De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 25

Chapter 253,765 wordsPublic domain

"Neville," viel de Koning hem barsch in de rede, "uw ijver maakt u onbescheiden en lomp. Nooit heb ik beloofd, mij te onthouden, alle middelen in het werk te stellen, die het dienstigst konden zijn, om den schandelijken aanrander van mijne eer te ontdekken. Liever dan dit te doen, zou ik van mijn koninkrijk--ja van mijn leven afstand gedaan hebben. Al mijne verklaringen geschiedden onder deze noodzakelijke en volstrekte voorwaarde,--alleen, indien de aartshertog van Oostenrijk als een man ware voorgetreden en de beleediging erkend had, betuigde ik, dat ik hem, uit liefde voor het Christendom vergeven zou."

"Maar," vervolgde de baron met nadruk, "welke hoop bestaat er, dat deze goochelende slaaf van Saladin den spot niet met uw Majesteit zal drijven?"

"Zwijg, Neville," antwoordde de Koning; "gij houdt u voor zeer wijs en zijt maar een dwaas. Denk gij om mijn last ten opzichte van dezen knaap--er steekt meer in hem, dan uw Westmorelandsch vernuft kan doorgronden.--En gij, zwijgende zwarte, bereid u voor om het werk te verrichten, dat ge beloofd hebt, en, op het waar woord van een Koning, gij zult uwe eigen belooning kunnen kiezen. Zie, hij schrijft al weder."

De stomme schreef en overhandigde den Koning met dezelfde plechtigheid als de eerste maal een ander stuk papier dat deze woorden bevatte: "de wil des Konings is de wet voor zijn slaaf--ook betaamt het hem niet om een loon voor de vervulling van zijn plicht te vragen."

"Loon en plicht!" riep de Koning, het lezen afbrekende, en tot Neville in het Engelsch sprekende met eenigen nadruk op de woorden.--"Deze Oostersche volken zullen van de kruisvaarders leeren--zij nemen reeds de taal der ridderschap aan.--En zie, Neville, hoe ontroerd de man er uitziet--als zijne kleur het niet verhinderde, zou hij blozen. Het zou mij niet verwonderen, zoo hij verstond wat ik zeg--het zijn gevaarlijke taalkenners."

"De arme slaaf kan den blik van het oog uwer Majesteit niet verdragen," zeide Neville, "anders is het niets."

"Goed, maar," vervolgde de Koning, terwijl hij onder het spreken op het papier wees, "dit stoute geschrift zegt verder, dat onze getrouwe stomme belast is met eene boodschap van Saladin aan lady Edith Plantagenet, en hij verzoekt een middel en gelegenheid, om die over te brengen. Wat dunkt u van zulk een bescheiden verzoek--zeg, Neville?"

"Ik kan niet zeggen," antwoordde Neville, "hoe zulk eene vrijheid uwe Majesteit behagen zal; maar de afgezant, die zulk een verzoek van wege uwe Majesteit aan den Sultan zou overbrengen, zou spoedig een hoofd kleiner zijn."

"Nu, ik dank den Hemel, dat ik geen van zijne door de zon verzengde schoonen begeer," zeide Richard; "en dezen man te straffen, omdat hij den last van zijn meester overbrengt, en nu hij juist mijn leven gered heeft--mij dunkt, dit zou toch al te streng zijn. Ik wil u een geheim mededeelen, Neville--want hoewel onze zwarte en stomme dienaar tegenwoordig is, weet gij toch, dat hij het niet over vertellen kan, al verstond hij ons toevallig ook--ik zeg u, dat ik sedert een veertien dagen onder eene zonderlinge betoovering gestaan heb, en ik wenschte, dat ik onttooverd ware. Er heeft mij nauwelijks iemand een goeden dienst bewezen, of zie, hij wischt zijn dienst tegenover mij door eene diepe beleediging uit; en van den anderen kant, hij, die den dood van mijne handen door eenig verraad of eenige beleediging verdiend heeft, is voorzeker juist degene, boven alle anderen, die mij eene verplichting oplegt, zwaarder dan zijne misdaden weegt, en mij in weerwil van zijne veroordeeling met het oog op mijne eer tot zijn schuldenaar maakt. Dus ziet gij, dat ik van het beste gedeelte van mijn koninklijk ambt beroofd ben, daar ik de menschen noch straffen noch beloonen kan. Tot dat de invloed van deze noodlottige planeet voorbij is, wil ik niets zeggen over het verzoek van onzen zwarten dienaar, behalve dat het hoogst vermetel is, en dat zijn beste kans, om genade in onze oogen te vinden, daarin bestaat, dat hij tracht de ontdekking te doen, die hij ten onzen behoeve voorgenomen heeft. Intusschen, Neville, let goed op hem, en laat voor hem zorgen met inachtneming van alle goede vormen.--En luister nog eens," zeide hij fluisterende, "zoek gindschen kluizenaar van Engaddi op, en breng hem dadelijk bij mij, hij moge een heilige of een wilde, een zinnelooze of een verstandig mensch zijn. Laat ik hem in het geheim zien."

