De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 12
Toen de Arabische arts binnentrad, maakte hij zijne buiging, naar Oostersche wijze, voor den markies en den grootmeester, wier waardigheid zichtbaar was zoowel in hun uiterlijk voorkomen als in hunne houding. De grootmeester beantwoordde den groet met eene uitdrukking van minachtende koelheid, de markies met de bevallige beleefdheid, die hij gewoonlijk aan mannen van alle rangen en natiën betoonde. Er ontstond eene poos stilte; want de Schotsche ridder, op de komst van de Vaux wachtende, durfde op eigen gezag niet in de tent van den Koning van Engeland treden; en gedurende deze tusschenpoos vroeg de grootmeester den Muzelman op norschen toon: "Ongeloovige, hebt gij den moed, om uwe kunst uit te oefenen op een persoon van een gezalfden Koning van het Christen leger?"
"De zon van Allah, antwoordde de wijze, "beschijnt den Nazareër even goed als den waren geloovige, en zijn dienaar durft geen onderscheid tusschen hen maken, wanneer hij geroepen wordt om zijne heelkunst uit te oefenen."
"Ongeloovige Hakim," zeide de grootmeester, "of hoe men u, ongedoopten slaaf der duisternis noemt, weet gij wel, dat gij door wilde paarden zult vaneen gescheurd worden, indien Koning Richard onder uwe behandeling stierf?"
"Dat zou eene harde justitie zijn", antwoordde de geneesheer, "daar ik niets dan menschelijke middelen kan aanwenden, en de uitslag in het boek des lichts staat geschreven."
"Neen, eerwaarde en dappere grootmeester," zeide de markies van Montserrat, "overweeg, dat deze geleerde man niet bekend is met onzen christelijken regel, dien wij in de vreeze Gods en voor de veiligheid van zijn gezalfde hebben aangenomen.--Weet dan, waardige geneesheer aan wiens bekwaamheid wij niet twijfelen, dat de verstandigste partij voor u is om u in tegenwoordigheid van den doorluchtigen raad van ons heilig verbond te begeven, en daar reden en rekenschap te geven aan die wijze en geleerde geneesheeren, als deze benoemen zal, omtrent uwe behandeling en geneesmiddelen bij dezen doorluchtigen patiënt; op deze wijze zult gij al het gevaar ontgaan, dat gij anders loopen zult, indien gij zulk eene gewichtige zaak op uwe verantwoording alleen neemt."
"Mijne heeren," antwoordde El Hakim, "ik versta u wel. Maar de wetenschap heeft hare helden even goed als uwe krijgskunde, en ook somtijds hare martelaren even goed, als de godsdienst. Ik heb bevel van mijn Vorst, den sultan Saladin, om den Nazareeschen Koning te genezen, en met den zegen van den profeet zal ik aan zijne bevelen gehoorzamen. Zoo het mij mislukt, dan draagt gij zwaarden, die naar het bloed der geloovigen dorsten, en ik geef mijn lichaam aan uwe zwaarden prijs. Maar ik wil met geen onbesnedenen redetwisten over de kracht der geneesmiddelen, wier kennis ik door de gunst van den profeet bezit, en ik verzoek u in de uitoefening van mijn plicht geene vertraging te veroorzaken."
"Wie spreekt van vertraging?" riep de baron de Vaux, haastig de tent binnentredende; "wij hebben ons reeds te veel vertraagd. Ik groet u, heer markies van Montserrat, en u, dappere grootmeester. Maar ik moet mij dadelijk met dezen geleerden arts naar het bed van mijn meester begeven."
"Mylord," zeide de markies in het Normandisch Fransch, of de taal van Ouie, zooals die toen genoemd werd, "zijt gij wel onderricht, dat wij gekomen zijn, om uit naam van alle monarchen en vorsten van den kruistocht vertoogen te doen over het gevaar, om aan een ongeloovigen Oosterschen geneesheer de gezondheid toe te vertrouwen van een man, wiens leven van zoo onschatbare waarde is als uw meester, koning Richard?"
"Waarde heer markies", hervatte de Engelschman openhartig, "ik kan niet vele woorden gebruiken, en ik wensch er ook niet naar te luisteren--bovendien ben ik veel gereeder om te gelooven, wat mijne oogen gezien dan hetgeen mijne ooren gehoord hebben. Ik ben overtuigd, dat deze Heiden de ziekte van Koning Richard kan genezen, en ik geloof en ik vertrouw, dat hij zijn best zal doen om dit te verrichten. De tijd is kostbaar. Zoo Mahomed--Gods vloek ruste op hem!--aan de deur van de tent stond, met zulke schoone voorstellen, als deze Adonebec el Hakim, zou ik het mij tot zonde rekenen, om hem eene minuut op te houden.--Dus God aanbevolen, mijne heeren."
