De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 21

Chapter 213,684 wordsPublic domain

"Ik raaskal niet, Richard.--Ik ben zoo gelukkig niet. Ik ken mijn toestand, en weet, dat mij nog eene zekere hoeveelheid verstand is toegestaan, niet tot mijn eigen gebruik, maar tot dat van de kerk, en ter bevordering van het Kruis. Ik ben de blinde, die anderen een fakkel voorhoudt, ofschoon deze hem zelven geen licht geeft. Vraag mij naar hetgeen het welzijn van het Christendom en van dezen kruistocht betreft, en ik zal met u spreken, gelijk de verstandigste raadsman, wiens tong ooit de kracht der overreding had. Spreek tot mij van mijn eigen ellendig wezen, en mijne woorden zullen zijn die van den krankzinnigen verstooteling, die ik ben."

"Ik zou de banden van eenheid tusschen de vorsten van den kruistocht niet verbreken," antwoordde Richard op zachter toon en met kalmer gebaren, "maar welke voldoening kunnen zij mij geven voor het onrecht en de beleediging, die ik ondergaan heb?"

"Juist om hierover met u te spreken, ben ik voorbereid en belast van wege den raad, die, haastig op bevel van Filips van Frankrijk bijeengekomen is en voor dat doel maatregelen genomen heeft."

"Het is vreemd," hervatte Richard, "dat anderen beraadslagen over hetgeen men aan de gekwetste majesteit van Engeland verschuldigd is!"

"Zij willen uwe eischen voorkomen, indien dit mogelijk is," antwoordde de kluizenaar. "Zij zijn eenstemmig van oordeel, dat de banier van Engeland weder op den St. Georgeberg geplant worde, en zij hebben den vermetelen misdadiger, of de misdadigers, door wie deze beleedigd werd, in den ban gedaan, en zullen een vorstelijken prijs toekennen aan dengene, die den schuldige zal aanwijzen, en zijn vleesch aan de wolven en raven overgeven."

"En Oostenrijk," zeide Richard--"op wien zulke zware vermoedens rusten, dat hij de bewerker der daad is?"

"Om de tweedracht in het leger te voorkomen," hernam de kluizenaar, "wil Oostenrijk zich van de verdenking zuiveren, door zich aan ieder Godsoordeel te onderwerpen, dat de Patriarch van Jeruzalem zal opleggen."

"Wil hij zich door de beslissing in een tweegevecht zuiveren?" vroeg Koning Richard.

"Zijn eed verbiedt dat," antwoordde de kluizenaar; "en bovendien de raad der vorsten...."

"Wil geen strijd tegen de Saraceenen, noch tegen iemand anders toestaan," viel Richard hem in de rede. "Maar het is genoeg, vader--gij hebt mij de dwaasheid onder het oog gebracht, van te handelen, zooals ik in deze zaak voornemens was. Gij zult veeleer met uwe toorts den regen in een poel doen vlam vatten, dan eene vonk uit een koudbloedigen bloodaard trekken. Er is geene eer op Oostenrijk te verwerven, dus laat het zoo loopen.--Maar ik zal hem meineedig doen worden: ik zal op het Godsoordeel staan.--Wat zal ik lachen, wanneer zijne lompe vingers sissen, terwijl zij den gloeienden ijzeren staf aanvatten! Of zijn wijde mond zich openspalkt, en zijne keel tot stikken toe opzwelt, terwijl hij poogt de heilige misouwel te slikken!"

"Zwijg Richard," zeide de hermiet--"o zwijg uit schaamte, zoo niet uit christelijke liefde. Wie zal Vorsten prijzen of eeren, die elkander beschimpen en lasteren? Helaas! dat in zulk een edel wezen, als gij,--zoo volmaakt in vorstelijke gedachten en vorstelijken moed--aangewezen, om de Christenheid door uwe daden te vereeren, en, in uwe kalmer uren, haar door uwe wijsheid te regeeren, de woeste, wilde woede van den leeuw met de waardigheid en den moed van dien koning der wouden vermengd moet zijn."

Hij zweeg een oogenblik, terwijl hij met zijne oogen op den grond staarde, en vervolgde toen: "Maar de Hemel, die onze onvolmaakte natuur kent, neemt onze onvolkomen gehoorzaamheid aan, en heeft het bloedige einde van uw ondernemend leven verschoven, ofschoon niet afgewend. De engel der vernieling heeft stil gestaan, gelijk van ouds bij den dorschvloer van Avannab, den Jebusiet, en het zwaard getrokken in zijne hand, waarmede hij,--niet zeer ver is de tijd--Richard Leeuwenhart met den geringsten boer gelijk zal maken."