Neville verwijderde zich uit de koninklijke tent, en gaf den Nubiër een teeken om hem te volgen, terwijl hij zeer verbaasd was over hetgeen hij gezien en gehoord had, en bijzonder over het ongewone gedrag des Konings. Over het algemeen was het geen gemakkelijke taak Richard's gezindheid en bepaalde meeningen te ontdekken, ofschoon het in sommige gevallen moeilijk was den duur ervan te berekenen; want geen weerhaan gehoorzaamde den veranderlijken wind gereeder dan de Koning zijne aanvallen van drift. Maar in de tegenwoordige omstandigheden scheen zijn gedrag ongemeen gedwongen en geheimzinnig, en het was niet licht te gissen, of er misnoegen dan vriendelijkheid lag in zijne handelwijze jegens zijn nieuwen dienaar of in de blikken, waarmede hij van tijd tot tijd dien beschouwde. De gereede dienst, dien de Koning hem bewezen had, om de nadeelige werking van de wond van den Nubiër tegen te gaan, kon den schijn hebben van op te wegen tegen de verplichting, die de slaaf hem had opgelegd, toen hij den slag van den sluipmoordenaar afweerde. Maar het scheen of er veel grooter rekening tusschen hen te vereffenen bleef; de Koning twijfelde, of de balans hem ten slotte schuldeischer of schuldenaar zou laten, en het scheen of hij intusschen een onzijdig gedrag aannam, dat voor beide toestanden zou passen. Wat den Nubiër betrof, en door welke middelen hij ook de kunst om de Europeesche talen te schrijven verkregen had, de baron was overtuigd, dat althans de Engelsche taal hem vreemd was, daar hij hem gedurende het laatste gedeelte van de bijeenkomst oplettend had gadegeslagen, en hij het voor onmogelijk hield voor iemand, die een gesprek verstond, waarvan hij zelf het onderwerp was, zoo volkomen den schijn te kunnen vermijden, dat hij belang daarin stelde.

HOOFDSTUK XXII.

Wie daar?--Treed nader--wel gedaan-- Mijn geleerde dokter en een vriend.

Eustace Grey.

Ons verhaal keert tot een tijdvak terug, dat aan de laatst beschreven gebeurtenissen kort voorafging, toen, zoo als de lezer zich herinneren zal, de ongelukkige ridder van den Luipaard, dien Koning Richard den Arabischen geneesheer geschonken had, veeleer als slaaf dan in eenige andere betrekking, verbannen werd uit het kamp der kruisvaarders, in welke gelederen hij zoo dikwijls en zoo schitterend zich had onderscheiden. Hij volgde zijn nieuwen meester, want zoo moeten wij nu den Hakim noemen, naar de Moorsche tenten, die zijn gevolg en eigendom bevatten, met het verstompte gevoel van iemand, die, van den top van een steilen berg in een afgrond nedergevallen, tegen zijne verwachting het levend er heeft afgebracht en nog maar juist in staat is, om zich van de noodlottige plek weg te slepen, maar zonder de mate van de ontvangen wonden te kunnen beoordeelen. Toen hij in de tent gekomen was, wierp hij zich, geheel sprakeloos, op eene legerstede van bereide buffelshuiden, die zijn leidsman hem aanwees, en zijn gelaat in zijne handen verbergende, zuchtte hij zwaar, alsof zijn hart op het punt was te barstten. De geneesheer hoorde hem, terwijl hij zijne bevelen aan zijn talrijke bedienden gaf, ten einde zich voor hun vertrek tegen den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dag gereed te maken, en door medelijden bewogen, staakte hij zijne bezigheid, legde de beenen kruiselings over elkander, en ging naast zijn leger zitten, om hem troost toe te spreken volgens de Oostersche wijze.

