De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 13

Chapter 133,774 wordsPublic domain

"Eene al te fijn gesponnen staatkunde," zeide de grootmeester, "geloof mij, dat Italiaansche spinnewebben nooit dezen ongeschoren Simson van het eiland binden zullen--goed, zoo gij zulks met nieuwe koorden, en dat wel van de sterkste, doen kunt. Ziet gij niet, dat de afgezant, dien gij met zoo veel zorg gekozen hebt, ons in dezen geneesheer het middel heeft gebracht, om den leeuwenhartigen, stierkoppigen Engelschman te doen herstellen, ten einde zijn kruistocht voort te zetten; en zoo hij eens weder in staat is om voorwaarts te trekken, wie van de vorsten zal hem durven terughouden? Zij moeten hem uit schaamte wel volgen, al wilden zij ook even gaarne onder de banier van Satan optrekken."

"Wees tevreden", antwoordde Koenraad van Montserrat, "eer deze geneesheer, tenzij hij wonderen verrichten kan, Richard's genezing kan voltooien, zal het mogelijk zijn om eene open breuk teweeg te brengen tusschen den Franschman of ten minste den Oostenrijker, en zijne Engelsche bondgenooten, zóó dat deze onherstelbaar zal zijn; en Richard moge van zijn bed opstaan, misschien om zijne eigen vaderlandsche troepen aan te voeren, maar nooit om door zijne veerkracht alleen het geheele leger van kruisvaarders te leiden."

"Gij zijt een gewillig boogschutter", zeide de Tempelier; "maar, Koenraad van Montserrat, uw boog is te slap om een pijl in het wit te brengen."

Hij brak hier af, wierp een achterdochtigen blik om te zien, of iemand hem ook hoorde, en Koenraad bij de hand vattende, drukte hij die met kracht, terwijl hij den Italiaan in het gelaat zag en langzaam herhaalde: "Richard van zijn bed opstaan, zegt gij?--Koenraad, hij moet nooit weder opstaan!"

De markies van Montserrat schrikte.--"Hoe!--spraakt gij van Richard van Engeland--van Leeuwenhart--den kampioen van het Christendom?"

Zijne wang verbleekte en zijne knieën sidderden, terwijl hij dit zeide. De Tempelier zag hem aan, zijn ijzeren gelaat tot een minachtenden glimlach samentrekkende.

"Weet gij, op wien gij gelijkt, heer Koenraad, op dit oogenblik? Niet op den staatkundigen en dapperen markies van Montserrat--niet op den man, die den raad van vorsten wilde bestieren en het lot der rijken beslissen, maar op een nieuweling, die eene bezwering in het leerboek van zijn leermeester ontmoetende, den duivel opgeroepen heeft, toen hij er niet in het minst aan dacht, en nu verschrikt staat voor den geest, die voor hem verrezen is."

"Ik geef u toe," hernam Koenraad zich herstellende, "dat--zoo men geen veiligen weg kan vinden--gij dien hebt aangewezen, die het meest rechtstreeks tot ons doel voert. Maar heilige Maria! wij zullen de vervloeking van geheel Europa worden, de verwensching van ieder, van den Paus op den troon tot den bedelaar bij de kerkdeur, die, haveloos en melaatsch, tot het diepste van menschelijke ellende gezonken, zich gezegend zal achten dat hij noch Giles Amaury noch Koenraad van Montserrat is."

"Als gij het zoo neemt," hervatte de grootmeester met dezelfde kalmte, die hem gedurende dit geheele merkwaardige gesprek gekenmerkt had, "laat het ons er dan voor houden, dat er niets tusschen ons is voorgevallen--dat wij in den slaap gesproken hebben--ontwaakt zijn, en het visioen verdwenen is."

"Het kan nooit meer verdwijnen," antwoordde Koenraad.

"Visioenen van hertogelijke hoeden en koninklijke diademen houden inderdaad hunne plaats in de verbeelding wat vaster," hervatte de grootmeester.

"Goed," hernam Koenraad, "laat mij eerst slechts beproeven, om den vrede tusschen Oostenrijk en Engeland te breken."

