De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 15
De hertog antwoordde norsch, dat hij zijn twist aan den algemeenen raad van den kruistocht zou onderwerpen--een voorstel dat Filips ten hoogste goedkeurde als meest geschikt om een schandaal uit den weg te ruimen, dat allerschandelijkst voor het Christendom was.
Richard, dezelfde onverschillige houding bewarende, luisterde naar Filips, totdat diens welsprekendheid uitgeput scheen, en zeide toen luid: "Ik ben slaperig--deze koorts zit mij nog in de leden. Broeder van Frankrijk, gij kent mijn karakter, en dat ik ten allen tijde maar weinig woorden spreek--weet derhalve, eens en vooral, dat ik eene zaak, die de eer van Engeland betreft, aan prins, paus noch raad wil onderwerpen. Hier staat mijne banier--welk vaandel ook drie schreden van daar zal opgericht worden--ja, al ware het de oriflamme zelve, van welke gij, zoo als ik meen, zoo even gesproken hebt, zal als dat onteerde vod behandeld worden. Ook zal ik geen andere voldoening geven, dan die welke deze arme leden in het strijdperk aan ieder vermetel uitdager kunnen verschaffen--ja, al ware het tegen vijf kampioenen in plaats van tegen éénen."
"Nu," zeide de nar fluisterende tot zijne makker, "dat is een zoo volkomen stuk van dwaasheid, alsof ik het zelf gezegd had--maar ik geloof, dat er in deze zaak een nog grooter gek is dan Richard."
"En wie zou dat zijn?" vroeg de man der wijsheid.
"Filips," antwoordde de nar, "of onze eigen koninklijke hertog, zoo een van beide de uitdaging aannam.--Maar o, allerwijste spreukspreker, welke voortreffelijke koningen zouden wij beide geworden zijn, daar zij, aan wier hoofd deze kroonen te beurt zijn gevallen, den redenaar en den nar even volmaakt als wij kunnen spelen."
Terwijl deze waardige personen hunne ambten onder elkander vervulden, antwoordde Filips bedaard op de bijna beleedigende uitdaging van Richard: "Ik ben niet herwaarts gekomen om nieuwe twisten aan te stoken, tegen den door ons gezworen eed en de heilige zaak, waartoe wij ons verbonden hebben. Ik scheid van mijn broeder van Engeland zoo als broeders scheiden moeten, en de eenige strijd tusschen de Leeuwen van Engeland en de Leliën van Frankrijk zal voortaan zijn, welke van beide het verst in de gelederen der ongeloovigen zullen gevoerd worden."
"Dat neem ik aan, mijn koninklijke broeder," zeide Richard, zijne hand uitstrekkende met al de openhartigheid, die in zijn oploopend maar edelmoedig karakter lag; "en mogen wij spoedig gelegenheid hebben, om dezen dapperen en broederlijken twist te beslissen."
"Laat dezen edelen hertog ook in de vriendschap van dit oogenblik deelen," zeide Filips; en de hertog naderde, half ontevreden, half gewillig, om in eenige schikking te treden.
"Ik denk aan dwazen en hunne dwaasheid niet," zeide Richard onverschillig, en de Aartshertog, hem den rug toekeerende, verwijderde zich.
Richard zag hem na.
"Er is eene soort van glimworm en moed," zeide hij, "die zich slechts in den nacht vertoont. Ik moet deze banier in de duisternis niet onbewaakt laten--bij het daglicht zal de blik van den leeuw alleen haar verdedigen. Hier Thomas van Gilsland, ik stel den standaard onder uwe hoede--bewaak de eer van Engeland."
"Het behoud van Engeland is mij nog dierbaarder," antwoordde de Vaux, "en het leven van Richard maakt het behoud ervan uit.--Ik moet uwe Hoogheid in uwe tent terug hebben, en dat zonder verder talmen."
