De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 24

Chapter 243,875 wordsPublic domain

Neville verwijderde zich, en Richard was weldra verdiept in de treurige tijdingen, die hem uit Engeland geworden waren, omtrent de partijschappen, welke zijne erf-Staten verscheurden--de oneenigheid tusschen zijne broeders, Jan en Godfried, en de geschillen van beiden met den opperrichter, Longchamp, bisschop van Ely,--de verdrukking der landlieden door de edelen en het oproer der eersten tegen hunne meesters, wat overal tooneelen van tweedracht, en in sommige gevallen bloedige botsingen veroorzaakt had. Berichten van voorvallen, krenkend voor zijn hoogmoed, en ingrijpend in zijn gezag, waren vermengd met den ernstigen raad van zijne verstandigste en het meest aan hem gehechte raadslieden, dat hij dadelijk naar Engeland moest terugkeeren, daar zijne vertegenwoordigheid het eenige redmiddel was, om het koninkrijk van alle ijselijkheden van een burgeroorlog te redden, waarvan Frankrijk en Schotland waarschijnlijk voordeel zouden trekken. Vervuld met de pijnlijkste vrees, las en herlas Richard de onheilspellende brieven, vergeleek de berichten, die eenige ervan bevatten met dezelfde feiten, verschillend meegedeeld in andere, en hij werd spoedig geheel ongevoelig voor hetgeen rondom hem voorviel, ofschoon hij wegens de koelheid dicht nabij den ingang van zijne tent zat, en de gordijnen had teruggetrokken, zoodat hij zien kon en gezien worden door de wachten en anderen, die buiten stonden.

Dieper in de schaduw van de tent en bezig met de taak, die zijn nieuwe meester hem opgedragen had, zat de Nubische slaaf, met den rug naar den Koning gekeerd. Zoo even was hij met het in orde brengen, en polijsten van het borstharnas en ander staalwerk gereed gekomen, en was thans ijverig bezig met een breed schild van ongewone grootte, en met stalen platen belegd, dat Richard dikwijls gebruikte bij het verkennen of bestormen van versterkte plaatsen, als eene krachtiger bescherming tegen werpspiesen, dan het smalle driehoekige schild, dat te paard gebruikt werd. Dit schild droeg noch de koninklijke leeuwen van Engeland noch eenig ander teeken, om niet de aandacht van de verdedigers der muren, waartegen het gebruikt werd, te trekken; de zorg van den wapensmid had zich daarom bepaald om de oppervlakte ervan zoo helder als kristal te doen schitteren, en hierin scheen hij bijzonder geslaagd te zijn. Naast den Nubiër, en nauwelijks zichtbaar van buiten, lag de groote hond, die zijn medeslaaf kon genoemd worden, en die als het ware beschroomd was nu hij een koninklijken eigenaar had gekregen. Hij lag dicht aan de zijde van den stomme, met kop en ooren op den grond, en zijne pooten en staart gebogen en onder zich getrokken.

Terwijl de monarch en zijn nieuwe dienaar aldus bezig waren, trad een nieuw medespeler op het tooneel, en mengde zich onder den troep Engelsche landslieden, van wie ongeveer een twintigtal, uit achting voor de niet gewone peinzende en zwijgende houding van hun Koning, tegen hunne gewoonte in, stilte wacht vóór zijne tent hielden. Die wacht was echter niet waakzamer dan gewoonlijk. Eenigen van hen speelden hazard met keisteentjes, anderen fluisterden met elkander over den naderenden strijd, en verscheidenen van hen lagen te slapen, hunne half gekleede lichamen in hunne groene mantels gewikkeld.

Tusschen deze zorglooze wachters door gleed de onaanzienlijke gestalte van een kleinen ouden Turk, armoedig gekleed, gelijk een marabout of santon van de woestijn, eene soort van dwepers, die zich somtijds in de legerplaats der kruisvaarders waagden, ofschoon zij altijd met verachting, en somtijds met geweld behandeld werden. De weelde en ongebonden toegevendheid der Christen aanvoerders had dan ook in hunne tenten een bonten samenloop gelokt van muzikanten, kunstemakers en Joodsche kooplieden, Kopten, Turken en allerlei uitvaagsel der Oostersche natiën, zoodat de kaftan en de tulband volstrekt geen ongewone verschijning in de legerplaats der kruisvaarders waren, ofschoon het duidelijk voornemen van den krijgstocht was, om beide uit het heilige Land te verdrijven. Toen echter de kleine, onbeduidende gestalte, die wij beschreven hebben, zoo nabij kwam, dat hij eenige belemmering van de wacht ontmoette, wierp hij zijn morsigen groenen tulband van het hoofd, toonde, dat zijn baard en zijne wenkbrauwen geschoren waren, als die van een nar van beroep, en dat de uitdrukking van zijne zonderlinge en verweerde trekken, zoowel als van zijne kleine zwarte oogen, die schitterden als gitten, getuigden van een kranken geest.