Zij scheidden.--Koenraad bleef nog op de plek staan, en zag den zwevenden, witten mantel van den Tempelier na, terwijl deze langzaam voortstapte, en allengs in de snel vallende duisternis van den Oosterschen nacht verdween. Trotsch, eergierig, staatkundig en niet zeer nauwgezet, was nochtans de markies van Montserrat niet wreed van aard. Hij was wellustig en een vriend van een lekker leven, en zoo als velen van deze gemoedsgesteldheid, was hij, zelfs uit baatzuchtige oogmerken, afkeerig van iemand leed te doen of van wreede daden getuige te zijn; ook koesterde hij een gevoel van achting voor zijn naam, wat somtijds het gebrek van het betere beginsel, waardoor een goede naam verkregen moet worden, vervangt.

"Ik heb," zeide hij, terwijl zijne oogen nog op het punt gevestigd waren, waar hij het laatste wuiven van den mantel des Tempeliers gezien had,--"ik heb in waarheid den duivel opgeroepen! Wie zou gedacht hebben, dat deze sombere, ascetische grootmeester, wiens geheel geluk en ongeluk in dat van zijne orde begrepen is, meer tot bevordering daarvan zou willen doen, dan ik, die voor mijn eigen belang werk? Dezen wilden kruistocht tegen te gaan was weliswaar mijn oogmerk, maar ik durfde niet aan het eenvoudige middel denken, dat deze vermetele priester heeft gewaagd aan de hand te geven--en niettemin is dat het zekerste--en mogelijk zelfs het veiligste."

Zulke overpeinzingen hield de Markies bij zich zelf, toen zijne stille alleenspraak afgebroken werd door eene stem op een kleinen afstand, die op den luidklinkenden toon van een heraut riep: "Denk aan het heilige graf!"

Deze kreet weergalmde van post tot post, want het was de plicht der schildwachten, om deze woorden van tijd tot tijd op hunne wacht te laten hooren, opdat het leger der kruisvaarders altijd het doel zijner wapening mocht in de gedachten houden. Maar ofschoon deze gewoonte zeer goed aan Koenraad bekend was, en hij de waarschuwende stem bij alle vorige gelegenheden als iets gewoons vernomen had, kwam zij echter voor het oogenblik zoo hevig in botsing met den loop zijner eigen gedachten, dat het hem eene stem des Hemels toescheen, die hem tegen zijne voorgenomen boosheid waarschuwde. Hij zag angstig rond, alsof hij, gelijk de aartsvader in aloude tijden, hoewel in zeer verschillende omstandigheden, een in de struiken gevangen ram verwachtte--den eenen of anderen plaatsvervanger voor het offer, dat zijn makker had voorgesteld, niet om hem het Opperste Wezen, maar den Moloch van hunne eigen eerzucht te slachten. Terwijl hij rondzag, viel zijn oog op de breede banen van het vaandel van Engeland, dat zich met moeite in de zwakke nachtkoelte uitspreidde. Het vertoonde zich op een met kunst opgeworpen wal, bijna in het midden van de legerplaats, dien misschien voorheen een of ander Hebreeuwsch opperhoofd of strijder tot gedenkplaats van zijne rustplaats uitgekozen had. Al was dit zoo, de naam was thans vergeten, en de kruisvaarders hadden dien St. George berg gedoopt, omdat van die gebiedende hoogte de banier van Engeland zich verhief en uitspreidde, alsof zij een teeken van oppermacht ware boven de vele uitstekende, edele, en zelfs koninklijke vaandels, die op lagere standplaatsen fladderden.

Een vlug vernuft, gelijk de markies bezat, krijgt gedachten door één blik. Een enkele blik van zijn oog op den standaard scheen de onzekerheid van gemoed, die hem geschokt had, te verbannen. Hij begaf zich naar zijne tent met de haastige en vaste schreden van iemand, die een plan gemaakt heeft, dat hij besloten heeft ten uitvoer te brengen, ontsloeg het bijna vorstelijke gevolg, dat gereed was hem op te wachten, en terwijl hij zich op zijne legerstede ter nederlegde, prevelde hij zijn veranderd besluit, dat de zachtere middelen moeten beproefd worden, eer men tot de meer wanhopige overgaat.

"Morgen", zeide hij, "zit ik aan de tafel van den Aartshertog van Oostenrijk,--wij zullen zien wat ter bevordering van ons plan kan gedaan worden, eer wij de zwarte inblazingen van dezen Tempelier volgen."

HOOFDSTUK XI.

Een ding is zeker in ons Noordsche land; Moed, geest, geboorte, rijkdom en verstand Geeft aan benijding zijn bezitter prijs; Vervolgt hem als een speurhond op zijn baan, En grijpt de kans tot zijn verdelging aan.

