De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 14

Chapter 143,845 wordsPublic domain

"Neen, uwe Hoogheid," zeide Koenraad, veinzende dat hij tusschen beide wilde komen; "het zal uwe wijsheid tot schande strekken, om in dit uur een strijd in de legerplaats aan te vangen, en misschien is het beter zich nog eenigen tijd aan de overweldiging van Engeland te onderwerpen, dan te...."

"Geen uur--geen oogenblik langer," schreeuwde de hertog, en met zijne banier in de hand, en gevolgd door zijn juichende gasten en dienaren, begaf hij zich met snelle schreden naar de hoogte in het middelpunt, waarop de banier van Engeland wapperde, en sloeg zijne hand aan den vaandelstok, als of hij dien uit den grond wilde rukken.

"Mijn meester, mijn dierbare meester!" riep Jonas Schwanker, zijne armen om den hertog slaande--"wacht u--leeuwen hebben tanden--"

"En arenden hebben klauwen," antwoordde de hertog, zonder den vaandelstok los te laten, maar toch aarzelende om dien uit den grond te rukken.

Maar de spreukspreker had, in weerwil van zijn beroep, somtijds oogenblikken van gezond verstand. Hij schudde krachtig met zijn staf, en Leopold wendde uit gewoonte zijn hoofd naar zijn raadsman.

"De adelaar is koning onder de vogels van de lucht," zeide hij, "zoo als de leeuw onder de dieren des velds--ieder heeft zijn gebied, even ver van een gescheiden als Engeland van Duitschland--doe, edele adelaar, den vorstelijken leeuw geen schimp aan, maar laat uwe banieren vreedzaam naast elkander wapperen."

Leopold trok zijne hand van den vaandelstok en zag naar Koenraad van Montserrat om, maar hij bespeurde hem niet meer; want zoodra de markies zag dat het onheil was gesticht, had hij zich uit het gedrang verwijderd, terwijl hij eerst voorzichtig in tegenwoordigheid van verscheidene onzijdige personen zijn leedwezen te kennen gaf, dat de Aartshertog het uur na het middagmaal gekozen had, om een hoon te wreken, waarover hij mocht meenen reden tot klagen te hebben. Zijn gast niet ziende, tot wien hij zich meer bijzonder had wenschen te richten, zeide de Aartshertog luid, dat, daar hij niet wenschte eenige oneenigheid in het leger van het kruis te veroorzaken, hij slechts zijne eigen voorrechten handhaafde, en het recht om op gelijken voet met den Koning van Engeland te staan, zonder te verlangen, zoo als hij had kunnen doen, dat zijne banier, die hij van de Keizers, zijne voorouders, geërfd had, de voorkeur had boven die van een eenvoudig afstammeling der graven van Anjou; te gelijker tijd liet hij een vat wijn daarheen brengen en opensteken, om de omstanders te onthalen, welke onder trommelgeslag en muziek menigen beker rondom den Oostenrijkschen standaard ledigden.

Dit ongeregelde tooneel vond niet plaats zonder een gedruisch, die de geheele legerplaats in oproer bracht.

Het beslissend uur was gekomen, waarop de geneesheer, volgens de regelen zijn koninklijke lijder veilig kon gewekt worden, en met dat doel de spons gebruikt. De geneesheer had nog niet veel meerdere waarnemingen gemaakt, of hij verzekerde den baron van Gilsland, dat de koorts zijn Koning geheel had verlaten, en dat de kracht van zijn gestel zoo groot was, dat het niet eens, gelijk in de meeste gevallen, noodig zou zijn, hem eene tweede dosis van het heilzame geneesmiddel te geven. Richard zelf scheen van hetzelfde gevoelen te zijn, want, terwijl hij zich in het bed oprichtte en zijne oogen wreef, vroeg hij aan de Vaux, welke som gelds er voor het oogenblik in de koninklijke kas was?

De baron kon hem dit niet juist zeggen.

"Het doet er niet toe," zeide Richard; "zij moge grooter of kleiner zijn, schenk ze geheel aan dezen geleerden arts, die naar ik vertrouw, mij aan den dienst van den kruistocht heeft teruggeschonken. Zoo het minder is dan duizend byzantynen, geef hem dan juweelen, om dit bedrag vol te maken."

"Ik verkoop de wijsheid niet, die Allah mij geschonken heeft," antwoordde de Arabische geneesheer; "en verneem, groote Koning, dat de goddelijke artsenij, die gij gebruikt hebt, hare uitwerking in mijne onwaardige hand zou verliezen, indien ik ze voor goud of edelgesteenten weggaf."