"Moet het dan zoo spoedig zijn?"--zeide Richard. "Goed, laat het dan zoo wezen. Laat mijne loopbaan kort zijn, zoo deze slechts schitterend is!"

"Helaas! edele Koning," hernam de kluizenaar, en het scheen of een traan--een ongewoon verschijnsel--in zijn droog, glinsterend oog opkwam--"kort en droevig, door rampspoeden en nood en gevangenschap geteekend, is de spanne tijds, die u van het voor u gapende graf scheidt--een graf, waarin gij zult gelegd worden, zonder telg om u op te volgen--zonder de tranen van een volk, door uwe onophoudelijke oorlogen uitgeput, om u te betreuren--zonder de kennis uwer onderdanen uitgebreid--zonder iets tot vermeerdering van hun geluk gedaan te hebben."

"Maar niet zonder roem, monnik--niet zonder de tranen van de dame mijner liefde! Deze vertroostingen, die gij noch kennen noch op prijs stellen kunt, wachten Richard bij zijn graf."

"Ken ik die niet--kan ik niet op prijs stellen de waarde van den lof der minnezangers en van de liefde der vrouw!" hervatte de kluizenaar op een toon, die voor een oogenblik het vuur van Richard zelven scheen te evenaren. "Koning van Engeland", vervolgde hij, terwijl hij zijn vermagerden arm uitstrekte, "het bloed, dat in uwe blauwe aderen bruist, is niet edeler dan dat, hetwelk in de mijne verstijfd is. Hoe gering in getal en hoe koud de droppels ook zijn, zoo zijn zij echter het bloed van den koninklijken Lusignan--van den heldhaftigen en heiligen Godfried. Ik ben,--dat wil zeggen, ik was, toen ik nog in de wereld leefde, Alberik Mortemar...."

"Wiens daden," viel Richard hem in de rede, "zoo dikwerf door de faam zijn verkondigd! Is dit zoo--kan dit zoo zijn?--Kon zulk eene ster, als de uwe, van den horizon der ridderschap vallen, en de wereld onzeker zijn, waar uwe asch rustte?"

"Zoek een gevallen ster," antwoordde de kluizenaar, "en gij zult slechts eene vuile stof vinden, die, terwijl zij langs den horizon schoot, voor een korte poos een voorkomen van glans heeft aangenomen. Richard, zoo ik dacht, dat ik, door het wegrukken van den bloedigen sluier van mijn verschrikkelijk lot, uw trotsch hart kon bewegen, om zich aan de tucht der kerk te onderwerpen, dan zou ik in mijn hart eene stof kunnen vinden, die ik tot hiertoe in het geheim aan de edelste deelen mijns levens heb laten knagen, gelijk de jongeling in de heidensche wereld, die zich zelf den dood wijdde.--Luister dan, Richard, en moge de smart en de wanhoop, die dit treurig overblijfsel van hetgeen eens een man was, niets meer kan baten, een krachtig voorbeeld zijn voor een zoo edel, maar zoo wild schepsel, als gij zijt.--Ja--ik wil--ik wil de lang verborgen wonden openscheuren, al moesten zij mij ook in uwe tegenwoordigheid tot den dood toe doen bloeden."

Koning Richard, op wien de geschiedenis van Alberik van Mortemar een diepen indruk gemaakt had in vroeger jaren, toen de minnezangers de hallen zijns vaders op legenden uit het heilige Land onthaalden, luisterde met eerbied naar de hoofdtrekken van eene geschiedenis, die duister en onvolkomen geschetst, voldoende de oorzaak van de halve krankzinnigheid van dit zonderling en allerongelukkigst wezen verklaarde.