"Mijn vriend", zeide hij, "wees getroost--want wat zegt de dichter? Het is beter, dat een mensch de slaaf van een goed meester is, dan de slaaf van zijne eigen wilde driften. Nog eens, houd goeden moed, omdat, gelijk Isoef Ben Jagoebe door zijne broeders aan een Koning, en wel aan Farao, Koning van Egypte, verkocht werd, uw Koning u daarentegen aan iemand geschonken heeft, die voor u zijn zal als een broeder."

Sir Kenneth deed een poging om den Hakim te danken, maar zijn hart was te vol, en de onverstaanbare woorden, die zijne mislukte pogingen tot een antwoord vergezelden, bewogen den vriendelijken meester, om van zijne te voorbarige moeite tot vertroosting af te zien. Hij liet zijn nieuwen bediende of gast in rust, opdat hij zich aan zijne smart mocht overgeven, en toen hij de noodige voorbereidingen voor hun vertrek op den volgenden morgen bevolen had, zette hij zich op het tapijt neder, en gebruikte een soberen maaltijd. Nadat hij zich aldus verfrischt had, werden den Schotschen ridder gelijke spijzen aangeboden; maar, ofschoon de slaven sir Kenneth te verstaan gaven, dat de volgende dag reeds ver gevorderd moet zijn eer zij zouden stilhouden, om zich te ververschen, kon hij den tegenzin tegen alle voedsel niet te boven komen, en men kon hem niet overreden om iets anders te gebruiken dan een teug koud water.

Hij was nog wakker, lang nadat zijn Arabische gastheer zijne gewone godsdienstoefeningen verricht, en zich ter rust begeven had. De slaap had hem nog niet eens te middernacht bezocht, toen er eene beweging onder de bedienden plaats greep, die, ofschoon er niets bij gesproken en zeer weinig gedruisch gemaakt werd, hem deed bespeuren, dat zij de kameelen laadden en zich tot het vertrek voorbereidden. Bij deze voorbereidingen was de persoon, die het laatst gestoord werd, op den geneesheer zelven na, de Schotsche ridder, wien eene soort van huis-hofmeester tegen drie uren des morgens verwittigde, dat hij moest opstaan. Hij deed dit zonder verder antwoord en volgde hem in het maanlicht, waar de kameelen stonden, die voor het grootste gedeelte reeds beladen waren, en waarvan nog slechts een op de knieën lag, totdat hij zijne volle lading zou hebben.

Op eenigen afstand van de kameelen stonden een aantal paarden, die getoomd en gezadeld waren, en de Hakim zelf te voorschijn komende, besteeg er een van met zoo veel vlugheid, als de ernstige deftigheid van zijn karakter toeliet, en hij wees op een ander met bevel om het aan sir Kenneth te brengen. Er was een Engelsch officier tegenwoordig, om hen door de legerplaats der kruisvaarders te geleiden, en hunne veiligheid te verzekeren, en alles was gereed voor hun vertrek. De tent, die zij verlaten hadden, werd midderlerwijl afgebroken, en de tentstukken en het bekleedsel maakten den last van den laatsten kameel uit.--Hierop sprak de geneesheer plechtig het vers uit den koran uit: "God zij onze leidsman, en Mahomed onze beschermer zoowel in de woestijn als in het door water bevochtigde veld." Toen was de geheele troep oogenblikkelijk in beweging.

Onder het doortrekken van het kamp werden zij door verscheidene schildwachten aangeroepen, die hen zwijgend lieten voorbijtrekken, of een vloek tegen hun profeet bromden, terwijl zij den post van den een of anderen meer ijverigen kruisvaarder voorbijreden. Eindelijk lieten zij de laatste barrières achter zich, en de troep stelde zich voor den marsch op met voorbehoedende maatregelen, die uit een krijgskundig oogpunt noodig waren. Twee of drie ruiters trokken als voorhoede vooruit; een of twee bleven een boogschotslengte in de achterhoede; en overal waar de grond dat toeliet, werden anderen afgezonden om op de flanken een waakzaam oog te houden. Op deze wijze trokken zij voorwaarts, terwijl sir Kenneth, thans op het door de maan verlichte kamp terugziende, werkelijk verbannen kon schijnen, daar hij te gelijkertijd van de eer en vrijheid beroofd was, en tevens van de schitterende banieren, waaronder hij gehoopt had nog meer roem te verwerven, en van de tenten der ridderschap, van de Christenheid en--van Edith Plantagenet.