"Hij weigert eene belooning!" zeide de Vaux bij zich zelven. "Dit is meer te verwonderen dan dat hij honderd jaren oud is."

"Thomas de Vaux," zeide Richard, "gij kent geen anderen moed, dan dien, welke tot het zwaard behoort, geene goedheid en deugd, dan die welke in de ridderschap te pas komt. Ik zeg u, dat deze Moor in zijne onafhankelijkheid, tot een voorbeeld zou kunnen strekken voor hen, die zich de bloem der ridderschap achten te zijn."

"Het is belooning genoeg voor mij," zeide de Moor, zijne armen over de borst vouwende, en te gelijk een eerbiedige en waardige houding aannemende, "dat een zoo groot Koning, als Melek Ric, op deze wijze van zijn dienaar spreekt.--Maar, laat ik u bidden, om u weder op uw bed te leggen; want, ofschoon ik denk, dat de goddelijke drank niet behoeft herhaald te worden, zou eene te vroege inspanning, eer nog uwe krachten geheel hersteld zijn, nadeelig kunnen zijn."

"Ik moet u gehoorzamen, Hakim," antwoordde de Koning; "evenwel geloof mij, mijn boezem gevoelt zich zoo vrij van het vernielende vuur, dat zoo vele dagen lang hem verschroeid heeft, dat ik er niet om geef, hoe spoedig ik die aan de hand van een braaf man blootstel.--Maar luister! wat beteekent dat geschreeuw en die muziek in de verte in het kamp? Ga, Thomas de Vaux, en verneem wat er gebeurt?"

"Het is de Aartshertog Leopold," zeide de Vaux, na eene afwezigheid van een oogenblik terugkeerende, "die met zijne drinkgezellen een optocht door het leger houdt."

"Die dronken dwaas!" riep Koning Richard, "kan hij zijne beestachtige dronkenschap niet onder het zeil van zijne tent verbergen, en moet hij zijne schande voor de geheele Christenheid tentoonspreiden? Wat zegt gij daarvan, heer markies?" voegde hij er bij, zich tot Koenraad van Montserrat wendende, die op dit oogenblik de tent binnentrad.

"Zoo veel, geëerde Vorst," antwoordde de markies, "dat ik uwe Majesteit zoo wel en zoo ver hersteld vind; en dit is een lange redevoering voor iemand, die aan de gastvrijheid van den Aartshertog van Oostenrijk heeft deel genomen."

"Hoe! gij hebt met het Teutoonsche wijnvat gegeten", zeide de monarch; "en welke lustige invallen hebben hem tot al deze rumoerige tooneelen bewogen? Waarlijk, heer Koenraad, ik heb u altijd voor een zoo goeden dischgenoot gehouden, dat ik mij verwonder, dat gij het spel verlaten hebt."

De Vaux, die een weinig achter den Koning gegaan was, poogde nu den markies door teekens en blikken te doen verstaan, dat hij Richard niets zeggen moest van hetgeen er buiten voorviel. Maar Koenraad begreep het verbod niet, of wilde er geen acht op slaan.

"Wat de Aartshertog doet," antwoordde hij, "is van weinig belang voor iemand anders, en het minst voor hem zelven, daar hij denkelijk niet weet, wat hij doet--evenwel, om de waarheid te zeggen, is het een grap, waaraan ik niet gaarne deel zou willen nemen, daar hij de banier van Engeland van den berg van St. George, ginds in het midden van de legerplaats, rukt, en de zijne in hare plaats plant."

"Wat zegt gij?" vroeg de Koning op een toon, die de dooden had kunnen opwekken.

"Neen," zeide de markies, "laat het uwe Majesteit niet vertoornen, zoo een dwaas naar zijne dwaasheid handelt."

"Zeg mij niets," zeide Richard, van zijne legerstede opspringende, en zijne kleederen met een spoed aantrekkende die wonderbaarlijk scheen--"zeg mij niets, heer markies!--De Multon, ik beveel u mij geen woord te zeggen--hij, die slechts eene syllabe over de lippen laat komen, is geen vriend van Richard Plantagenet.--Hakim, zwijg, ik gelast het u!"