Sir David Lindsay.

Leopold, Aartshertog van Oostenrijk, was de eerste bezitter van dat edele land, waaraan de vorstelijke rang toekwam. Hij was in het Duitsche rijk door zijne nauwe bloedverwantschap met Keizer Hendrik den Ernstige tot de hertogelijke waardigheid verheven, en had onder zijn bestuur de schoonste landschappen, welke door den Donau besproeid worden. Zijn karakter is in de geschiedenis door ééne daad van geweld en trouweloosheid bevlekt geworden, die juist uit deze gebeurtenissen in het heilige Land sproot en toch was de schande van Richard gevangen genomen te hebben, toen hij zonder begeleiding en verkleed door Leopold's staten trok, niet uit zijn natuurlijk karakter voortgesproten. Hij was veeleer een zwak en ijdel dan eerzuchtig of wreed vorst. De vermogens van zijn geest stemden overeen met de eigenschappen van zijn lichaam. Hij was groot, krachtig en schoon, met een gelaat, waarin rood en wit een sterk contrast vormden, en had lange, fladderende lokken en mooi haar. Maar er was eene zekere stijfheid in zijn gang, die scheen te getuigen, dat hij door geene genoegzame veerkracht bezield werd, om zulk eene massa in beweging te brengen; en ter zelfder tijd scheen hem ook de rijkste kleeding niet goed te staan. Als vorst scheen hij te weinig met zijne eigen waardigheid vertrouwd; en daar hij dikwijls verlegen was, hoe hij zijn gezag zou handhaven, wanneer de omstandigheden dit vorderden, rekende hij zich dikwijls verplicht, om door daden en uitdrukkingen van ontijdig geweld den grond te herwinnen, dien hij op eene gemakkelijke en zachte wijze door een weinig meer tegenwoordigheid van geest in het begin van den strijd had kunnen behouden.

Niet alleen waren deze gebreken voor anderen blijkbaar, maar de Aartshertog zelf kon somtijds niet nalaten een smartelijk besef te gevoelen, dat hij niet geheel geschikt was, om den hoogen rang, dien hij had verworven, te handhaven. Hierbij kwam nog het sterke en somtijds zeer gegronde vermoeden, dat anderen hem daarom minachtten.

Toen hij zich in het eerst, met een zeer vorstelijk gevolg, bij den kruistocht aansloot, had hij zeer gewenscht, Richard's vriendschap en vertrouwen te verwerven, en had stappen gedaan, om diens achting te winnen, die de Koning van Engeland uit verstandige staatkunde had moeten aannemen en beantwoorden. Maar de Aartshertog, hoewel niet ontbloot van moed, was zoo ver beneden Leeuwenhart in de vurigheid van gemoed, welke het gevaar zoekt, als eene bruid, dat de Koning hem weldra in zekere mate minachtte. Ook verachtte Richard, als Normandisch vorst--een volk, dat de matigheid steeds betracht had--de neiging van den Duitscher voor de genoegens van de tafel, en in het bijzonder diens misbruik van wijn. Om deze en andere persoonlijke redenen, beschouwde de Koning van Engeland den Oostenrijkschen vorst spoedig met een gevoel van verachting, dat hij zich geen moeite gaf te verbergen of te verzachten, en dat de achterdochtige Leopold dus weldra opmerkte en met diepen haat beantwoordde. De oneenigheid tusschen hen werd aangeblazen door de geheime en staatkundige kuiperijen van Filips van Frankrijk, een der schranderste monarchen van dien tijd, die het vurig en trotsch karakter van Richard vreesde, hem als zijn natuurlijken mededinger beschouwde, en zich daarenboven beleedigd gevoelde door de gebiedende wijze, waarop deze,--als vasal van Frankrijk, voor zijne bezittingen op het vaste land,--zich tegen zijn landheer gedroeg, zijne eigen partij zocht te versterken, en die van Richard te verzwakken, door dat hij de vorsten van minderen rang, welke zich bij den kruistocht bevonden, vereenigde tegen hetgeen hij het overweldigende gezag van den Koning van Engeland noemde. Dit waren de staatkunde en de gevoelens, die de Aartshertog van Oostenrijk koesterde, toen Koenraad van Montserrat besloot, om zijne jaloezie tegen Engeland aan te wenden, als het middel, om het verbond der kruisvaarders op te lossen of ten minste losser te maken.

