestert zoo schielijk verdenking, dat dit hen lichtelijk zelven verdacht kan maken. Heb ik u niet gezegd, dat Saladin geene bekeerden verlangt, dan die, welke de heilige Profeet zal bewegen, om zich aan zijne wet te onderwerpen? Geweld en omkooping zijn even vreemd aan zijn plan, om het ware geloof uit te breiden. Luister naar mij, broeder. Toen de blinde op wonderdadige wijze het gezicht had teruggekregen, vielen de schellen door Gods welbehagen van zijne oogen--meent gij, dat eenig wereldsch geneesheer die had kunnen verwijderen? Neen. Zulk een heelmeester had den lijder met zijne instrumenten kunnen kwellen, of hem mogelijk met zijne balsems of hartversterkende middelen eenige verzachting kunnen geven, maar de blinde had even blind moeten blijven; en met de verblindheid van den geest is het even zoo gesteld. Zoo er onder de Franken sommigen zijn, die om aardsch gewin den tulband van den Profeet hebben aangenomen, en de wetten van den Islam gevolgd, dan ruste de blaam op hun eigen geweten. Zij zochten zelven het lokaas. De Sultan heeft hun het niet voorgehouden. En wanneer zij hier namaals, als huichelaars, tot de diepste kolk der hel, beneden Christen en Jood, toovenaar en afgodendienaar, zullen verdoemd worden, en veroordeeld om van de vrucht te eten, van den boom Yacourn, die het hoofd der duivelen is--dan zullen hunne schuld en straf niet aan den Sultan, maar aan hen zelven te wijten zijn.--Draag daarom, zonder te twijfelen of te aarzelen, het voor u bereide gewaad, daar uw eigen gewone kleeding, zoo gij naar het kamp van Saladin gaat, u aan lastige nieuwsgierigheid en misschien aan beleediging blootstellen zal."

"Zoo ik naar het kamp van Saladin ga?" vroeg sir Kenneth, de woorden van den emir herhalende. "Helaas! Ben ik dan vrij in mijne daden, en moet ik niet veeleer heengaan, waarheen uw goedvinden mij heenzendt?"

"Uw eigen wil kan uwe bewegingen leiden", zeide de Emir, "even vrij als de wind, die het stof van de woestijn beweegt in de richting, die hij goedvindt. De edele vijand, die met mij gestreden en mij bijna overwonnen heeft, kan mijn slaaf niet worden zoo als hij, die onder mijn zwaard bezweken is. Wanneer rijkdom en macht u in verzoeking konden brengen om u bij ons volk te voegen, dan zou ik u het bezit ervan kunnen verzekeren; maar de man, die de gunstbewijzen van den Sultan weigerde, toen de bijl aan zijn hals was, zal meen ik, die thans niet aannemen, nu ik hem zeg, dat hij zijne vrije keus heeft."

"Voltooi uwe edelmoedigheid, edele emir", zeide sir Kenneth, "door niet langer mij eene wijze van vergelding voor te houden, die mijn geweten mij verbiedt aan te nemen. Vergun mij veeleer om, gelijk de beleefdheid vordert, mijne dankbaarheid voor deze ridderlijke goedheid, deze onverdiende grootmoedigheid uit te drukken."

"Zeg niet onverdiend," hervatte de emir Ilderim; "was het niet door uw gesprek en uw verhaal omtrent de schoonheden, die het hof van Melec Ric tot sieraad strekken, dat ik mij verkleed derwaarts begaf, en waart gij het niet, die mij daardoor het heerlijkste tafereel deed aanschouwen, dat ik ooit genoten heb--dat ik ooit zal genieten, totdat de pracht van het paradijs voor mijne oogen zal schitteren?"

"Ik begrijp u niet", antwoordde sir Kenneth, beurtelings rood en bleek wordende, als een man, die gevoelde, dat het gesprek een zeer kiesche wending nam die hem tevens hoogst pijnlijk aandeed.

"Mij niet begrijpen!" riep de emir uit. "Zoo hetgeen ik in de tent van Koning Richard aantrof, aan uwe aandacht ontsnapt is, dan wil ik die voor stomper houden, dan het houten zwaard van een potsenmaker. Het is zoo, over u was op dat oogenblik het doodvonnis uitgesproken; maar als ik in het geval geweest ware, en al ware mijn hoofd van den romp gevallen, dan zouden nog de laatste kwijnende blikken van mijne oogappels met genot zulk een aanminnig gelaat aanschouwd hebben, en het hoofd zou van zelf naar de onvergelijkelijke houri zijn gewenteld, om met zijne bevende lippen den zoom van haar gewaad te kussen.--Die Koningin van Engeland, die om hare uitnemende schoonheid verdient, Koningin van het heelal te zijn--welk eene teederheid in haar blauw oog--welk een glans in hare loshangende, gouden lokken!--Bij het graf van den profeet, ik geloof nauwelijks, dat de houri, die mij den diamanten beker der onsterfelijkheid zal aanbieden, zulk eene warme liefkozing zal verdienen!"

"Sarraceen", zeide sir Kenneth ernstig, "gij spreekt van de gemalin van Richard van Engeland, aan wie de mannen niet denken en van wie zij niet spreken, als eene vrouw, die te winnen, maar als eene Koningin, die te eerbiedigen is."