De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 18
"Maar wien zie ik hier?" zeide Neville, terwijl zijne oogen plotseling op sir Kenneth vielen.
"Een verrader!" riep de Koning opspringend en de heerbijl grijpende, die altijd dicht bij zijn bed lag,--"een verrader! dien gij den dood eens verraders zult zien sterven." Met deze woorden hief hij het wapentuig op, alsof hij daarmede een slag wilde toebrengen.
Bleek, maar roerloos als een marmeren standbeeld, stond de Schot vóór hem, met zijn ontbloot hoofd zonder eenige bescherming, de oogen naar den grond gericht, de lippen nauwelijks bewegende, maar toch waarschijnlijk in stilte een gebed prevelend. Recht tegenover hem en juist ver genoeg om een slag te kunnen toebrengen, stond Koning Richard. Zijne hooge gestalte was geheel in de plooien van zijne camescia of witten langen linnen rok gewikkeld, behalve op die plaats waar het geweld zijner beweging zijn rechter arm, schouder en een gedeelte van zijne borst ontbloot had, en aan het oog een lichaamsbouw vertoonde, die de benaming van zijn Saksischen voorvader "met de ijzeren zijde" had kunnen verdienen. Hij stond een oogenblik, gereed om toe te slaan; toen de punt van het wapen latende zinken, riep hij uit: "Maar er lag bloed, Neville, er lag bloed op de plaats. Luister, heer Schot, eens waart gij dapper, want ik heb u zien vechten--zeg, dat gij twee van die honden bij de verdediging van den standaard verslagen hebt--zeg, dat het maar één was--zeg, dat gij slechts één goeden slag om onzentwille hebt toegebracht, en verwijder u uit de legerplaats met uw leven en uwe eerloosheid."
"Gij hebt mij een leugenaar genoemd, mijn Koning," hervatte Kenneth op vasten toon, "en daarin althans hebt gij mij onrecht gedaan.--Verneem, dat er geen bloed tot verdediging van den standaard gestort is, dan dat van een armen hond, die, trouwer dan zijn meester, het toevertrouwde pand beschermde, toen deze het verliet."
"Nu, bij St. George!" riep Richard, andermaal zijn arm oplichtende.--Maar de Vaux wierp zich tusschen den Koning en het slachtoffer zijner wraak, en sprak met de ruwe rondheid van zijn karakter: "Mijn Koning, dit moet niet hier, en ook niet door uwe eigen hand geschieden. Het is dwaasheid genoeg voor een dag en een nacht uwe banier aan den Schot toevertrouwd te hebben--heb ik niet gezegd, dat zij altijd eerlijk en toch valsch waren?"
"Dat hebt gij, de Vaux; gij hebt gelijk, en ik beken het," zeide Richard. "Ik had hem beter moeten kennen--ik had mij moeten herinneren, hoe de vos Willem mij ten aanzien van dezen kruistocht misleidde."
"Mylord," hernam sir Kenneth, "Willem van Schotland heeft nooit bedrog gepleegd; maar de omstandigheden hebben hem belet om zijne troepen in het veld te brengen."
"Stil, onbeschaamde!" antwoordde de Koning; "gij bezoedelt den naam van een vorst alleen door dien uit te spreken.--En toch, de Vaux, het is zonderling," voegde hij er bij, "het gedrag van den man te zien. Hij moet een lafaard of een verrader zijn; en nochtans zag hij den slag van Richard Plantagenet te gemoet, als of onze arm opgelicht werd, om de ridderlijke waardigheid op zijne schouders te leggen. Had hij het minste teeken van vrees getoond, had slechts een lid gesidderd, of een ooglid gebeefd, dan had ik zijne hersenpan verplet, als een kristallen beker. Maar ik kan niet toeslaan, als er vrees noch tegenstand is."
Er ontstond eene stilte.
"Mylord," zeide sir Kenneth.
"Ha!" viel Richard hem in de rede, "hebt gij de spraak wedergevonden? Vraag genade aan den Hemel, maar niet aan mij, want Engeland is door uw schuld onteerd; en al waart gij mijn eigen en eenige broeder, dan was er geene vergiffenis voor uw misslag."
"Ik spreek niet om genade voor een sterflijk mensch te vragen," hervatte de Schot, "het staat aan het welbehagen van Uw Majesteit, om mij tijd voor de biecht toe te staan,--zoo de sterveling mij dit weigert, dan moge God mij de vergiffenis schenken, die ik anders van Zijne Kerk zou gevraagd hebben. Maar het zij ik op staanden voet sterf, of een half uur later, zoo smeek ik uwe Majesteit in elk geval om een oogenblik gelegenheid te hebben, iets met uw koninklijken persoon te spreken, dat voor uw roem als Christen Koning van het hoogste belang is."