De tijd, dien hij voor zijn bezoek koos, was de middag, en het voorwendsel, dat hij den Aartshertog eenige uitgezochte wijnen van Cyprus, die onlangs in zijne handen gevallen waren, wilde aanbieden, en de verdienste daarvan met die der wijnen van Hongarije en den Rijn vergelijken wilde. Eene mededeeling van deze strekking werd natuurlijk beantwoord door eene vriendelijke uitnoodiging, om aan de tafel van den Aartshertog deel te nemen, en alles aangewend, om aan het gastmaal den glans van een souvereinen vorst te geven. Nochtans zag de verfijnde smaak van den Italiaan meer lastige verkwisting dan zwier of pracht in de uitstalling der spijzen, waaronder de tafel zuchtte.

De Duitschers bezaten, weliswaar, nog steeds het krijgshaftig en oprecht karakter van hunne voorouders, die het Romeinsche rijk overweldigden; maar tevens hadden zij een groot gedeelte van hunne barbaarschheid behouden. De gewoonten en beginselen der ridderschap waren onder hen niet tot zulk een graad van verfijning gebracht, als onder de Fransche en Engelsche ridders; ook namen zij de voorgeschreven regelen der gezelligheid niet in acht, die men bij deze natiën beschouwde als den hoogsten trap hunner beschaving uit te drukken. Aan de tafel van den Aartshertog zittende, werd Koenraad pijnlijk aangedaan en verlustigd door den klank van Teutoonsche geluiden, die zijn oor van alle kanten troffen, ondanks de plechtigheid van een vorstelijken maaltijd. Hunne kleeding scheen hem even zonderling toe, daar verscheidene Oostenrijksche edelen hunne lange baarden behouden hadden, en bijna allen korte, bonte wambuizen droegen, die op eene in het westen van Europa geheel ongewone wijze gesneden, versierd en bezet waren.

Een groot aantal bedienden, oud en jong, verrichtten hun dienst in de tent, mengden zich nu en dan in het gesprek, ontvingen van hun meester de overblijfselen van het gastmaal, en verslonden die terwijl zij achter het gezelschap stonden. Narren, dwergen en minnezangers bevonden zich daar in eene zeer groote menigte, en maakten meer gedruisch, toonden zich meer indringend, dan men hun in beter geordende gezelschappen vergunde te zijn. Daar zij verlof hadden om wijn te drinken zooveel zij wilden, die in groote hoeveelheid stroomde, werd hun losbandig gedruisch hoe langer hoe erger. Gedurende al dien tijd en te midden van een geschreeuw en eene verwarring, die beter voor eene Duitsche herberg bij eene kermis, dan voor de tent van een regeerend Vorst zou gepast hebben, werd de Aartshertog met in achtneming van alle vormen en met allen eerbied, waaruit bleek, hoe angstvallig hij was, om den stand en het karakter, waartoe zijn hooge rang hem het recht gaf, vol te houden. Hij werd op de knieën en alleen door knapen van edel bloed bediend, at van zilveren borden en dronk zijn Tokaijer en Rijnschen wijn uit een gouden beker. Zijn hertogsmantel was prachtig met hermelijn versierd; zijne kroon kon in waarde een koningskroon evenaren, en zijne voeten, met fluweelen schoenen bekleed--wier lengte met de lange snebben twee voet konden bedragen,--rustten op een voetschabel van echt zilver. Maar het verried toch het karakter van den man, dat hij, ofschoon begeerig om den markies van Montserrat, dien hij uit beleefdheid aan zijne rechterhand geplaatst had, zijne opmerkzaamheid te betoonen, veel meer aandacht schonk aan zijn spreukspreker, dat is, den persoon, die achter den rechter schouder van den Hertog stond en het gesprek gaande hield.

Deze was goed gekleed in een mantel en een wambuis van zwart fluweel; het laatste was met velerlei gouden en zilveren munten versierd, die daar opgestoken waren als gedachtenissen van de Vorsten, die hem deze geschonken hadden; voorts droeg hij een korten staf, waaraan ook bundels zilveren munten met ringen waren vastgemaakt, waarmede hij placht te schellen, om de aandacht tot zich te trekken, wanneer hij op het punt was iets te zeggen, dat hij waardig keurde gehoord te worden. De betrekking van dezen man in de huishouding van den Aartshertog was eenigermate tusschen die van minnezanger en raadgever; hij was beurtelings vleier, dichter en redenaar, en zij die op goeden voet met den Hertog wenschten te staan, legden zich er gewoonlijk op toe, om de gunst van den spreukspreker te winnen.