"Ja maar," vervolgde Koenraad van Montserrat, "de Koning heeft in eigen persoon gezegd, dat wij tegenwoordig zouden zijn als deze geneesheer voor hem verscheen."
De baron fluisterde met den kamerheer, waarschijnlijk om te weten of de markies de waarheid sprak, en antwoordde toen: "Mijne heeren, zoo gij u stil houden wilt, dan zijt gij welkom om met ons binnen te gaan; maar wanneer gij door daden of bedreigingen dezen geleerden arts in zijn plicht stoort, dan, weet ik, dat ik u, zonder acht op uwe hooge waardigheid te slaan, zal dwingen, om Richard's tent te verlaten; want ik moet u zeggen, dat ik zoo zeer van de kracht der geneesmiddelen van dezen man overtuigd ben, dat, zoo Richard zelf weigerde die in te nemen, ik bij onze heilige Maagd van Lanercost, het op mijn geweten wil verantwoorden, zoo ik hem tegen wil en dank dwong, om de middelen ter zijner genezing te gebruiken.--Treed binnen, El Hakim."
De laatste woorden sprak hij in de lingua franca, en de geneesheer gehoorzaamde oogenblikkelijk. De grootmeester zag met toornigen blik op den ruwen krijgsman, maar, zijn oog op de markies vestigende, ontfronsde hij zijn voorhoofd zoo veel mogelijk, en beide volgden de Vaux en den Arabier in het binnenste van de tent, waar Richard hen met dat ongeduld verwachtte, waarmede de zieke den stap van den geneesheer verbeidt. Sir Kenneth, wiens tegenwoordigheid noch gevraagd noch verboden scheen, voelde zich in de omstandigheden, waarin hij zich bevond, gerechtigd, om deze hooge personen te volgen, maar, bewust van zijn minder aanzien en zijn geringen rang, bleef hij gedurende het tooneel dat voorviel op eenigen afstand.
Richard riep, zoodra zij het vertrek binnentraden, uit: "ha! ha! een heerlijk gezelschap, om Richard zijn sprong in het duister te zien doen.--Edele bondgenooten, ik groet u als de vertegenwoordigers van onze bondsvergadering; Richard zal op zijn vorigen voet weder onder u verschijnen, of gij zult zijne overblijfselen ten grave dragen.--De Vaux gij hebt den dank van uw Vorst, hij moge leven of sterven.--Daar is immers nog een ander--maar deze koorts heeft het gezicht mijner oogen verzwakt--hoe? de stoute Schot, die zonder ladder ten hemel wilde stijgen?--Ook hij is welkom.--Kom aan, heer Hakim, aan het werk, aan het werk."
De geneesheer, die reeds van de verschillende kenteekenen van de ziekte des Konings onderricht was, voelde nu diens pols gedurende eene lange poos en met groote aandacht; terwijl allen rondom hem in stille, ademlooze verwachting stonden. Toen vulde de wijze een beker met bronwater en doopte daarin de kleine roode beurs, die hij, als de eerste maal uit zijne boezem trok. Toen hij dacht, dat het water genoeg van het geneesmiddel opgezogen had, wilde hij den drank aan den Koning aanbieden; maar deze voorkwam hem door te zeggen; "wacht een oogenblik.--Gij hebt mijne pols gevoeld--laat mij mijne vinger ook eens aan de uwe leggen.--Ik versta, zoo als het een goed ridder past, ook iets van uwe kunst."
De Arabier gaf zijn hand zonder aarzeling over en zijne lange tengere, donkere vingers waren voor een oogenblik in de groote hand van Richard gesloten en bijna begraven.
"Zijn bloed klopt kalm als dat van een kind," zeide de Koning, "zoo kloppen de aderen niet van hen, die vorsten vergiftigen. De Vaux, hetzij wij leven of sterven, zorg dat deze Hakim met eer en in veiligheid ons verlaat.--Groet den edelen Saladin van ons, vriend. Sterf ik, dan is het zonder aan zijne goede trouw te twijfelen--leef ik, dan zal ik hem mijn dank betuigen, zooals men een krijgsman danken moet."
Hierop richtte hij zich op in bed, nam den beker in de hand, en zeide, zich tot den markies en den grootmeester wendende: "Hoor, wat ik zeg, en laten mijne koninklijke broeders mij met Cyprus wijn bescheid doen op de onsterfelijke eer van den eersten kruisvaarder, die lans of zwaard tegen de poort van Jeruzalem zal doen klinken; en op de schande en den eeuwigen smaad van ieder, die zich afwenden zal van den ploeg waaraan hij de hand gelegd heeft!"