"Gij zijt een ruw en heerschzuchtig ziekenoppasser, de Vaux," hernam de Koning glimlachend, en vervolgde toen, zich tot Sir Kenneth wendende: "dappere Schot, ik ben u een dank schuldig, en zal dien rijkelijk betalen. Daar staat de banier van Engeland--bewaak die, als een nieuweling zijne wapenrusting, in den nacht, vóór dat hij tot ridder geslagen wordt.--Ga geene drie speren er van af, en verdedig haar met uw lichaam tegen alle beleediging en elken schimp.--Blaas op uw horen, zoo gij door meer dan drie tegelijk aangevallen wordt. Neemt gij den last op u?"
"Gaarne," antwoordde Kenneth; "en ik zal dien op straffe van het verlies van mijn hoofd vervullen.--Ik wil mij slechts wapenen en dadelijk hier terugkeeren."
Daarop namen de koningen van Frankrijk en Engeland een plechtstatig afscheid van elkander, terwijl beide, onder een vriendelijk voorkomen, de redenen tot klachten, die zij tegen elkander hadden, verborgen--Richard tegen Filips wegens zijne, naar het hem voorkwam, voorbarige tusschenkomst in zijn twist met den Hertog van Oostenrijk, en Filips tegen Leeuwenhart wegens de minachtende wijze, waarop door dezen zijne bemiddeling was ontvangen. Zij, welke deze rumoerige tooneelen samengebracht hadden, verspreidden zich thans in verschillende richtingen, en lieten den betwisten berg in zijne eenzaamheid, die geheerscht had, totdat zij door de Oostenrijksche pocherij verbroken werd. Ieder beoordeelde de voorvallen van den dag naar zijn eigen partijdige inzichten. Terwijl de Engelschen den Oostenrijker beschuldigden van de eerste aanleiding tot den twist te hebben gegeven, stemden de mannen van andere natiën daarin overeen, om den grootsten blaam op den trots van den eilander en het heerschzuchtig karakter van Richard te werpen.
"Gij ziet," zeide de markies van Montserrat tot den grootmeester der Tempeliers, "dat zachte wegen meer vermogen dan geweld. Ik heb de banden losgemaakt, die dezen bundel van scepters en lansen aan elkander hechten--gij zult ze binnen kort uit elkander zien vallen."
"Ik zou uw plan goedgekeurd hebben," hervatte de Tempelier, "zoo er slechts één moedig man onder gindsche koudbloedige Oostenrijkers ware geweest, om de banden, waarvan gij spreekt, met zijn zwaard door te hakken;--een losgemaakte knoop kan weder vastgemaakt worden, maar niet het koord, dat in stukken is gehouwen."
HOOFDSTUK XII.
Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.
Gay.
In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden te verdedigen, welke Richard's hoogmoed tot zijne vijanden had gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet meer onbekend en duister zijn.--Als hij op den hem aangewezen post overvallen en gedood werd, zou zijn dood--en hij was overtuigd, dat die roemrijk zou zijn--den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de dwaas sterft.
Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht--moedig, vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.
De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de eenige metgezel van Kenneth's wacht, op wiens waakzaamheid hij rekende, om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken, door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder, die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag, tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.
"Wie is daar?" vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.
"In den naam van Merlin en Maugis," antwoordde eene heesche, onaangename stem, "bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom niet bij u."
"En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?" vervolgde sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne gedaante te kunnen onderscheiden. "Wees op uwe hoede--ik sta hier op dood en leven."
"Neem uw langbeenigen satan bij u," zeide de stem, "of ik zal hem met een pijl uit mijn handboog bezweren."
Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog gespannen werd.
"Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht," riep de Schot, "of bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie gij zijn moogt."
Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en, zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen, zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde werpen,--een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt, een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende, die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.
Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was, nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde, vroeg hij op scherpen en vergramden toon: "krijgsman, waarom bewijst gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd is?--Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?"
"Groote Nebectamus," antwoordde de ridder, die de kwade luim van den dwerg wilde doen bedaren, "dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht te komen, of zich van mijn wapentuig meester te maken. Het zij u voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats vermag."