Onder het uitspreken van die woorden kleedde de Koning zich haastig aan, en bij het laatste woord greep hij zijn zwaard van de pilaar der tent, en snelde naar buiten zonder eenig ander wapen te nemen, of eenig gevolg te roepen. Koenraad, als ten prooi aan de hoogste verbazing zijne handen ten hemel heffende, scheen voornemens met de Vaux een gesprek te beginnen; maar sir Thomas snelde hem zonder omslag voorbij, en zeide haastig, een der koninklijke stalmeesters roepende: "Vlieg naar het kwartier van lord Salisbury, en laat hij zijne manschappen verzamelen, en mij dadelijk naar den St. George's-berg volgen.--Zeg hem, dat de koorts van den Koning zijn bloed heeft verlaten en in zijne hersens is geslagen."

De verschrikte stalmeester, die deze haastige woorden van de Vaux slechts onvolkomen gehoord had, en nog onvolkomener verstond, vloog met zijne volgelingen haastig uit het koninklijk vertrek, naar de tenten van de naburige edellieden, en verspreidde snel door het geheele Britsche leger eene onrust, die even algemeen als de oorzaak daarvan onbekend was. De Engelsche soldaten, verschrikt uit de middagrust gewekt, die de hitte van het klimaat hen geleerd had als eene soort van weelde te beschouwen, vroegen elkander haastig naar de oorzaak van het gedruisch, en vulden, zonder een antwoord af te wachten, door hunne eigen verbeeldingskracht het onvolledige van de mededeeling aan. Eenigen zeiden, dat de Sarraceenen in het leger waren; anderen, dat men een aanslag op het leven des Konings maakte; sommigen, dat hij den vorigen nacht aan de koorts gestorven was; verscheidenen, dat hij door den Hertog van Oostenrijk was vermoord. De edellieden en officieren, even onthutst als de gemeenen, en buiten staat om de ware oorzaak van de wanorde op te geven, trachtten slechts hunne onderhoorigen onder de wapens in bedwang te krijgen, uit vrees dat hunne onbezonnen drift het leger der kruisvaarders een of ander groot ongeluk veroorzaken mocht. De Engelsche trompetten klonken luid, schel en aanhoudend. De wapenkreet van "bogen en strijdbijlen--bogen en strijdbijlen," liet zich van kwartier tot kwartier hooren, weergalmde op nieuw en werd nogmaals beantwoord door de tegenwoordigheid der slagvaardige krijgslieden en hun nationalen kreet: "St. George voor het vroolijke Engeland."

Het alarm verspreidde zich door het aangrenzende gedeelte van het leger, en er verzamelden zich mannen van al de verschillende natiën, daar bijna ieder volk van de Christenheid zijne vertegenwoordigers aldaar had, en alle trokken samen onder eene algemeene verwarring, waarvan zij de reden noch het doel kenden. Het was echter gelukkig, dat de Graaf van Salisbury te midden van een zoo dreigend tooneel, en terwijl hij slechts met eenige weinigen van de vlugste Engelsche gewapenden op bevel van de Vaux voortijlde, beval, dat het overige van het Britsche leger in slagorde geschaard en onder de wapens gehouden zou worden, om tot Richard's bijstand te kunnen aanrukken, indien de nood dit vorderen mocht, maar onder behoorlijke aanvoering en in eene gepaste orde, en niet met de onordelijke haast, die hunne eigen ongerustheid en hun ijver voor de veiligheid des Konings hun zou hebben kunnen ingeven.

Onderwijl vervolgde Richard, zonder in het minst acht te slaan op het geschreeuw en geraas, dat rondom hem begon toe te nemen, met zijne kleeding in de grootste wanorde en zijn ontbloot zwaard onder den arm, zijn weg met de uiterste snelheid, alleen door de Vaux en eenige dienaren van zijn huis gevolgd, naar den berg van St. George.

Hij kwam daar aan zelfs vóór den drom, die zijne onstuimigheid had doen samenkomen, en trok door het kwartier van zijne eigen dappere troepen van Normandië, Poitou, Gaskonje en Anjou, voor dat het alarm hen bereikt had, ofschoon het getier, dat de Duitschers bij hun maaltijd maakten, verscheidenen van de soldaten op de been gebracht had, om daarnaar te luisteren. De kleine schaar van Schotten lag ook in de nabijheid, en was evenmin door het oproer gestoord geworden. Maar de ridder van den Luipaard bespeurde zoowel den persoon als de haast van den Koning, en begrijpende, dat er gevaar op handen moest zijn, en zich spoedende om daarin te deelen, greep hij schild en zwaard, en voegde zich bij de Vaux, die met eenige moeite met zijn ongeduldigen en vurigen meester gelijken tred hield. De Vaux beantwoordde een nieuwsgierigen blik, dien de Schotsche ridder op hem wierp, door zijne breede schouders op te halen, en zij volgden naast elkander de schreden van den Koning.