"Dans, marabout," riepen de soldaten, bekend met de zeden van deze zwervende dwepers--"dans, of wij zullen u met onze boogstangen geeselen, totdat gij u ronddraait als een tol."--Zoo schreeuwden de onbarmhartige wachten, even verheugd een voorwerp tot plagen te hebben, als een kind, als het een vlinder vangt, of een schooljongen, als hij een vogelnest ontdekt.

De marabout scheen gelukkig, hun genoegen te kunnen geven; hij sprong van den grond op, en draaide duizelingwekkend voor hen rond met eene ongekende behendigheid. Dit deed hem, in verband met zijn ellendig en uitgeteerd voorkomen, en zijne kleine gestalte op een verdord blad gelijken, dat naar welgevallen door een winterstorm wordt rondgeslingerd. Zijn enkele bos haar vloog opwaarts van zijn kaal geschoren hoofd, alsof geesten hem daarbij staande hielden, en inderdaad scheen het of eene bovennatuurlijke kunst noodig was tot de uitvoering van den wilden wervel dans, waarbij men nauwelijks de punten van de teenen des dansers den grond zag raken. Onder de rondzwervingen van zijne kunstvertooning vloog hij her- en derwaarts, van de eene plek naar de andere, terwijl hij intusschen, ofschoon bijna onmerkbaar, den ingang van de koninklijke tent naderde, zoodat, toen hij eindelijk uitgeput ter aarde zonk, na twee of drie sprongen, die nog hooger waren dan die, welke hij tot nog toe had gemaakt, hij niet meer dan dertig meter van den persoon des Konings was verwijderd.

"Geef hem water," zeide de eene soldaat; "zij begeeren altijd een dronk na hun luchtigen dans."

"Ei, water, zegt gij, Lange Allen?--" riep een ander boogschutter tot antwoord; "hoe zoudt gij zelf zulk een drank vinden na zulk een dans?"

"Ik mag des duivels zijn, als hij hier een droppel water krijgt," zeide een derde. "Wij zullen den ouden ongeloovige met zijn lichte voeten leeren, een goed Christen te worden en Cyprus wijn te drinken."

"Ja, ja," zeide een vierde; "en als hij koppig is, haal dan den horen van Dick Hunter, waarmede hij zijne merrie drenkt."

Een kring vormde zich oogenblikkelijk rondom den liggenden en uitgeputten dervisch, en terwijl een krachtig krijgsman zijn zwak lichaam van den grond opbeurde, bood een ander hem eene groote flesch wijn aan. De oude man, die niet in staat was om te spreken, schudde met het hoofd, en wees met de hand den door den Profeet verboden drank af; maar zijne kwelgeesten waren niet op die wijze te bevredigen.

"De horen, de horen!" riep een. "Er is weinig verschil tusschen een Turk en een Turksch paard, en wij willen hem als zoodanig behandelen."

"Bij St. George, gij zult hem doen stikken!" zeide Lange Allen; "en bovendien is het eene zonde aan een heidenschen hond zoo veel wijn weg te werpen, als een goed Christen voor een drievoudige nachtdronk zou dienen."

"Gij kent den aard van deze Turken en heidenen niet, Lange Allen." hernam Hendrik Woodstall; "ik zeg u, man, dat deze flesch Cypruswijn zijne hersens aan het draaien zal brengen, juist in de tegenovergestelde richting, als zij onder het dansen dwarrelden, en hem op die manier, als het ware, weder tot zich zelven zal brengen.--Stikken? Hij zal er niet meer van stikken, als Benjamins zwarte teef van het pond boter."

"En het hem te misgunnen," zeide Thomalin Blacklees, "waarom zoudt gij den armen heidenschen duivel een droppel drinken op aarde misgunnen, daar gij weet, dat hij geen droppel zal krijgen, om de punt van zijn tong te verkoelen gedurende eene lange eeuwigheid."