Opdat de al te groote wijsheid van dezen ambtenaar niet vervelend mocht worden, was aan den anderen schouder van den Hertog zijn hofnar, Jonas Schwanker, geplaatst, die bijna even veel gedruisch met zijne zotskap, schelletjes en speeltuig maakte, als de redenaar of spreker met zijn schellenstok.

Deze beide personen lieten afwisselend ernstigen en grappigen onzin hooren, terwijl hun meester, die er om lachte of ze toejuichte, toch het gelaat van zijn edelen gast zorgvuldig gadesloeg, om te ontdekken, welken indruk deze vertooning van Oostenrijksche welsprekendheid en geestigheid op een zoo volmaakten ridder maakte. Het is moeilijk te beslissen, of de man van wijsheid of die van dwaasheid het meest tot het vermaak van het gezelschap bijdroeg, of het hoogst in de achting bij hun vorstelijken heer stond; maar de opmerkingen en invallen van beide schenen uitstekend goed opgenomen te worden. Somtijds werden zij mededingers in het gesprek, en lieten hunne schertsende wapenen in bijna onrustwekkenden strijd tegen elkander kletteren; maar over het algemeen schenen zij op een zoo goeden voet met elkander te staan, en zoo gewoon te zijn om elkanders boert te verdragen, dat de spreukspreker zich dikwijls verwaardigde om op de geestigheid van den nar eene verklaring te laten volgen, ten einde die te beter onder het verstand van de toehoorders te brengen; zoodat zijne wijsheid eene soort van commentaar van de dwaasheid van den nar werd. En somtijds gaf van zijne zijde de hofnar door eene pittige scherts aan het slot van de vervelende voordracht van den redenaar daaraan nog zekeren nadruk.

Wat ook Koenraad's werkelijk oordeel mocht zijn, hij droeg zorg, dat zijn gelaat niets dan tevredenheid teekende over hetgeen hij hoorde, en hij lachte en klapte even ijverig, naar den schijn, als de Aartshertog zelf, over de plechtige dwaasheid van den spreukspreker of de snappende geestigheid van den nar. In werkelijkheid lette hij zorgvuldig op, tot dat de een of de ander een onderwerp van gesprek te berde mocht brengen, dat gunstig was voor het plan, hetwelk hem het meest het hart vervulde.

Het duurde niet lang, of de hofnar bracht den Koning van Engeland ter sprake, daar hij gewoon was om Richard van den braam (Dickon of the broom) als een aangenaam en onuitputtelijk onderwerp van vroolijkheid te beschouwen. De redenaar zweeg weliswaar, en slechts toen Koenraad zich tot hem wendde, antwoordde hij: "de genista, of braam, is een zinnebeeld der nederigheid; en het zou goed zijn, indien zij, die het dragen, deze waarschuwing indachtig waren."

De toespeling op het beroemde symbool van Plantagenet werd hierdoor duidelijk genoeg, en Jonas Schwanker merkte op, dat zij, die zich vernederd hadden, verhoogd waren geworden.

"Eere wien eere toekomt," sprak de markies van Montserrat; "wij hebben allen eenig deel in deze tochten en veldslagen gehad, en mij dunkt andere vorsten mochten wel een weinig deelen in den roem, waaraan Richard van Engeland alleen zich onder de minnezangers meester maakt. Heeft niet een van de joyeuse science (vroolijke kunst) een lied op den lof van den koninklijken Aartshertog van Oostenrijk, onzen vorstelijken gastheer?"

Drie minnezangers traden naar voren en wedijverden met stem en harp. Twee werden met moeite tot zwijgen gebracht door den spreukspreker, die als opziener over de vermakelijkheden scheen te fungeeren, en eindelijk verkreeg de bevoorrechte dichter gehoor, die in het Hoog-duitsch coupletten zong, ongeveer aldus luidende:

Welk dapper hoofd geleidt de scharen Die 't roode kruis te samen bracht? De beste ruiters, beste paarden Het fierste hoofd en vederpracht.

Hier viel de redenaar, met zijn staf schuddende, den zanger in de reden, om het gezelschap te verstaan te geven, wat het misschien anders niet zou begrepen hebben, dat hun koninklijke gastheer de bedoelde held was, en een volle bekranste beker ging rond onder het gejuich van: Hoch lebe der Herzog Leopold. Er volgde een ander couplet:

Vraag niet aan Oostenrijk waarom toch Te midden van de vorstenschaar Zijn vaan als 't hoogste en fierste wappert!-- Het hoogste toch stijgt de adelaar.