Richard was spoedig aan den voet van den St. Georgeberg waarvan de hellingen zoowel als de top thans omring en bezet waren, gedeeltelijk door het gevolg van den Hertog van Oostenrijk, dat met een juichend geschreeuw de daad prees, die het als eene verdediging hunner nationale eer beschouwde; gedeeltelijk door omstanders van verschillende natiën, die haat tegen de Engelschen of bloote nieuwsgierigheid bijeengebracht had, om het einde van deze buitengewone gebeurtenis af te wachten. Door dezen ongeregelden hoop baande Richard zich een weg, als een statig schip met volle zeilen, dat de onstuimige baren doorklieft, en er zich niet aan stoort, dat men zich achter zijn steven vereenigt en in zijn weg voortbruist.

Op den top van den heuvel was eene kleine effen ruimte, waarop de mededingende banieren geplant, en nog door de vrienden en het gevolg van den Aartshertog omringd waren. In het midden van den kring stond Leopold zelf, nog met zelfvoldoening de daad, die hij verricht had, aanschouwende, en nog steeds naar de toejuiching en het geschreeuw luisterende, waarbij zijne aanhangers hun adem niet spaarden. Terwijl hij zich zelf aldus gelukwenschte, drong Richard in den kring, weliswaar slechts door twee personen vergezeld, maar door zijne eigen buitengewone kracht aan een onverwinlijk leger gelijk.

"Wie heeft," zeide hij, zijne hand aan den Oostenrijkschen standaard slaande, en op een toon sprekende, als die, welke eene aardbeving voorafgaat; "wie heeft dit ellendige vod naast de banier van Engeland durven planten?"

Het ontbrak den Aartshertog niet aan persoonlijken moed, en hij kon onmogelijk deze vraag hooren, zonder daarop te antwoorden. Maar hij was zoo ontsteld en verrast door de onverwachte komst van Richard en door den algemeenen schrik, dien zijn vurig en doortastend karakter inboezemde, getroffen, dat de vraag tweemaal werd herhaald op een toon, die hemel en aarde scheen uit te dagen, eer de Aartshertog met zooveel vastheid, als waartoe hij in staat was antwoordde: "Ik was het, Leopold van Oostenrijk."

"Dan zal Leopold van Oostenrijk," riep Richard, "dadelijk zien, op welken prijs Richard van Engeland zijne banier en zijne eischen stelt."

Met deze woorden rukte hij den standaardstok uit, brak dien in splinters, wierp de banier zelve op den grond, en zette zijn voet er op.

"Zoo," riep hij, "treed ik op de banier van Oostenrijk. Is er een ridder onder uwe Teutoonsche ridderschap, die het waagt, om mij wegens mijne daad aan te klagen?"

Er ontstond eene kortstondige stilte; maar er zijn geene dapperder mannen dan de Duitschers.

"Ik," en "ik", en "ik", riepen verscheiden ridders uit het gevolg van den Hertog; en hij zelf voegde zijne stem bij diegene, welke de uitdaging van den Koning van Engeland aannamen.

"Waarom dralen wij dan nog?" zeide Graaf Wallenrode, een reusachtig krijgsman van de grenzen van Hongarije. "Broeders en edele heeren, de voet van dezen man staat op de eer van uw vaderland.--Laat ons die van het geweld bevrijden, weg met den hoogmoed van Engeland!"

Dit zeggende trok hij zijn zwaard, en deed een slag naar den Koning, die noodlottig had kunnen worden, zoo de Schot dien niet met zijn schild opgevangen had.

"Ik heb gezworen," riep Koning Richard--en zijne stem liet zich boven al het gedruisch hooren, dat nu wild en luid begon te worden--"nooit iemand met mijn zwaard te treffen, die het kruis op zijne schouders zou dragen; daarom leef, Wallenrode--maar leef om aan Richard van Engeland te denken."