"Ik behoef u niet te zeggen," zeide hij, "dat ik van edele geboorte, groot vermogen, dapper in de wapenen, wijs in den raad was. Dit alles was ik; maar terwijl de edelste vrouwen in Palestina er om wedijveren, wie van haar bloemenkransen voor mijn helm zou vlechten, was mijne liefde gevestigd--onveranderlijk en hartstochtelijk gevestigd--op een meisje van lagen rang. Haar vader, een oud strijder van het Kruis, zag onzen hartstocht; het verschil tusschen ons kennende, kon hij geen andere toevlucht voor de eer zijner dochter vinden, dan de schaduw van een klooster. Ik kwam van een krijgstocht naar verafgelegen landen terug, met buit en eer beladen, om te vinden, dat mijn geluk voor altijd vernield was! Ik zocht toen ook een klooster op, en satan, die mij tot zijne prooi had geteekend, ademde in mijn hart een damp van geestelijken hoogmoed, die alleen in zijne helsche verblijven zijn oorsprong kon hebben. Ik was even hoog gestegen in de kerk als te voren in den staat.--Ik was inderdaad de wijze, de zelf-genoegzame, de onfeilbare!--Ik was de raadsman van vergaderingen--ik was de bestierder van prelaten--hoe kon ik struikelen--waarom zou ik de verzoeking vreezen?--Helaas! ik werd de biechtvader van eene zusterschap, en onder deze vond ik de lang beminde--de lang verlorene. Bespaar mij eene verdere bekentenis!--Eene gevallen non, wier schuld door zelfmoord geboet werd, slaapt vast in de gewelven van Engaddi, terwijl boven haar graf een wezen klaagt, zucht en kermt, dat slechts rede genoeg heeft overgehouden, om ten vollen zijn lot te gevoelen."

"Ongelukkige!" zeide Richard. "Ik verwonder mij niet langer over uwe ellende. Hoe zijt gij aan de veroordeeling ontsnapt, die de geestelijke wetten tegen uwe misdaad uitspreken?"

"Vraag een man, die nog de gal der wereldsche bitterheid proeft," hernam de kluizenaar, "en hij zal spreken van een leven, dat gespaard werd om persoonlijke betrekkingen, uit aanmerking van eene hooge geboorte. Maar, Richard, ik zeg u, dat de Voorzienigheid mij bewaard heeft, om mij te verheffen als een licht en een baken, wiens asch, wanneer deze aardsche brandstof verteerd is, nog in het Tophet moet geworpen worden. Hoe vergaan en uitgeteerd deze ellendige gestalte ook zij, zoo is zij toch nog door twee krachten van den geest bezield--de eene werkzaam, schrander en doordringend, om de zaak van de kerk van Jeruzalem te verdedigen--de andere laag, verworpen en wanhopend, tusschen krankzinnigheid en ellende zwevende, om over mijn eigen ongeluk te klagen, en de heilige reliquieën te bewaren, waarop het de hoogste zonde zou zijn slechts mijne oogen te werpen. Heb geen medelijden met mij!--het is reeds eene zonde om met zulk een voorwerp medelijden te hebben--beklaag mij niet, maar trek nut uit mijn voorbeeld. Gij staat op den hoogsten, en derhalve op den gevaarlijksten top, dien eenig Christen Vorst bereikt heeft. Gij zijt trotsch van hart, los van leven, bloedig van hand. Leg uwe zonden af, die als dochters u aankleven--ofschoon deze aangenomen furiën den zondigen Adam dierbaar zijn, verban die uit uwe borst--uw hoogmoed, uwe weelderigheid, uw bloeddorst."

"Hij raaskalt," zeide Richard, zich van den kluizenaar tot de Vaux wendende, als iemand, wien eene spotternij eenigszins smart, en die zich toch daarover niet durft wreken--vervolgens keerde hij zich kalm en met een weinig minachting tot den kluizenaar en ging voort: "Gij hebt een zeer schoon drietal dochters gevonden voor iemand, die slechts sinds weinig maanden gehuwd is, eerwaarde vader; maar daar ik ze buiten 's huis moet zetten, zal het zijn als een vader, die haar van goede partijen voorziet. Daarom wil ik mijn hoogmoed afstaan aan de edele domheeren der kerk--mijne weelderigheid, zoo als gij ze noemt, aan de orden der monniken--en mijn bloeddorst aan de ridders van den tempel."

"O hart van staal en hand van ijzer," hervatte de kluizenaar, "voor wien voorbeelden zoowel als raadgevingen verloren zijn!--Toch zult gij nog voor een tijd gespaard worden, zoo gij u bekeert, en doet hetgeen aangenaam is in het oog des hemels!--Wat mij betref, ik moet naar mijne plaats terugkeeren.--Kyrie Eleison!--Ik ben degene, door wien de stralen der hemelsche genade schieten gelijk de stralen van de zon door een brandglas, deze op andere voorwerpen vereenigende, tot dat zij ontbranden en in vlam slaan, terwijl het glas koud en onveranderd blijft.--Kyrie Eleison!--De armen moeten geroepen worden, want de rijken hebben den maaltijd geweigerd--Kyrie Eleison!"