"De adelaar," zeide hij die de duistere spreuken toelichtte, "is het zinnebeeld van onzen edelen heer den Aartshertog--van zijne koninklijke Hoogheid, wilde ik zeggen--en de adelaar vliegt het hoogst en het meest nabij de zon van de geheele gevederde schepping."

"De leeuw heeft een sprong boven den adelaar gedaan," zeide Koenraad los weg.

De Aartshertog kleurde, en vestigde zijne oogen op den spreker terwijl de redenaar na een oogenblik nadenken antwoordde: "de heer markies zal mij vergeven--een leeuw kan niet boven een arend vliegen, daar geen leeuw vleugels heeft."

"Behalve de leeuw van St. Markus," zeide de nar.

"Dat is de Venetiaansche banier," antwoordde de Hertog; "maar voorzeker zal toch dit tweeslachtig ras van half-edelen en half-kooplieden niet wagen, om zijn rang met den onzen in vergelijking te brengen."

"Neen, het was niet van den Venetiaanschen leeuw dat ik sprak," hervatte de markies van Montserrat; "maar van de drie stappende leeuwen van Engeland--te voren waren het, zegt men, luipaarden, maar nu zijn het in alle opzichten leeuwen geworden, en zij moeten de voorkeur hebben boven dier, visch en vogel, of wee hem, die zich daartegen verzet."

"Meent gij dat in ernst, genadige heer?" vroeg de Oostenrijker, thans door den wijn verhit; "meent gij, dat Richard van Engeland zich een voorrang boven de vrije Vorsten aanmatigt, die vrijwillig zijn bondgenooten in dezen kruistocht geweest zijn?"

"Ik leid het slechts af uit de omstandigheden," antwoordde Koenraad; "ginds hangt zijne banier alleen in het midden van onze legerplaats, alsof hij Koning en opperveldheer van ons geheel Christenleger ware."

"En verdraagt gij dit zoo geduldig, en spreekt gij zoo koelbloedig daarover?" vroeg de Aartshertog.

"Neen, uwe Hoogheid," antwoordde Koenraad, "het betaamt den armen markies van Montserrat niet, om zich tegen eene beleediging te verzetten, waaraan zich zulke machtige Vorsten, als Filips van Frankrijk en Leopold van Oostenrijk, onderworpen hebben. Een hoon, waaraan gij u verkiest te onderwerpen, kan geen schande voor mij zijn."

Leopold balde de vuist en sloeg met geweld op de tafel.

"Ik heb dit Filips al dikwijls gezegd," riep hij, "ik heb hem herhaalde malen gezegd, dat het onze plicht was om de mindere Vorsten tegen de aanmatigingen van dien eilander te beschermen.--Maar hij antwoordt mij altijd met koele opmerkingen omtrent hunne betrekkingen tot elkander als leenheer en vasal, en dat het onstaatkundig van zijn kant zou zijn, indien hij juist in dezen tijd met hem wilde breken."

"De wereld weet, dat Filips wijs is," hernam Koenraad, "en zal zijne onderwerping voor staatkunde houden.--Van de uwe kunt gij zelf alleen rekenschap geven; maar ik twijfel er niet aan, of gij hebt goede redenen om u aan de Engelsche heerschappij te onderwerpen."

"Ik mij onderwerpen!" riep Leopold verontwaardigd.--"Ik de Aartshertog van Oostenrijk, een zoo gewichtig en edel lid van het heilige Romeinsche rijk.--Ik mij onderwerpen aan dien Koning van een half eiland--dezen kleinzoon van een Normandischen bastaard!--Neen, bij den Hemel! Het leger en de geheele Christenheid zullen zien, dat ik mij zelven recht weet te verschaffen, en of ik een duim breed gronds aan den Engelschen bulhond wil afstaan.--Op! mijne leenslieden en lustige knapen, op en volgt mij!--wij willen--en wel zonder een oogenblik te verliezen--den Oostenrijkschen adelaar plaatsen, waar hij zoo hoog zweven zal, als ooit het zinnebeeld van een Koning of Keizer wapperde."

Met deze woorden rees hij van zijn stoel op, en onder het luidruchtig gejuich van zijne gasten en volgelingen, ging hij tot voor de deur van zijne tent, en greep zijn eigen banier, die daarvoor geplant was.