Bij deze woorden greep hij den grooten Hongaar om het midden, en, daar hij zoo min in het worstelen als in andere krijgsoefeningen zijn gelijken had, slingerde hij hem met zulk een geweld van zich, alsof de massa uit een krijgswerktuig geworpen werd, niet alleen door den kring van toeschouwers, die getuigen van dit zonderling tooneel waren, maar over den rand van den berg zelven, langs den steilen kant van welken Wallenrode hals over kop naar beneden rolde, tot dat hij eindelijk met zijn schouderbeen uit het lid neerkwam, en daar als dood liggen bleef. Deze bijna bovennatuurlijke betooning van kracht moedigde noch den Hertog noch een zijner volgelingen aan, om een persoonlijke strijd te hernieuwen, die met zoo weinig goed gevolg begonnen was. Zij, die het verst afstonden, sloegen wel op hunne schilden en schreeuwden: "houwt den Engelschen bulhond in stukken!" maar degenen welke naderbij waren, bewimpelden misschien hunne eigen vrees onder eene geveinsde achting voor de orde, en riepen voor het grootste gedeelte: "vrede! vrede! de vrede van het kruis--de vrede van het heilige kruis--de vrede van de heilige kerk, en onzen vader den Paus!"

Dit verschillend geschreeuw der aanvallers, die elkander tegenspraken, getuigde van hunne besluiteloosheid; terwijl Richard, met den voet nog steeds op de Aartshertogelijke banier staande, om zich heen zag met een oog, dat een vijand scheen te zoeken, en waarvoor de verbitterde edelen vol schrik terugdeinsden, als voor den dreigenden greep van een leeuw. De Vaux en de ridder van den Luipaard hielden hunne plaatsen naast hem; en ofschoon hunne zwaarden nog in de schede rusten, was het duidelijk, dat zij gereed stonden, om Richard's persoon tot op het uiterste te verdedigen, en hunne grootte en aanzienlijke kracht liet genoeg verwachten, dat die verdediging wanhopig zoude zijn.

Salisbury en zijne lieden rukten thans ook aan, met getrokken zwaarden, opgeheven bijlen en reeds gespannen bogen.

Op dit oogenblik kwam Koning Filips van Frankrijk, vergezeld door een of twee zijner edellieden, op de platte ruimte, om naar de reden van deze ongeregeldheden te vernemen, en gaf alle teekenen van verbazing, toen hij bevond, dat de Koning van Engeland van zijn ziekbed was opgestaan, en in eene zoo dreigende en beleedigende houding tegenover hun gemeenschappelijken bondgenoot, den Hertog van Oostenrijk stond. Richard zelf bloosde, toen hij zoo door Filips, wiens schranderheid hij even hoog achtte als hij zijn persoon haatte, in eene houding betrapt werd, die voor hem noch als monarch noch als kruisvaarder paste; en men bespeurde, dat hij zijn voet, als het ware bij toeval, van de onteerde banier terugtrok, en zijn blik van hevige ontroering in een van geveinsde bedaardheid en onverschilligheid veranderde. Leopold beproefde evenzeer eenige kalmte te verkrijgen, hoe gekrenkt hij ook was, dat men hem zich lijdzaam aan de beleedigingen van den driftigen Koning van Engeland had zien onderwerpen.

Filips, in het bezit van vele van die koninklijke eigenschappen, waarom zijne onderdanen hem den bijnaam van "l'Auguste", den verhevene, gaven, kon de Ulysses van den kruistocht genoemd worden, zoo als Richard ongetwijfeld de Achilles daarvan was. De Koning van Frankrijk was scherpzinnig, wijs, bedachtzaam in den raad, vast en bedaard in het handelen, de maatregelen ten nutte van zijn koninkrijk duidelijk doorziende, en die standvastig doorzettende--waardig en koninklijk in zijne houding, dapper van persoon, maar veeleer een staatsman dan een krijgsman. De kruistocht was geene vrijwillige onderneming van zijne zijde geweest, maar de geest was besmettelijk, en de onderneming werd hem opgedrongen door de kerk en den algemeenen wensch van zijn adel. Onder andere omstandigheden of in eene eeuw waarin zachter reden heerschten, zou zijn karakter hooger gestaan hebben, dan dat van den avontuurlijken Richard Leeuwenhart. Maar in den kruistocht, op zich zelf eene zeer zinnelooze onderneming, was gezond verstand de hoedanigheid, die het minst geacht werd, en aan de ridderlijke dapperheid, die zoowel de eeuw als de onderneming eischte, werd meer en meer te kort gedaan, zoo ze met den minsten zweem van bescheidenheid vermengd was. Zoo vertoonde de verdienste van Filips, vergeleken bij die van zijn trotschen mededinger, zich als de heldere, maar kleine vlam eener lamp, geplaatst naast den glans van eene groote, flikkerende toorts, die tien malen meer indruk op het oog maakt, ofschoon zij niet de helft van het nut der eerste bezit. Filips gevoelde hoe hij in de openbare meening beneden Richard werd gesteld en de hooghartige vorst leed daaronder; het is daarom niet te verwonderen, dat hij elke gelegenheid, die zich aanbood, aangreep, om zijn eigen karakter in een voordeeliger licht met dat van zijn mededinger te plaatsen. De tegenwoordige scheen eene dier gelegenheden, waarin voorzichtigheid en kalmte met recht konden doen verwachten, dat zij de zegepraal over hardnekkigheid en hevig geweld zouden behalen.