"Dat zouden harde wetten zijn, ziet gij," zeide Lange Allen, "alleen omdat hij een Turk is, zoo als zijn vader vóór hem was. Ware hij van een Christen heiden geworden, dan stem ik u toe, dat de heetste hoek een goed kwartier voor hem geweest was."

"Houd je stil, Lange Allen," zeide Hendrik Woodstall, "ik zeg je, dat je tong niet het kortste lid van je is, en ik voorspel dat die je in ongenade zal brengen bij vader Franciscus, zoo als eens bij de zwartoogige Syrische meid.--Maar hier komt de horen.--Werk een weinig mede, man, wilt gij, breek hem de tanden met het hecht van uw kleinen dolk open."

"Kijk! Kijk!--hij schikt er zich in," zeide Thomalin; "zie, zie, hij geeft een teeken voor den beker--maak ruimte jongens. "Op is het," zegt de Hollander--dat gaat naar binnen als zoet bier! Ja het zijn ware zuipers, als zij beginnen--een Turk hoest nooit bij zijn beker, en kent geen maat bij zijn drank."

Werkelijk dronk de dervisch, of wat hij dan ook was, de groote flesch in een teug tot op den bodem leeg, of scheen die tenminste uit te drinken, en toen hij die van zijn lippen nam, nadat de geheele inhoud geledigd was, sprak hij slechts de woorden "Allah Kerim", God is barmhartig, uit. Er ontstond zulk een luidruchtig gelach onder de landlieden, die dezen meesterdronk zagen, dat des Konings aandacht opgewekt werd en hij toornig zijn vinger opheffend, zeide: "Hoe, schurken, is er geene achting, geen tucht?"

Alle zwegen plotseling stil, daar zij het karakter van Richard wel kenden, die op sommige tijden veel militaire gemeenzaamheid toeliet, en op andere tijden de stipste tucht vorderde, ofschoon de laatste stemming veel zeldzamer voorkwam. Zij haastten zich om op verderen afstand van den persoon des konings zich te verwijderen, en trachtten den marabout met zich te trekken, die, waarschijnlijk door voorafgaande vermoeienis afgemat, of door den machtigen dronk, dien hij zooeven verzwolgen had, overmand, zich door worstelen en steunen er zich tegen verzette, om van de plaats gebracht te worden.

"Laat hem stil liggen, gekken," fluisterde Lange Allen zijne makkers toe. "Bij St. Christoffel, gij zult onzen Richard driftig maken, en zijn dolk zal zoo dadelijk naar onze koppen geslingerd worden. Laat hem liggen, binnen een minuut zal hij slapen als een marmot."

Op hetzelfde oogenblik wierp de monarch eene tweede ongeduldigen blik naar de plek, en allen verwijderden zich in haast, den dervisch op den grond latende, die, naar het scheen, niet in staat was, om eene enkele lid van zijn lichaam te verroeren. Een oogenblik daarna was alles zoo stil en rustig, als het vóór de komst van den Turk geweest was.

HOOFDSTUK XXI.

De ontvleesde moord, gewekt door 't huilen van Zijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred. Zoo als Tarquinius' schendstap, naar zijn doel. Gelijk een spook.

Macbeth.

Gedurende een kwartier of langer na het voorgevallene bleef alles volkomen rustig vóór het koninklijk verblijf. De Koning las en peinsde aan den ingang van zijne tent--achter hem en met den rug naar den ingang gewend, polijstte de Nubische slaaf nog het groote schild.--Op den voorgrond, op een afstand van honderd schreden, stonden, zaten of lagen de landlieden van de wacht op het gras uitgestrekt. Zij waren met hunne eigen uitspanningen vervuld, maar speelden in stilte, terwijl op het plein tusschen hen en het voorste gedeelte der tent, het gevoellooze lichaam van den marabout lag, die nauwelijks van een hoop vodden was te onderscheiden.

Maar de Nubiër was in het genot van een spiegel met schitterenden glans: het fijn gepolijste schild, dat hij in zijn handen had. Door middel van dezen bespeurde hij, tot zijn schrik en verbazing, dat de marabout zijn hoofd zachtjes van den grond optilde, zoodat hij alles om zich zien kon, terwijl hij zich met een goed berekende voorzichtigheid bewoog, die met zijn beschonken toestand volstrekt niet bestaanbaar scheen. Hij legde zijn hoofd dadelijk weder neder, overtuigd dat hij niet werd opgemerkt, begon, met den minstmogelijken schijn van vrijwillige poging, zich als bij toeval hoe langer hoe nader bij den Koning te sleepen. Maar hij hield bij tusschenpoozen op en bleef dan stil liggen, als eene spin, die haar prooi naderde, in schijnbare levenloosheid verzinkt, wanneer zij meent, dat zij opgemerkt wordt. Deze soort van beweging scheen den Ethiopiër verdacht toe, die zich van zijn kant, zoo stil mogelijk voorbereidde om tusschen beide te komen, zoodra die tusschenkomst noodzakelijk mocht blijken.