"Spreek op," zeide de Koning, niet twijfelende, of hij zou de een of andere bekentenis wegens het verlies van de banier hooren.
"Wat ik te zeggen heb," vervolgde sir Kenneth, "betreft de koninklijke waardigheid van Engeland, en moet aan geene ooren, dan de uwe toevertrouwd worden."
"Gaat henen, heeren," zeide de Koning tot Neville en de Vaux.
De eerste gehoorzaamde; maar de laatste wilde niet uit de nabijheid des Konings wijken.
"Zoo gij mij gelijk gegeven hebt," antwoordde de Vaux zijn Vorst, "dan wil ik ook behandeld worden als iemand, die gelijk heeft--dat wil zeggen, ik wil mijn zin hebben. Ik laat u niet met dien valschen Schot alleen."
"Hoe, de Vaux," riep de Koning vergramd en even met den voet stampende, "durft gij onzen persoon niet bij één verrader vertrouwen?"
"Het is te vergeefs, dat gij het voorhoofd fronst en met de voeten stampt, mylord," hervatte de Vaux "ik waag geen ziek mensch aan een gezonde, noch een naakten aan een in staal gewapende."
"Het is onverschillig," zeide de Schotsche ridder; "ik zoek geene verontschuldiging, om tijd te winnen--ik wil in tegenwoordigheid van den lord van Gilsland spreken. Hij is een goed en braaf ridder."
"Nog slechts vóór een half uur," hernam de Vaux met een zucht waarin kommer en ergernis vermengd waren, "zou ik hetzelfde van u gezegd hebben."
"Er heerscht verraad om u, Koning van Engeland," vervolgde sir Kenneth.
"Dat is zeer mogelijk," hervatte Richard; "ik heb er een in het oog vallend voorbeeld van."
"Een verraad, dat u meer schande zal aandoen dan het verlies van honderd banieren in een veldslag. De--de--" sir Kenneth aarzelde, en eindelijk vervolgde hij op zachteren toon: "Lady Edith--"
"Ha!" riep de Koning plotseling, een houding van trotsche aandacht aannemende en zijn oog strak op den gewaanden schuldige richtende: "Wat is het met haar?--Wat is het met haar?--Wat heeft zij met deze zaak te doen?"
"Mylord," antwoordde de Schot, "er is een plan gesmeed om uw koninklijken stam te onteeren, door de hand van lady Edith aan den Sarraceenschen Sultan te schenken, en op die wijze door een allerschandelijkste verbintenis voor Engeland een alleronteerendsten vrede voor het Christendom te koopen."
Deze mededeeling had juist de tegenovergestelde werking van die, welke sir Kenneth verwachtte. Richard Plantagenet was een van hen, die in Jago's woorden, God juist daarom niet dienen wilden, omdat de duivel het hun beval. Een raad of een mededeeling maakten dikwijls minder door den werkelijken inhoud indruk op hem, dan door de kleur, die zij van het vermoede karakter en de gewaande inzichten aannamen van hem, die ze mededeelden. Ongelukkig vernieuwde het noemen van den naam zijner bloedverwante de herinnering aan datgene, wat hij als de hoogste aanmatiging in den ridder van den Luipaard beschouwd had, zelf toen hij nog hoog in den rang der ridderschap stond, maar hetgeen, in zijn tegenwoordigen toestand, eene voldoende beleediging scheen, om den vurigen monarch in razende drift te brengen.
"Stil," zeide hij, "eerlooze en vermetele! Bij den Hemel, ik zal uwe tong met gloeiende tangen laten uittrekken, alleen voor het noemen van den naam eener Christen maagd! Verneem, ontaard verrader, dat ik reeds bemerkte tot welk een hoogte gij uwe oogen hadt durven opheffen, en ik verdroeg het, ofschoon het eene onbeschaamdheid van u was, zelfs toen gij ons--want gij zijt niets dan bedrog--verleid hadt, om u voor een man van naam en faam te houden. Maar dat gij thans, nu uwe lippen door de bekentenis van uwe eigen schande gebrandmerkt zijn--dat gij thans onze edele bloedverwante durft noemen, als iemand, in wier lot gij deel of belang hebt! Wat raakt het u, of zij een Sarraceen of een Christen huwt!--Wat raakt het u, zoo in eene legerplaats, waar de vorsten bij dag in lafaards en bij nacht in roovers veranderen--waar dappere ridders lafhartige wegloopers en verraders worden--wat raakt het u, zeg ik, of iemand anders, zoo ik het goedvond, mij met de oprechtheid en dapperheid in den persoon van Saladin te verbinden?"