"Wat beduidt deze onbetamelijke twist tusschen broeders die trouw gezworen hebben aan het kruis--zijne koninklijke Majesteit van Engeland en den vorstelijken Leopold? Hoe is het mogelijk, dat zij, die de opperhoofden en steunpilaren van dezen heiligen krijgstocht zijn...."

"Staak uwe vertoogen, Koning van Frankrijk," zeide Richard, inwendig vergramd, omdat hij zich in zekere mate gelijkgesteld zag met Leopold, en toch niet wetende, hoe zijne gevoeligheid te kennen te geven,--"deze hertog of prins of pilaar, zoo als gij wilt, is onbeschoft geweest, en ik heb hem getuchtigd--dat is alles.--Hier heeft een oploop plaats, omdat men een jachthond een schop heeft gegeven."

"Uwe Majesteit van Frankrijk," hervatte de hertog, "ik beroep mij op u en alle souvereine vorsten tegen de schandelijke beleediging, die ik ondervonden heb. Deze Koning van Engeland heeft mijne banier neergerukt--verscheurd en vertreden."

"Omdat hij de stoutheid gehad heeft, om die naast de mijne te planten," hernam Richard.

"Mijn rang gaf mij daar evenveel recht op als u de uwe," hervatte de hertog, door de tegenwoordigheid van Filips stout geworden.

"Beweer zulk eene gelijkheid voor uw persoon," antwoordde Koning Richard, "en bij St. George, ik zal uw persoon behandelen, zoo als ik uw geborduurden doek behandeld heb, die slechts voor de minste diensten geschikt is."

"Geduld maar, broeder van Engeland," zeide Filips; "en ik zal den hertog van Oostenrijk dadelijk overtuigen, dat hij ongelijk in deze zaak heeft.--Denk niet, edele hertog," vervolgde hij, "dat wij, de onafhankelijke vorsten van de kruisvaart, eenige minderheid beneden Koning Richard erkennen, door dat wij hem vergunnen, dat de standaard van Engeland de hoogste plaats in het kamp inneemt. Het zou dwaas zijn, dit te denken, daar zelfs de oriflamme, de groote banier van Frankrijk, waarvan Koning Richard zelf wegens zijne Fransche bezittingen slechts vasal is, voor het tegenwoordige aan de Leeuwen van Engeland is onderworpen. Maar, als gezworen broeders van het kruis, krijgshaftige pelgrims, die, met ter zijde stelling van de pracht en praal der wereld, met onze zwaarden den weg naar het Heilige Graf banen, hebben ik zelf en de andere vorsten aan Koning Richard, uit hoofde van zijn naam en zijne groote wapenfeiten, dien voorrang afgestaan, dien wij hem anders en om andere redenen niet zouden hebben ingewilligd. Ik ben overtuigd, dat, wanneer uwe koninklijke Hoogheid dit zal overwogen hebben, gij uw leedwezen zult verklaren voor het planten van uwe banier op deze plek, en dat zijne Majesteit de Koning van Engeland u dan voldoening voor de aangedane beleediging zal geven."

De spreukspreker en de nar hadden zich beide op veiligen afstand begeven, toen het tot slagen scheen te komen, maar keerden terug, toen woorden hunne eigene wapenen, weder aan de orde van den dag schenen te komen. De man der spreuken scheen zoo voldaan over de staatkundige redeneering van Filips, dat hij bij het slot ervan met zijn stok rammelde, als het ware om hem kracht bij te zetten, en de personen, in tegenwoordigheid van wie hij zich bevond, zoo ver scheen uit het oog te verliezen, dat hij luid zeide, dat hij zelf in zijn geheele leven niets verstandigers gezegd had.

"Dat kan zijn," fluisterde Jonas Schwanker, "maar wij zullen gegeeseld worden, als gij zoo luid spreekt."