"Dit zal voldoende zijn," hernam Nebectamus, "zoo gij mij dadelijk vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te roepen."
"Groote heer," hervatte de ridder, "ook hierin kan ik u geen voldoening geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den dag bij deze banier te blijven--dus verzoek ik u, om mij ook in deze zaak te verontschuldigen."
Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top; maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek ontsnappen.
"Kom," zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg te versperren, "gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon, wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon."
Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: "Ga voort, Nebectamus--zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan de houri, met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?"
"Hoe! verwaand ridder," antwoordde de dwerg, "meent gij, dat de meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft, u die op te leggen."
Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame, aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigen livrei aannemende, die doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.
Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handen zag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot, wanstaltig hoofd schuddend uitriep: "Weiger nu mijne bevelen--laat nu eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen--twijfel nu nog, dat ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele Britsche ridderschap het bevel te voeren."
"In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit teeken?" vroeg de ridder; "breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon, door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap--en let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts."
"Verliefd en dwaas ridder," antwoordde de dwerg; "wilt gij meer van deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd wordt, die door een koning worden overgebracht?--Wij hebben geen lust om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid."
"Goede Nebectamus, bedenk u," hernam de ridder, "kan mijne dame weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?--Is zij bewust, dat mijn leven--o, waarom van mijn leven te spreken--maar dat mijne eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te bewaken--en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al was het dan ook om haar te bezoeken!--Het is onmogelijk, de prinses gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een bode gekozen heeft."
"Nu, behoud uw geloof," hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof hij de hoogte wilde verlaten, "er ligt mij weinig aan gelegen, of gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame zijt.... dus, vaarwel."
"Blijf, blijf--ik bid u, blijf," riep sir Kenneth; "beantwoord mij slechts ééne vraag--is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij deze plaats?"
"Wat doet er dat toe?" antwoordde de dwerg; "moet men de trouw berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier, die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als deze onze boog een pijl kan brengen."
De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen, dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.--"Zeg mij," vroeg hij aan den dwerg; "wordt mijne tegenwoordigheid voor een langen tijd vereischt?"
"Tijd!" antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: "wat noemt gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet--het is slechts een onbestemde naam--eene aaneenschakeling van ademhalingen, die des nachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God en zijne dame verricht?"
"Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid," zeide de ridder. "En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van eene daad in haar naam en om harentwille?--en kan die niet eens de weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?"
"Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk," antwoordde de dwerg; "en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.--Luister, koelbloedig en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,--zeg hem, dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken."
Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in sir Kenneth's brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem, dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen, hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe besluiten om eene gelegenheid--misschien de eenige, die hem ooit zou worden aangeboden--te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan, dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.
"Wacht, wacht nog een oogenblik," zeide de ridder, en prevelde toen verder in zich zelven: "Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen gekomen met lans en zwaard?--Tot eer van onze heilige Maagd en mijne voortreffelijke dame."
"De ring, de ring," riep de dwerg ongeduldig; "valsch en traag ridder, geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan te zien."
"Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus," hernam de ridder; "stoor mij niet in mijne gedachten.--Zoo de Sarraceenen thans juist onze liniën aanvielen--zou ik dan hier staan als een gezworen vasal van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd, of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.--En toch, Richard's last--mijne eigen belofte--Nebectamus, ik bezweer u te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden."
"Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet," antwoordde Nebectamus, "de maan beschijnt den gouden kogel, die haar dak kroont, en eens konings losgeld waard is."
"Ik kan in een oogenblik terugkeeren," zeide de ridder, zijne oogen moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. "Ik kan van daar het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert--ik wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell, zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok werpend; "houd hier de wacht en laat niemand naderen."
De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.
"Kom nu, goede Nebectamus," zeide de ridder, "laten wij ons spoeden om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen."
"Laat zich haasten wie wil," antwoordde de dwerg barsch; "gij hebt u geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden--gij loopt niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn."
Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene slak vertraagde--voor giften had sir Kenneth geene middelen--voor vleien geen tijd--in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op, en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.