"Mij zeer weinig voorwaar, daar de wereld voor mij weldra niet meer zijn zal," antwoordde sir Kenneth stoutmoedig; "maar al was ik op dit oogenblik op het rad uitgestrekt, dan zou ik u nog zeggen, dat wat ik u gezegd heb van het hoogste belang voor uw eigen geweten en uw eigen roem is. Ik zeg u, Koning, dat zoo gij slechts in uwe gedachte het voornemen voedt, om uwe bloedverwante, lady Edith...."
"Noem haar niet--en denk voor een oogenblik niet aan haar," zeide de Koning, en vatte de heerbijl weder met zulk een geweld, dat de peezen van den forschen arm zichtbaar werden, als het weefsel, dat de klimop om den stam van een eik vormt.
"Haar niet noemen--niet aan haar denken!" antwoordde sir Kenneth, daar zijn geest, hoezeer die ook gedrukt was, door deze soort van strijd zijne veerkracht begon te herkrijgen.--"Neen, bij het heilige kruis, waarop ik mijne hoop vestig, haar naam zal het laatste woord in mijn mond, haar beeld de laatste gedachte in mijn gemoed zijn. Beproef uwe geroemde sterkte op dit ontbloote hoofd, en zie, of gij mij in mijn voornemen kunt beletten."
"Hij zal mij nog tot waanzin brengen!" riep Richard, die, ten spijt van zich zelven, door den onverschrokken moed van den schuldige in zijn voornemen belemmerd werd.
Eer nog Thomas van Gilsland kon antwoorden, hoorde men buiten eenig gedruisch, en de komst der Koningin werd van het buitenste gedeelte der tent gemeld.
"Houd haar tegen--houd haar tegen, Neville," riep de Koning, "dit is geen tooneel voor vrouwen.--Foei, dat ik mij door zulk een ellendigen verrader zoo tot woede heb laten brengen!--Weg met hem, de Vaux," fluisterde hij, "door den achtersten uitgang van onze tent--sluit hem op, en sta met uw leven voor zijne zekere bewaring borg.--En, luister--hij moet dadelijk sterven--bezorg hem een priesterlijken vader--wij willen niet ziel en lichaam vermoorden.--En wacht--luister--wij willen hem niet onteerd hebben--hij zal als ridder sterven, met zwaard en sporen; want al is zijn verraad ook zoo zwart als de hel, dan kon toch zijne stoutheid die van den duivel zelven evenaren."
De Vaux, zeer verheugd, indien de waarheid zich liet gissen, dat het tooneel afliep, zonder dat Richard zich verlaagd had tot de onkoninklijke daad, om een weerloozen gevangene te dooden, haastte zich, om sir Kenneth door een geheimen uitgang naar eene afgezonderde tent te brengen, waar hij voor de veiligheid ontwapend en in boeien geklonken werd. De Vaux zag hem met eene gestadige en droefgeestige oplettendheid aan, terwijl de lieden van den provoost, aan welke sir Kenneth thans werd overgegeven, deze gestrenge voorzorgen namen.
Toen deze geëindigd waren, zeide hij plechtig tot den ongelukkigen misdadiger: "Het is Koning Richard's wil, dat gij in uwe volle waardigheid sterft--zonder dat uw lichaam verminkt wordt of uw wapenen schande wordt aangedaan--en dat uw hoofd door het zwaard van den scherprechter van de romp zal gescheiden worden."
"Dat is goedertieren," zeide de ridder met eene zachte en onderworpen stem, als iemand, die eene onverwachte gunst ontving; "mijne familie zal dan het ergste van het verhaal niet hooren.--O mijn vader--mijn vader!"
Deze zacht geprevelde woorden ontgingen den wel ruwen, maar goedhartigen Engelschman niet, en hij streek met den rug van zijne groote hand over zijn ruw gelaat, eer hij kon voortspreken.
"Het is voorts Richard van Engelands wil," zeide hij toen, "dat gij met een heilig man zult spreken, en ik heb op den weg hierheen een Karmeliter monnik ontmoet, die u op uwe reis kan voorbereiden. Hij wacht buiten, totdat gij in eene gemoedsstemming zijt, om hem te ontvangen."
"Laat dit oogenblikkelijk geschieden," antwoordde de ridder. "Ook hierin bewijst Richard zijne goedheid. Ik kan op geen tijd beter geschikt zijn, om den goeden vader te zien, dan thans; want het leven en ik hebben elkander vaarwel toegezegd, als twee reizigers, die aan den kruisweg zijn gekomen, waar hun pad zich scheidt."