De marabout kroop intusschen langzamerhand en onbemerkbaar als eene slang of liever als eene slak, totdat hij ongeveer tien ellen van Richard's persoon af was. Toen sprong hij overeind, rende naar den Koning met den sprong van een tijger, stond in minder dan een oogenblik achter den Koning, en zwaaide den cangiar of dolk, dien hij in zijne mouw verborgen had, boven zijn hoofd. Zelfs de tegenwoordigheid van het geheele leger van den heldhaftigen monarch kon hem niet gered hebben--maar de bewegingen van den Nubiër waren even goed berekend geweest als die van den dweper, en eer de laatste kon toestooten, vatte de eerste zijn opgeheven arm. De Charegiet, want dit was de schijnbare marabout, zijne dweepzieke woede tegen den man richtende, die zich zoo onverwachts tusschen hem en het voorwerp zijner wraak plaatste, gaf den Nubiër een steek met zijn dolk, die echter alleen diens arm schaafde, terwijl de veel grootere kracht van den Ethiopiër hem gemakkelijk op den grond neder wierp. Richard, bespeurende, wat er was voorgevallen, was nu opgestaan, en met weinig meer verbazing, toorn of belangstelling van eenigen aard, dan een gewoon mensch toonen zou in het afweren en verpletteren van een lastige wesp, nam hij den stoel, waarop hij gezeten had, op en met de woorden "Daar, hond!" verbrijzelde hij den schedel van den sluipmoordenaar, die eenmaal luid en de tweedemaal met eene gebroken stem de woorden "Allah ackbar" (God zegepraalt) uitsprak--en aan de voeten des Konings den adem uitblies.

"Gij zijt zorgvuldige wachten," zeide Richard tot zijne boogschutters, op een toon van minachtend verwijt, toen zij door het ontstane gedruisch met schrik en verwarring zijne tent binnenstormden;--"gij zijt waakzame schildwachten, om mij te noodzaken zulk beulenwerk met eigen handen te verrichten.--Zwijgt allen stil, en houdt met uw onverstandig geschreeuw op! Hebt gij nooit meer een dooden Turk gezien?--Hier--werpt dat aas buiten het leger, slaat het hoofd van den romp, en steekt het op eene lans, en draagt zorg het gelaat naar Mekka te keeren, opdat hij den schandelijken belager, op wiens inblazing hij herwaarts gekomen is, te gemakkelijker zeggen kan, hoe het hem met zijn last gegaan is.--Wat u betreft, mijn zwarte, stomme vriend," voegde hij er bij, zich tot den Ethiopiër wendende--"maar wat is dat?--gij zijt gewond--en dat met een vergiftig wapen, daar sta ik voor in; want door de kracht van een dolksteek kon zulk een zwak dier als dit, nauwelijks hopen meer te doen, dan de huid van den leeuw te schrammen.--Een van u zuige het vergif uit zijne wonde--het venijn is onschadelijk op de lippen, al is het doodelijk, wanneer het zich met het bloed vermengt."

De landlieden zagen elkander verlegen en aarzelend aan, daar de vrees voor zulk een zonderling gevaar de overhand kreeg bij mannen, die voor geen ander gevaar schroomden.

"Hoe nu, knapen," vervolgde de Koning; "hebt gij zulke teedere lippen, of vreest gij den dood, daar gij zoo talmt?"

"Niet den dood van een man," antwoordde Lange Allen, dien de Koning onder het spreken aanzag, "maar mij dunkt, ik wilde niet gaarne als een vergiftige rot sterven, althans niet voor een zwart stuk vee als daar staat die op de markt als een gemeste os verkocht wordt."

"Zijne Majesteit spreekt tegen mannen van het uitzuigen van vergif," bromde een ander landman, "als of hij zeide, toe, slok die aalbes door!"

"Neen," riep Richard, "ik heb nooit iemand bevolen iets te doen, wat ik niet zelf zou doen."