Dit zeggende ijlde hij met luide kreten uit de tent.

"Een krankzinnig priester!"--riep Richard, uit wiens gemoed de woeste kreten van den kluizenaar gedeeltelijk den indruk uitgewischt hadden, dien de mededeeling van zijne eigen geschiedenis en rampen teweeggebracht hadden. "Ga hem na, de Vaux, en zie toe, dat hem geen leed overkomt; want hoewel wij kruisvaarders zijn, geniet toch een goochelaar meer eerbied onder onze benden, dan een priester of heilige, en misschien drijven zij den spot met hem."

De ridder gehoorzaamde en Richard gaf dadelijk toe aan de gedachten, die de wilde voorspelling van den monnik hem ingeboezemd had.--"Vroegtijdig sterven--zonder nakroost--zonder beweend te worden!--een zwaar vonnis, en het is goed, dat het door geen bevoegden rechter is uitgesproken. De Sarraceenen echter, die in de mystieke wetenschappen ver gevorderd zijn, beweren dikwijls, dat Hij, in wiens oog de wijsheid van den wijze slechts dwaasheid is, den krankzinnigen wijsheid en de gave der voorspelling ingeeft. Men zegt ook, dat die kluizenaar in de sterren leest, eene kunst, die algemeen in deze landen beoefend wordt, waar het hemelheer van oudsher het voorwerp der afgoderij was. Ik wenschte wel, dat ik hem over het verlies van mijne banier ondervraagd had, want zelfs de heilige Tishbiet, de stichter van zijne orde, kon in geen hooger graad van overspanning zijn, noch met eene tong spreken, die meer naar die van een profeet gelijkt.--Welnu, de Vaux, welke tijding brengt gij van den krankzinnigen priester?"

"Een krankzinnigen priester noemt gij hem, Mylord?" antwoordde de Vaux. "Mij dunkt, hij gelijkt meer op den heiligen Johannes den Dooper zelven, toen deze zoo rechtstreeks uit de woestijn kwam. Hij heeft zich op een der oorlogswerktuigen geplaatst, en van daar preekt hij tot de soldaten, zoo als nooit een man sedert Peter den kluizenaar gepredikt heeft. Het leger, door zijn geschreeuw verontrust, schaart zich bij duizenden om hem heen; en nu en dan den hoofddraad zijner rede afbrekende, spreekt hij elk der onderscheiden natiën in hare taal aan, en gebruikt bij ieder de best geschikte gronden, om hen tot volharding in de verlossing van Palestina aan te sporen."

"Bij dit licht een edelkluizenaar!" zeide Koning Richard. "Maar wat kon er anders van het bloed van Godfried komen! Hij wanhoopt aan zijne zaligheid, omdat hij in vroeger dagen par amours geleefd heeft? Ik wil hem van den Paus een onbeperkten aflaatbrief bezorgen, al ware zijne belle amie eene abdis geweest."

Terwijl hij sprak, vroeg de aartsbisschop van Tyrus om gehoor, ten einde Richard te verzoeken, om, zoo zijne gezondheid dit toeliet, eene geheime vergadering van de hoofden van den kruistocht bij te wonen, om de militaire en politieke gebeurtenissen, die gedurende zijne ziekte plaats gehad hadden, te hooren mededeelen.

HOOFDSTUK XIX.

Zoo moet het roemrijk zwaard dan in de scheede, De voet terug, die steeds, bij elke schrede, Langs 't roemrijkst spoor, op 's vijands nekken trad Het krijgskleed uit, hetwelk, met plechtige eeden, Wij, in Godshuis, om onze schouders deden, En 't bindend woord zoo onvervuld gespild, Als 't woord waarmeê de min het schreiend wichtje stilt

De kruisvaart, een Treurspel.

De aartsbisschop van Tyrus was de best gekozen gezant, om Richard tijdingen mede te deelen, die de Koning met het leeuwenhart niet zou gedoogd hebben uit een anderen mond te hooren, zonder in felle drift uit te barsten. Zelfs deze schrandere en eerwaardige prelaat vond het moeielijk, om hem naar mededeelingen te doen luisteren, die al zijne hoop vernietigden, om het heilige Graf door geweld van wapenen te heroveren, en den roem te verwerven, dien de gandsche stem van de Christenheid gereed stond hem te schenken, als den kampioen van het kruis.