"Het is wel," zeide de Vaux langzaam en plechtig; "want het drukte mij zwaar u het slot van mijn last uit te spreken. Het is Koning Richard's wil, dat gij u voor een oogenblikkelijken dood bereidt."
"De wil van God en den Koning geschiede," hernam de ridder geduldig. "Ik betwist de rechtvaardigheid van het vonnis niet, en verlang ook geen uitstel van de voltrekking."
De Vaux begon de tent te verlaten, maar zeer langzaam--bleef aan de deur staan, en zag om naar den Schot, uit wiens gelaat alle gedachten aan de wereld verbannen schenen, alsof hij zich tot een ernstig gebed stemde. De moedige Engelsche baron behoorde niet tot de fijngevoeligsten; toch overweldigde zijn medelijden hem op een geheel ongewone wijze. Hij keerde haastig naar de bos stroo terug, waarop de gevangene lag, nam eene van zijne geboeide handen, en zeide met zooveel zachtheid, als zijne ruwe stem vermocht uit te drukken: "Sir Kenneth, gij zijt nog jong--gij hebt een vader. Mijn Ralph, dien ik verliet, terwijl hij zijne hit op de oevers van de Irthing africhtte, kan eens uwe jaren bereiken--en, op den laatsten nacht na, zou ik bidden dat het God mocht behagen, dat zijne jeugd zoo veel beloofde, als de uwe.--Kan niets ten uwen behoeve gezegd of gedaan worden?"
"Niets," was het droefgeestig antwoord. "Ik heb mijn post verlaten--de aan mij toevertrouwde banier is verloren.--Als de scherprechter en het blok gereed zijn, dan zijn hoofd en romp bereid."
"Nu, dan ontferme God zich over u!" zeide de Vaux. "Toch wilde ik wel mijn beste paard er voor geven, dat ik die wacht zelf op mij genomen had. Daar schuilt een geheim achter, jongeling, een eenvoudig man kan dit begrijpen, ofschoon hij het niet doorzien kan. Lafhartigheid? Neen! Nooit vocht een lafaard, zoo als ik u heb zien doen.--Verraad! Ik kan niet gelooven, dat verraders zoo kalm onder hun verraad sterven. Gij zijt door eene diep verborgen list van uw post gelokt--door eene wel overlegde krijgslist--de kreten van eene jonkvrouw in nood hebben uw oor getroffen, of de lachende blik van eene dartele maagd heeft uw oog bevangen. Bloos er niet om, wij zijn allen door zulke verlokkingen verleid geworden. Kom, ik bid u, beken het openhartig aan mij, in plaats van aan den priester.--Richard is goedertieren, als zijn toorn bedaard is. Hebt gij mij niets toe te vertrouwen?"
De ongelukkige ridder wendde zijn gelaat van den vriendelijken krijgsman af en antwoordde: "Niets".
De Vaux, die nu al zijne overredingskunst had uitgeput, stond op en verliet de tent met gekruiste armen en zwaarmoediger, dan hij dacht dat de gelegenheid verdiende--zelfs verbitterd op zich zelven, omdat zulk eene eenvoudige zaak, als de dood van een Schot, hem zoo diep kon treffen.
"En toch," zeide hij bij zich zelven, "ofschoon de ruigvoetige kerels onze vijanden in Cumberland zijn, beschouwt men hen in Palestina toch bijna als broeders."
HOOFDSTUK XVI.
Niet haar verstand--want dit verdient Geen ongemeen vertrouwen; En al haar geest is slechts geklap, Zooals bij alle vrouwen.
Een Lied.
De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre, en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten, dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar, en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die, zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig; en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde, dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten, haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken, wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde als een jonge leeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten, die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.
Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde, dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond, een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith, een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare verbeelding vrij wat moeite.
Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora, de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid, en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs, ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben, behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.
De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijne livreien, symbolen, wapenfeiten, motto's en deviezen werden nauwkeurig gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith haar minnaar gegeven had, opmerkte en niet in gebreke bleef dit dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand--want hierin bestond de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht--als ooit eene Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria's ijdele vermaken was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen, waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.
De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottende boosaardigheid ten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht, dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan, zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts te voorkomen.
De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was--de ridder had na zijne nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den standaard gevlucht--het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een arm avonturier--of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis te schenken--men moest maar wachten, tot dat Richard's eerste drift voorbij was.
Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou, bij den eersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.