De Hakim, die naast hem reed, poogde op zijne gewone wijze hem door spreuken te troosten, "het is onverstandig achterwaarts te zien, wanneer de weg vóór ons ligt", en terwijl hij sprak, deed het paard des ridders zulk een gevaarlijken misstap, dat het dreigde eene practische zedeles bij het verhaal te voegen.

Door dezen wenk werd de ridder verplicht meer acht te slaan op het bestieren van zijn paard, dat meer dan eens de hulp en den steun van toom en teugel vereischte, ofschoon in andere opzichten niets gemakkelijker en tevens sneller kon zijn, dan de telgang, waarmede het dier voortstapte.

"Het is met het paard gesteld als met het menschelijk geslacht", merkte de spreukrijke geneesheer aan, "daar, te midden van zijn snelsten en gemakkelijksten gang, de ruiter zich voor een val moet hoeden, en, wanneer de voorspoed het hoogst is, onze voorzichtigheid het waakzaamst en ijverigst moet zijn, om het ongeluk te voorkomen."

De overladen eetlust heeft zelfs van de honigraat een afkeer, en het is niet te verwonderen, dat de ridder, gekweld en vermoeid door rampen en vernedering, eenigermate ongeduldig werd, toen hij hoorde, dat zijne ellende, bij elke wending, de aanleiding tot spreekwoorden en zinspreuken werd, hoe billijk en juist ter snede die ook waren.

"Mij dunkt", zeide hij een weinig gevoelig, "dat ik geen verdere opheldering van de onstandvastigheid der fortuin behoefde, ofschoon ik u danken zou, heer Hakim, voor de keus van een paard voor mij, zoo het slechts eens zoo flink struikelen wilde, dat het mijn hals te gelijk met den zijnen brak."

"Broeder", antwoordde de Arabische wijze, met onverstoorbare deftigheid, "gij spreekt als een der dwazen. Gij zegt in uw hart, dat de wijze aan zijn gast het jongste en beste paard had moeten geven, en het oude voor zich behouden; maar verneem, dat de gebreken van het oudere paard door de kracht van den jongeren ruiter kunnen vergoed worden, terwijl de drift van het jonge paard door het bedaarde karakter van den ouderen moet worden bekoeld."

Zoo sprak de wijze; maar ook op deze aanmerking gaf sir Kenneth geen antwoord, dat tot eene voortzetting van hun gesprek kon leiden; en de geneesheer, die het misschien moede werd iemand te troosten, die niet getroost wilde zijn, gaf een teeken aan een van zijn gevolg.

"Hassan", zeide hij, "hebt gij niets om den weg te verkorten?"

Hassan, een sprookverteller en een dichter van beroep, naderde bij deze uitnoodiging, om zijn ambt uit te oefenen.--"Heer van het paleis des levens", zeide hij, zich tot den geneesheer wendende, "gij, voor wien de engel Azraël zijne wieken uitspreidt, om de vlucht te nemen--gij, wijzer dan Soliman Ben Daved, op wiens zegelring de ware naam geschreven stond, die de geesten van de elementen beteugelt--de Hemel verhoede, dat, terwijl gij op den weg der weldadigheid wandelt, en genezing en hoop brengt, overal waar gij verschijnt, uwe eigen reis door gebrek aan verhalen en gezang onaangenaam zou gemaakt worden. Zie, zoolang uw dienaar aan uwe zijde is, zal hij de schatten van zijn geheugen uitstorten, gelijk de fontein haar stroom langs het pad zendt, ter verversching van hen, die daarop wandelt."

Na deze inleiding verhief Hassan zijne stem, en begon een verhaal van liefde en tooverij, met daden van krijgsroem doormengd, en versierd met overvloedige aanhalingen uit de Persische dichters, met wier werken de redenaar gemeenzaam bekend scheen te zijn. Het gevolg van den geneesheer, behalve diegenen, welke noodzakelijk op de kameelen moeten passen, drongen zich om den verhaler, en kwamen zoo nabij, als de eerbied voor hun meester toeliet, om het genot te smaken, welke de Oosterschen altijd in deze soort van kunstbeoefeningen gevonden hebben.