Volgens de mededeeling van den aartsbisschop bleek het, dat Saladin de geheele macht van zijne honderd stammen verzamelde, en dat de monarchen van Europa reeds uit verschillende beweegredenen een afkeer tegen den krijgstocht hebbende, die zoo noodlottig geweest was en dit dagelijks nog meer werd, besloten hadden van hun voornemen af te zien. Hierin werden zij door het voorbeeld van den Koning van Frankrijk gesteund, die met vele verzekeringen van zijne hoogachting, en betuigingen, dat hij zijn broeder van Engeland eerst in veiligheid wilde zien, zijn voornemen aan den dag legde om naar Europa terug te keeren. Zijn eerste vasal, de graaf van Champagne, had hetzelfde besluit genomen en het was niet te verwonderen, dat Leopold van Oostenrijk, door Richard beleedigd, met vreugde eene gelegenheid aangreep, om eene zaak te verlaten, waarin zijn trotsche tegenstander als opperhoofd moest worden beschouwd. Anderen gaven hetzelfde voornemen te kennen, zoodat het duidelijk was, dat de Koning van Engeland, indien hij verkoos te blijven, alleen zou bijgestaan worden door zoodanige vrijwilligers, als onder zulke ontmoedigende omstandigheden zich bij het Engelsche leger zouden voegen; voorts door de dubbelzinnige hulp van Koenraad van Montserrat, en de krijgshaftige orden van den tempel en van St. Jan, die weliswaar gezworen hadden, om tegen de Sarraceenen te strijden, maar ten minste even ijverzuchtig waren op ieder Europeesch vorst, die de verovering van Palestina zou voltooien, waar zij uit kortzichtige en baatzuchtige staatkunde voornemens waren, eigen onafhankelijke rijken te vestigen.

Er waren niet veel redeneeringen noodig, om Richard zijn waren toestand onder het oog te brengen; en werkelijk zat hij daar, na de eerste uitbarsting van zijne drift, stil, met sombere blikken, gebogen hoofd, en de armen over zijn borst gekruist, en luisterde naar de redeneering van den aartsbisschop over de onmogelijkheid, dat hij den kruistocht kon voortzetten, indien hij door zijne krijgsmakkers verlaten mocht worden. Zelfs onthield hij zich, den prelaat in de rede te vallen, toen deze in gematigde bewoordingen het waagde om er op te zinspelen, dat Richard's eigen onstuimigheid eene hoofdoorzaak geweest was, om de vorsten in den krijgstocht tegenzin te doen krijgen.

"Confiteor (ik beken)--" antwoordde Richard met terneergeslagen blikken, en een droefgeestigen glimlach, "eerwaarde vader, dat ik in zekere opzichten het culpa mea (mijn schuld) moest zingen. Maar is het niet hard, dat de zwakheden van mijn karakter door zulk eene kastijding bezocht worden, dat ik om een paar uitbarstingen van natuurlijke drift veroordeeld word, om voor mijne oogen zulk een rijken oogst van roem voor God en eer voor de ridderschap oningezameld te laten verwelken?--Maar die zal niet verwelken.--Bij de ziel van Willem de Veroveraar, ik wil het kruis op de torens van Jeruzalem planten, of zij zullen het op Richard's graf zetten!"

"Dat moogt gij doen!" zeide de prelaat--"maar geen druppel Christenbloed worde meer in den twist vergoten."

"Ha, gij spreekt van verdrag, heer prelaat--maar het bloed der ongeloovige honden moet ook ophouden te stroomen", hervatte Richard.

"Het zal roem genoeg zijn", hernam de aartsbisschop, "van Saladin door het geweld der wapenen en door den eerbied voor uw naam zulke voorwaarden afgedwongen te hebben, om te gelijk het heilige Graf te herstellen, het heilige Land voor de pelgrims te openen, hunne veiligheid door sterke vestingen te verzekeren, en meer dan dit alles, de veiligheid der heilige Stad te waarborgen door aan Richard den titel van Beschermvorst van Jeruzalem te schenken."

"Hoe!" riep Richard, terwijl zijne oogen van een ongewonen glans schitterden.--"Ik--ik--ik de Beschermvorst der heilige Stad! de overwinning zelve--maar dit heet overwinnen! Ik kon niet meer verwerven--nauwelijks zooveel, dat het met eene onwillige en onverdeelde macht verworven is.--Maar Saladin wil zeker mijne belangen in het heilige Land handhaven?"