En zonder verderen omslag, en in weerwil van de algemeene tegenwerpingen der omstanders, en het eerbiedig verzet van den Nubiër zelven, legde de Koning van Engeland zijne lippen op de wond van den zwarten slaaf, alle vertoogen met spotternij bejegenende, en allen tegenstand trotseerende. Hij had nauwelijks zijn zonderling werk gestaakt, of de Nubiër sprong van hem af, sloeg een sjerp om zijn arm, en gaf door teekens, die evenzeer zijn vast voornemen aanduidden, als zij eerbiedig waren, zijn besluit te kennen, dat hij den Monarch niet veroorloven zou, om zulk een vernederend werk te hervatten. Lange Allen kwam ook tusschen beide, zeggende, dat, zoo het noodig ware om den Koning te beletten, zijne handelwijs te herhalen, zijne eigene lippen, tong en tanden ten dienste van den Neger (zoo als hij den Ethiopiër noemde) waren, en dat hij hem liever heelhuids zou opeten, dan dat de mond van Koning Richard hem weer zou naderen.

Neville, die met andere officieren binnentrad, voegde er zijne betoogen bij.

"Maakt toch geen noodeloos geschreeuw over een hert, dat de honden verloren hebben, of een gevaar, wanneer het over is," zeide de Koning, "de wond is slechts een kleinigheid, want er is nauwelijks bloed uitgekomen--eene nijdige kat zou een dieperen krap hebben toegebracht--en wat mij betreft, ik behoef slechts een drachma orviëtan te nemen, bij wijze van voorzichtigheid, hoewel het onnoodig is."

Zoo sprak Richard een weinig beschaamd misschien over zijn eigen vernedering, ofschoon deze door menschlievendheid en dankbaarheid geheiligd werd. Maar toen Neville voortging met betoogen over het gevaar van zijn koninklijken persoon te maken, legde de Koning hem het stilzwijgen op.

"Stil, bid ik u--spreek er niet meer over--ik deed het slechts om deze onwetende, bevooroordeelde knapen te toonen, hoe zij elkander helpen konden, als deze lafhartige honden ons met vergiftigde pijlen aanvallen.--Maar", voegde hij er bij, "neem dezen Nubiër in uw kwartier, Neville--ik ben van meening ten zijnen opzichte veranderd--laat goed voor hem zorgen.--Maar luister wel--zie toe, dat hij niet ontsnapt--er steekt meer in hem, dan hij schijnt. Laat hem alle vrijheid genieten, maar zoo, dat hij het leger niet verlaten kan.--En gij, vleeschvretende, wijnzwelgende Engelsche bulhonden, gaat dadelijk weder op wacht, en zorgt dat gij waakzamer zijt. Denkt niet, dat gij thans in uw eigen land zijt, waar gij een eerlijk spel hebt, waar de menschen spreken, eer zij toeslaan, en elkander de hand drukken, vóór dat zij elkander de keel afsnijden. Het gevaar in ons land treedt openlijk op en met getrokken zwaard, en daagt den vijand uit, dien het aanvallen wil. Maar hier geschiedt de uitdaging met een zijden handschoen in plaats van met een stalen, snijdt men de keel uit met de veder van eene tortelduif; doorsteekt u met de tong van een priesterlijk kleinood, of worgt u met de snoer van een keurslijf. Gaat--houdt uw oogen open, uw mond gesloten--drinkt minder, en ziet scherper toe op hetgeen rondom u is; of ik zal uwe groote magen op zulk een rantsoen zetten, dat het zelfs de maag van een geduldigen Schot honger zou doen krijgen."

De landlieden keerden beschaamd en ootmoedig naar hun post terug, en Neville begon weder zijn meester te onderhouden over het gevaar van de verwaarloozing van hun plicht zoo lichtelijk over het hoofd te zien, en de wenschelijkheid van een voorbeeld te stellen in een geval, met zoo bijzonder bezwarende omstandigheden gepaard, dat men zulk een zoo verdacht persoon als den marabout vergunde, om op een dolklengte tot zijn persoon te naderen. Maar Richard viel hem in de rede: "Spreek er niet van, Neville--zoudt gij willen, dat ik een klein gevaar voor mijn eigen persoon strenger strafte dan het verlies van de banier van Engeland? Deze is gestolen--gestolen door een dief, of overgegeven door een verrader, en er is geen bloed om gestort.--Mijn zwarte vriend, gij zijt een verklaarder van geheimen, zegt de doorluchtige Sultan--nu zou ik u uw eigen gewicht in goud geven, als gij, door een nog zwarteren, dan gij zelf zijt, of door welke andere middelen gij ook wilt, mij den dief kondt aanwijzen, die mijne eer dien schimp heeft aangedaan. Wat zegt gij, he?"