Op een anderen tijd zou sir Kenneth, ondanks zijne gebrekkige kennis van de taal, in de voordracht belang gesteld hebben, daar deze ofschoon zij door een meer weelderige verbeelding ingegeven en in eene meer buitensporigen en figuurlijken stijl geuit werd, toch eene sterke gelijkenis had met de romancen der ridderschap, die toen in Europa zoozeer in zwang waren. Maar zoo als de zaken voor hem stonden, bespeurde hij nauwelijks, dat een man in het midden van den troep, ongeveer twee uren lang op een zachten toon iets opzeide en zong, terwijl hij zijne stem naar de verschillende aandoeningen van hartstocht, die in het verhaal te pas kwamen, veranderde, en tot belooning dan eens een zacht geprevelde goedkeuring, dan weder uitdrukkingen van verwondering ontving, dan eens zuchten en tranen, en somtijds, hetgeen veel moeilijker van zulk een gehoor te verkrijgen is, den zweem van een stillen glimlach, ja, zelfs van gelach.

Onder het verhalen werd de aandacht van den balling, hoe afgetrokken ook door zijne eigen diepe smart, nu en dan opgewekt door het dof gehuil van een hond, die in een hok, dat op een der kameelen hing, was opgesloten. Als ervaren jager kon hij er niet aan twijfelen, of het was dat van zijn eigen trouwen hond; en uit den klagenden toon van het dier begreep hij, dat het de nabijheid van zijn meester bespeurde, en op zijne wijze diens bijstand vroeg, om hem te bevrijden.

"Helaas! arme Roswal", zeide hij, "gij roept iemand om hulp en medelijden aan, die in een strenger slavernij is dan gij zelf. Ik wil mij houden, of ik u niet bemerk, en uwe liefde niet beantwoorden, daar dit slechts dienen zou, om onze scheiding nog te grievender te maken."

Zoo gingen de uren van den nacht voorbij, en de tijd van den grijzen nevel, die het schemerlicht van een Syrischen morgen vormt. Maar toen de eerste omtrek van de zonneschijf boven den gezichteinder begon te rijzen, en de eerste straal door den dauw langs de oppervlakte van de woestijn schoot, die de reizigers thans bereikt hadden, verhief El Hakim zelf zijne luidklinkende stem, waarmede hij het verhaal van den spreukverteller afbrak, terwijl hij over de woestijn de plechtige oproeping deed weergalmen, die de muezzins des morgens van den minaret van elke moskee doen hooren.

"Ten gebede--ten gebede! God is de eenige God.--Ten gebede--ten gebede! Mahomed is de profeet Gods.--Ten gebede--ten gebede! de tijd ontvliedt u.--Ten gebede--ten gebede! Het oordeel nadert u met rasse schreden."

In een oogwenk wierp ieder Muzelman zich van zijn paard, wendde het gelaat naar Mekka, en verrichtte met zand eene nabootsing van die afwasschingen, die anders met water moesten geschieden, terwijl ieder in het bijzonder, in korte maar vurige uitroepen, zich zelven aan de zorg, en zijne zonden aan de vergiffenis van God en den profeet aanbeval.

Zelfs sir Kenneth, wiens rede en vooroordeelen tevens gekrenkt werden, door dat hij zijne reismakkers iets zag verrichten, dat hij als eene daad van afgoderij beschouwde, kon niet nalaten de oprechtheid van hun verkeerden ijver te eerbiedigen. Door hunne geestdrift opgewekt, richtte hij in zuiverder vorm gebeden tot den Hemel. Tevens verwonderde hij zich, welk nieuw geboren gevoel hem kon leeren, om zich in het gebed te vereenigen met diezelfde Sarraceenen, wier heidenschen eeredienst hij als eene onteerende misdaad beschouwde voor het land, waarin groote wonderen geschied waren, en de ster der verlossing was opgekomen.