"Als een verbonden vorst, de gezworen bondgenoot van den machtigen Richard", antwoordde de prelaat--"zijn naastbestaande--zoo het mocht toegestaan worden--door een huwelijk."

"Door een huwelijk!" zeide Richard verbaasd, echter minder dan de prelaat verwacht had. "Ha!--ja--Edith Plantagenet. Heb ik hiervan gedroomd?--of heeft iemand hierover met mij gesproken? Mijn hoofd is nog zwak van die koorts en heeft veel geleden--was het de Schot, Hakim of die heilige kluizenaar, die van zulk een onzinnige koop gewaagde?"

"Allerwaarschijnlijkst de kluizenaar van Engaddi", hervatte de aartsbisschop; "want hij heeft veel in deze zaak gewerkt; en daar het misnoegen der vorsten blijkbaar, en eene scheiding van hunne macht onvermijdelijk is geworden, heeft hij verscheidene beraadslagingen met Christenen en Heidenen gehouden, om zoodanigen vrede tot stand te brengen, dat de Christenheid, ten minste voor een gedeelte, het voorwerp van haar heiligen krijg bereikte."

"Mijne bloedverwante aan een ongeloovige.--Ha!" riep Richard uit, terwijl zijne oogen begonnen te fonkelen.

De prelaat haastte zich om zijne gramschap af te wenden. "Men moet zonder twijfel eerst de toestemming van den paus verkrijgen, en de heilige hermiet, die wel bekend te Rome is, zal met den heiligen vader onderhandelen."

"Hoe?--zonder dat wij eerst onze toestemming geven?" vroeg de Koning.

"Voorzeker niet", antwoordde de bisschop op geruststellenden, vleienden toon, "alleen met en onder uwe bijzondere goedkeuring."

"Mijne goedkeuring om mijne bloedverwanten met een ongeloovige te doen huwen?" zeide Richard, maar eer op een toon, die naar twijfel geleek, dan als bepaald den voorgestelden maatregel afkeurende. "Kon ik van zulk eene bevreding gedroomd hebben, toen ik van den voorsteven van mijne galei op het Syrische strand sprong, gelijk een leeuw springt op zijne prooi!--En nu.--Maar vervolg.--Ik zal met geduld toeluisteren."

De aartsbisschop, even verheugd als verbaasd, dat hij zijne taak zoo veel lichter vond, dan hij gevreesd had, haastte zich, om Richard de voorbeelden van zoodanige verbintenissen in Spanje op te sommen--niet zonder toestemming van den heiligen stoel--de onberekenbare voordeelen, die de geheele Christenheid van de vereeniging tusschen Richard en Saladin door zulk een heiligen band zou plukken; en bovenal sprak hij met groote geestdrift en zalving over de waarschijnlijkheid, dat Saladin, in geval het voorgestelde huwelijk plaats vond, zijn valsch geloof tegen het ware zou verwisselen.

"Heeft de Sultan eenige neiging getoond, om Christen te worden?" vroeg Richard; "als dat zoo is, dan leeft er geen Koning op aarde, dien ik de hand van eene bloedverwante, ja van eene zuster, liever dan aan den edelen Saladin zou schenken--ja, al kwam er een die kroon en scepter aan hare voeten legde, en de andere haar niets had aan te bieden dan zijn goed zwaard en beter hart."

"Saladin heeft onze Christen leeraars gehoord," zeide de bisschop eenigzins ontwijkend--"mijn onwaardigen persoon--en anderen--en daar hij geduldig luistert, en bedaard antwoordt, is het bijna niet anders mogelijk, of hij is als een brandhout gegrepen door het vuur. Magna est veritas et praevalebit. [6]--Daarenboven is de kluizenaar van Engaddi, van wiens woorden weinige nutteloos op aarde zijn gevallen, volkomen doordrongen van het geloof, dat er eene roeping der Sarraceenen en andere heidenen nadert, waartoe dit huwelijk de inleiding zal zijn. Hij leest in den loop der sterren; daar hij, onder kastijding van het vleesch, in die goddelijke oorden vertoeft, welke de heiligen oudtijds betreden hebben, zoo is de geest van Elia, den Tishbiet, den stichter van zijne heilige orde met hem geweest, gelijk met den profeet Eliza, den zoon van Shaphant, toen hij zijn mantel over hem uitspreidde."

Koning Richard luisterde naar de redeneering van den prelaat met neergeslagen oogen en verwarde blikken.