Hij dronk den beker tot op den bodem ledig, gaf dien aan den Arabier en zonk, als uitgeput, in de kussens, die voor hem terecht gelegd waren. De geneesheer beval hierop met stille maar duidelijke teekenen, dat allen de tent zouden verlaten, behalve hij en de Vaux, dien gene vertoogen konden bewegen om zich te verwijderen. Dien ten gevolge ontruimden zij de kamer.
HOOFDSTUK X.
'k Zal nu 't geheime boek ontsluiten, En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar, Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.
Hendrik IV. I Gedeelte.
De markies van Montserrat en de grootmeester van de Tempelridders stonden te zamen voor de koninklijke tent, waarin dit zonderling tooneel was voorgevallen, en zagen eene sterke wacht met hellebaarden en bogen, die rondom haar een kring vormde, om allen, welke den stervenden Monarch mochten lastig zijn, op een afstand te houden. De soldaten hadden de terneergeslagen, stille en sombere blikken, waarmede zij bij een lijkstoet hunne wapenen dragen, en stapten met zoo veel behoedzaamheid, dat men geen schild klinken, geen zwaard kletteren hoorde, ofschoon zoo vele gewapende manschappen rondom de tent in beweging waren. Zij lieten met grooten eerbied de wapens zakken, toen de hooge personen langs hunne gelederen gingen, maar met dezelfde diepe stilte.
"Er heeft eene verandering in de stemming van die eilandhonden plaats gehad," zeide de grootmeester tot Koenraad, toen zij Richard's wachten voorbij waren. "Welk een wild gedruisch en geraas placht er voor deze tent te heerschen? Niets dan met stokken werpen, met den bal slaan, worstelen, liederen uitbrullen, en flesschen ledigen onder die stuursche boeren, als of zij eene dorpskermis vierden, met een meiboom in hun midden, in plaats van den koninklijken standaard."
"Bulhonden zijn een trouw ras," zeide de markies; "en de Koning, hun meester, heeft hunne liefde gewonnen, door gereed te zijn om het eerst onder hen te worstelen, te schreeuwen of te jubelen, zoodra dit hem in den zin kwam."
"Hij is een en al gril," hervatte de grootmeester. "Hebt gij den dronk opgemerkt, dien hij ons in plaats van een gebed bij zijn beker toebracht?"
"Hij zou de werking van dien beker eens voelen," hernam de Markies, "als Saladin gelijk was aan ieder ander Turk, die ooit den tulband droeg, of zich op de stem van den Muezzin naar Mekka wendde. Maar hij veinst braafheid, eer en edelmoedigheid,--alsof het een ongedoopten hond, gelijk hij is, paste het deugdzaam gedrag van een Christen ridder na te volgen. Men zegt, dat hij zich tot Richard gewend heeft, om in de ridderschap aangenomen te worden."
"Bij St. Bernard!" riep de grootmeester uit, "dan ware het tijd voor ons, om onze zwaarden en sporen weg te werpen, Koenraad, onze wapens uit te wisschen, en onze helmen af te leggen, wanneer de hoogste eer van het Christendom verleend werd aan een ellendigen ongedoopten Turk, die geen tien stuivers waard is."
"Gij schat den sultan niet hoog," hervatte de markies; "en toch, schoon hij nog al het voorkomen van een flink man heeft, heb ik er beteren voor veertig stuivers in de galeiën zien verkoopen."
Zij waren nu dicht bij hunne paarden, die op eenigen afstand van de koninklijke tent stonden, en steigerden te midden van het zwierige gevolg van schildknapen en pages, die hen begeleidden, toen Koenraad, na een oogenblik zwijgen, voorstelde, om de koelheid te genieten van den avondwind, die was opgestoken, en hunne paarden en bedienden ontslaande, naar hunne eigen kwartieren te wandelen door de uitgebreide liniën van het Christen leger. De grootmeester stemde hierin toe, en zij wandelden dus te zamen verder, terwijl zij, als bij onderlinge overeenkomst, de meer bewoonde gedeelten van de linnen stad vermeden, en door de breede esplanaden gingen, die tusschen de tent en de buitenste verdedigingswerken lagen, waar zij in het geheim en onopgemerkt konden spreken, behalve wanneer zij schildwachten voorbij moesten.