De stomme scheen verlangend te spreken, maar gaf slechts dien onvolmaakten toon, eigen aan zijn treurigen toestand, kruiste daarop de armen, zag den Koning met een blik aan, die zeide, dat hij hem verstond, en knikte ten antwoord op zijne vraag.

"Hoe!" riep Richard met een vroolijk ongeduld. "Wilt gij het ondernemen, deze zaak te ontdekken?"

De Nubische slaaf herhaalde dezelfde beweging.

"Maar hoe zullen wij elkander verstaan?" vroeg de Koning.--"Kunt gij schrijven, beste kerel?"

De slaaf beaamde dit weder door een teeken.

"Geef hem schrijfgereedschap," zeide de Koning. "Dit was spoediger bij de hand in de tent van mijn vader dan in de mijne--maar het zal wel hier of daar zijn, wanneer dit verzengend klimaat de inkt niet heeft verdroogd. Wel, deze man is een juweel--een zwarte diamant, Neville."

"Met verlof van uwe Majesteit," zeide Neville, "als ik met mijn arm verstand mij daarover mag uitlaten, het is altijd gevaarlijk, om met zulke waar om te gaan. De man moet een toovenaar zijn, en toovenaars staan met den vijand in verband, die er het meeste belang bij heeft om onkruid onder de tarwe te zaaien en oneenigheid in onze raadsvergadering te brengen, en...."

"Zwijg, Neville," zeide Richard. "Roep uw Noordschen hond een halloo toe, wanneer hij het wild te dicht op de hielen zit, en hoop hem terug te roepen, maar tracht niet, Plantagenet tegen te houden, als hij hoop heeft, zijne eer te herstellen."

De slaaf, die gedurende deze woordenwisseling geschreven had, in welke kunst hij zeer vaardig scheen, stond nu op, drukte het geschrevene tegen zijn voorhoofd, en boog zich, als naar gewoonte, eer hij het in handen van den Koning overgaf. Het geschrift was in het Fransch, ofschoon hun onderhoud tot hiertoe door Richard in de Lingua Franca gehouden werd.

"Aan Richard, den overwinnenden en onverwinlijken Koning van Engeland, dit van den minsten zijner slaven. Geheimen zijn de verzegelde kisten des hemels; maar de wijsheid kan middelen vinden, om het slot te openen. Zoo uw slaaf geplaatst werd daar, waar de aanvoerders van het leger in orde voor hem voorbij moesten trekken, twijfel dan niet, of, wanneer diegene, die den smaad, waarover mijn Koning klaagt, bedreven heeft, zich onder hun getal bevindt, hij in zijne boosheid ontdekt zal worden, al is hij ook onder zeven sluiers verborgen."

"Nu, bij St. George!" zeide Koning Richard, "gij hebt geheel ter gelegener tijd gesproken.--Neville, gij weet, dat wanneer wij morgen onze troepen monsteren, de vorsten overeengekomen zijn, dat, ten einde den schimp, Engeland door het stelen van de banier aangedaan, weder goed maken, de aanvoerders bij onzen nieuwen standaard zullen voorbijtrekken, die op den St. Georgeberg wappert, en hem met plechtigen eerbied zullen groeten. Geloof mij, de geheime verrader zal het niet wagen, zich aan zulk eene plechtige zuivering te onttrekken, uit vrees dat zijne afwezigheid alleen reeds reden tot achterdocht zou geven.--Daar zullen wij onzen zwarten raadsman plaatsen, en indien zijne kunst den schurk kan ontdekken, laat mij dan maar met hem omspringen."

"Mijn Koning," antwoordde Neville met de vrijmoedigheid van een Engelsch baron, "zie toe, welk werk gij begint. De eendracht tusschen ons heilig verbond is onverwacht vernieuwd--wilt gij op vermoedens, die een Negerslaaf u inboezemt, wonden openrijten, die eerst sedert kort gesloten zijn.--Of wilt gij den plechtigen stoet, die voor het herstel uwer eer, en voor de bevestiging van eensgezindheid onder de oneenige vorsten bepaald is, als een middel gebruiken, om nieuwe redenen tot beleediging te vinden, of oude twisten te doen herleven? Het zon nauwelijks te sterk gezegd zijn, dat dit een inbreuk zou wezen op de verklaring, die uwe Majesteit aan den vergaderden raad van den kruistocht gedaan heeft."