In welk vreemd gezelschap zijn gebed dan ook geuit werd, het sproot zuiver voort uit zijn natuurlijk gevoel omtrent godsdienstplicht, en het had zijne gewone uitwerking, namelijk den geest, die door eene zoo snelle opvolging van rampen was geschokt, tot kalmte te brengen. De oprechte en ernstige toenadering van den Christen tot den troon van den Almachtige is de beste aansporing tot geduld in droefheid; want waarom zouden wij met God door onze gebeden spotten, wanneer wij Hem door het morren tegen zijne bedoelingen beleedigen?--Of hoe zouden wij, terwijl onze gebeden bij ieder woord de ijdelheid en nietigheid van de vergankelijke goederen in vergelijking met de eeuwige erkennen, hopen den Doorgronder der harten te bedriegen, door toe te laten, dat de wereld en wereldsche driften hare onstuimige heerschappij over onze harten hernemen op hetzelfde oogenblik, dat onze godsdienstoefening geëindigd is?--Er zijn zulke met zich zelf in strijd zijnde menschen geweest, en misschien zijn zij er nog, die toelaten, dat aardsche driften de teugels hernemen, terstond nadat zij zich in een ernstig gebed tot den Hemel hebben gericht; maar sir Kenneth behoorde niet tot deze. Hij gevoelde zich vertroost en versterkt, en beter voorbereid, om alles, waartoe zijn toestand hem mocht verplichten, te doen en te lijden en te volvoeren of zich daaraan te onderwerpen.

Intusschen had de troep Sarraceenen zich weder in de zadels geworpen, en zij vervolgden hun weg, terwijl de verhaler, Hassan, den draad van zijn vertelsel weer opnam; maar hij deed dit niet langer voor dezelfde aandachtige toehoorders. Een ruiter, die eene hoogte aan de rechterhand van de kleine bende bestegen had, was in snellen galop naar El Hakim teruggekeerd en had met hem gesproken. Daarop waren vier of vijf andere ruiters afgezonden, en de kleine troep, die uit ongeveer twintig of dertig personen bestond, begon hen met de oogen te volgen, als mannen van wier gebaren, nadering of terugtocht zij zich goed of kwaad konden voorspellen. Hassan, ziende, dat zijne toehoorders geen aandacht meer hadden, of zelf door de onzekere gebeurtenissen op de flank aangetrokken, hield met zijn zang op, en de marsch werd in stilte voortgezet, behalve wanneer een kameeldrijver zijn geduldig lastdier toeriep, of de een of andere beangste volgeling van den Hakim met zijn nevenman op gejaagden en zeer zachten toon sprak.

Deze onzekere toestand duurde voort, totdat zij rondom eene kleine hoogte kwamen, uit heuveltjes zand bestaande, die voor het hoofdkorps het voorwerp verborgen, dat onder hunne veldwachten zulk eene onrust had verwekt. Sir Kenneth kon thans op den afstand van eene (Engelsche) mijl of iets meer een zwart voorwerp zien, dat zich snel over de woestijn bewoog, en dat zijn geoefend oog als een troep ruiterij herkende. Zij was veel talrijker dan de hunne, en, uit de sterke en voortdurende flikkeringen, die de stralen der opgaande zon weerkaatsten, bleek het dat het Europeanen in hunne volkomen wapenrusting waren.

De angstige blikken, die de ruiters van El Hakim thans op hun aanvoerder wierpen, schenen van groote vrees te getuigen. Deze intusschen zond met dezelfde kalmte, waarmede hij zijn volgelingen tot het gebed opgeroepen had, twee van zijne bereden ruiters af, met last om zoo dicht, als de voorzichtigheid toeliet, deze woestijn-reizigers te naderen, en hun getal, hun stand, en, zoo mogelijk, hun voornemen nauwkeurig op te nemen. De nadering van het gevaar, of van hetgeen als zoodanig gevreesd wordt, is als een prikkelende drank voor iemand, die tot onverschilligheid gezonken is, en zij riep sir Kenneth tot zich zelven en de bewustheid van zijn toestand terug.

"Wat vreest gij van deze Christen ruiters, want dit schijnen zij te zijn?" vroeg hij aan El Hakim.

"Vreezen!" hervatte deze, het woord minachtend herhalende--"de wijze vreest niets dan den Hemel--maar verwacht altijd van goddelooze menschen het ergste, dat zij doen kunnen."

"Het zijn Christenen", hernam sir Kenneth, "en het is een tijd van wapenstilstand--waarom zoudt gij eene inbreuk op de goede trouw duchten?"