Zij spraken een tijdlang over de militaire aangelegenheden en de middelen tot verdediging; maar dit onderwerp van gesprek, waarin geen van beide veel belang scheen te stellen, raakte spoedig uitgeput, en er ontstond eene lange stilte, die eindigde, door dat de markies van Montserrat bleef staan, als iemand, die een plotseling besluit genomen heeft, en eenige oogenblikken het somber, onbuigzaam gelaat van den grootmeester aanschouwende, hem aldus toesprak: "Zoo het met uwe dapperheid en heiligheid overeenkomt, eerwaarde ridder Giles Amaury, dan wilde ik u wel verzoeken, om voor een enkele maal het donkere vizier af te leggen, dat gij draagt, en u met een vriend met ontbloot gelaat te onderhouden."
De Tempelier zeide half glimlachend: "er zijn zoo wel lichtgekleurde maskers, als donkere vizieren, en de eerste verbergen de natuurlijke trekken even volmaakt als de laatste."
"Het zij zoo," antwoordde de markies, de hand aan zijne kin leggende, en die met de beweging van iemand, die zich ontmaskert, wegtrekkende, "daar ligt mijne vermomming. En nu, wat dunkt u van de belangen van uwe eigen orde, of de vooruitzichten van dezen kruistocht?"
"Dat noem ik den sluier van mijne gedachten afrukken, veeleer dan de uwe blootleggen," hervatte de grootmeester; "nochtans wil ik met eene gelijkenis antwoorden, die mij een santon uit de woestijn heeft verteld.--Een landman bad den Hemel om regen, en morde, als die niet naar zijne behoefte viel. Om zijn ongeduld te bestraffen, zond Allah den Eufraat, over zijne landerijen, en hij verging met al zijne bezittingen door de bevrediging van het geen hij zelf gewenscht had."
"Zeer waar gesproken", zeide markies Koenraad; "had toch de oceaan negen tienden van de benden van deze vorsten verzwolgen! Het overschot zou tot grooter voordeel der Christen edelen van Palestina, het ellendig overschot van het Latijnsche koninkrijk van Jeruzalem, hebben gestrekt. Aan ons zelven overgelaten, konden wij voor den storm gebukt, of, matig met geld en troepen ondersteund, Saladin gedwongen hebben, om onze dapperheid te eerbiedigen, en ons op voordeelige voorwaarden vrede en bescherming te schenken. Maar wegens het groote gevaar, waarmede deze kruistocht den Sultan bedreigt, kunnen wij niet hopen, wanneer die zal afgeloopen zijn, dat de Sarraceen dulden zal, dat een van ons bezittingen of vorstendommen in Syrië behoudt, en nog veel minder het bestaan der krijgshaftige orden vergunnen, waarvan zij zoo veel onheil ondervonden hebben."
"Ja maar," zeide de Tempelier, "deze ondernemende kruisvaarders konden er wel eens in slagen, om het kruis weder op de wallen van Sion te planten."
"En wat zou dit de orde der Tempeliers of Koenraad van Montserrat baten?" vroeg de markies.
"U kan het voordeel aanbrengen," antwoordde de grootmeester. "Koenraad van Montserrat zou Koning Koenraad van Jeruzalem kunnen worden."
"Dat klinkt naar iets," hervatte de markies, "en toch klinkt het maar hol.--Godfried van Bouillon had wel reden om de doornenkroon tot zijn zinnebeeld te kiezen. Grootmeester, ik wil u bekennen, dat ik eenige liefde voor de Oostersche wijze van regeeren heb gekregen: eene zuivere en eenvoudige alleenheerschappij moest alleen uit Koning en onderdanen bestaan. Dit is het eenvoudige en oorspronkelijke gebouw--een herder en zijne kudde. Deze geheele binnenlandsche keten van leenroerige afhankelijkheid is kunstmatig en valsch, en ik wilde liever den staf van mijn arm markgraafschap met vaste hand houden, en hem naar welbehagen zwaaien, dan den scepter voeren van een monarch, om in werkelijkheid in bedwang te worden gehouden door den wil van even zoovele trotsche, leenroerige barons, als er land is onder het gebied van Jeruzalem. Een Koning moet vrij voort kunnen gaan, grootmeester, en niet belemmerd worden hier door eene gracht, en ginds door een vestingwerk, hier door een leenroerig voorrecht, en daar door een geharnasten baron met het zwaard in de hand om het te verdedigen. En om het geheel volkomen te maken, ik begrijp zeer wel, dat de eischen van Guy de Lusignan op den troon boven de mijne zouden gesteld worden, als Richard herstelt en iets over de keus te zeggen heeft."
"Genoeg," hernam de grootmeester, "gij hebt mij wezenlijk van uwe oprechtheid overtuigd. Anderen mogen dezelfde vermoedens koesteren, maar weinigen op Koenraad van Montserrat na zouden vrijuit durven bekennen, dat zij het herstel van het koninkrijk Jeruzalem niet verlangen, maar liever meester van een brokstuk van zijne overblijfselen zouden willen zijn; even als de onbeschaafde eilanders, die niet voor de redding van een schoon, door de baren geteisterd schip werken, daar zij veeleer hopen zich ten koste van het wrak te verrijken."
"Gij zult toch mijn geheim niet willen verraden?" zeide Koenraad met een achterdochtig en listig gelaat. "Houd u overtuigd, dat mijne tong nooit mijn hoofd onrecht zal aandoen, en dat mijne hand nooit de verdediging van beide zal verzuimen. Beschuldig mij, zoo gij wilt.--Ik ben bereid, om mij in het strijdperk te verdedigen tegen den besten Tempelier, die ooit een lans gevoerd heeft."
"Toch schrikt gij wat spoedig voor een zoo moedig ros," hernam de grootmeester. "Maar ik zweer u bij den heiligen Tempel, dien onze orde gezworen heeft te verdedigen, dat ik, als trouw kameraad, uw geheim zal bewaren."
"Bij welken tempel?" vroeg de markies van Montserrat, wiens lust voor spot dikwijls verder ging dan met zijn belang en bescheidenheid overeenkwam. "Zweert gij bij dien op den heuvel van Sion, dien Koning Salomo gebouwd heeft, of bij dat zinnebeeldig gebouw, waarvan men zegt, dat in de raadsvergaderingen, die in de gewelven uwer preceptorijen gehouden worden, over de vergrooting van uwe dappere en eerwaardige orde gesproken wordt?"
De Tempelier zag hem met een verpletterenden blik aan, maar antwoordde bedaard: "bij welken tempel ik ook moge zweren, wees verzekerd, markies, dat mijn eed heilig is.--Ik wenschte dat ik wist, hoe ik u door een eed van evenveel kracht kon verbinden."
"Ik wil u de waarheid zweren," hervatte de markies lachend, "bij mijn kroontje, dat ik voor het einde van dezen oorlog tegen iets beters hoop te verwisselen. Deze geringe kroon voelt koud op mijn voorhoofd; een hertogshoed zou eene betere beschutting zijn tegen een nachtwind, zoo als thans waait; en eene koningskroon zou nog verreweg de voorkeur verdienen, daar deze behoorlijk met hermelijn en fluweel gevoerd is. In één woord, ons eigen belang verbindt ons aan elkander; want geloof niet, heer grootmeester, dat, zoo deze verbonden vorsten Jeruzalem weder veroverden en daar een Koning van hunne keus plaatsten, zij uwe orde meer dan mijn arm markgraafschap in zijne tegenwoordige onafhankelijkheid dulden zouden. Neen, bij onze heilige Maagd! in dit geval moeten de trotsche ridders van St. Jan weder in de hospitalen pleisters smeren en pestzweren verbinden; en gij, zeer matige en eerwaarde ridders van den Tempel, moet tot uw stand van eenvoudige krijgslieden terugkeeren, met hun drieën op het stroo slapen, en twee op één paard rijden, zoo als uw tegenwoordig zegel nog aanduidt, dat uwe oude en zeer eenvoudige gewoonte geweest is."
"Rang, voorrechten en rijkdom van onze orde beletten zulk eene vernedering, als waarmede gij ons bedreigt," zeide de Tempelier op trotschen toon.
"Dat zal juist tot uw verderf strekken", antwoordde Koenraad van Montserrat, "en gij weet even goed als ik, eerwaarde grootmeester, dat, zoo de verbonden vorsten wel slaagden in Palestina, het hun eerste staatkundige daad zou zijn, om de onafhankelijkheid uwer orde te beperken, zoo als gij sedert lang zoudt ondervonden hebben, zonder de bescherming van onzen heiligen Vader, den Paus, en de noodzakelijkheid om van uwe dapperheid bij de verovering van Palestina gebruik te maken. Bezorg hun een volkomen goeden uitslag, en gij zult terzijde gezet worden, gelijk de splinters van eene gebroken lans uit de toernooiplaats worden geworpen."
"Er kan waarheid zijn in hetgeen gij zegt," hernam de Tempelier met een somberen glimlach, "maar wat zou onze toekomst zijn, indien de verbondenen hunne macht terugtrokken en Palestina in het bezit lieten van Saladin?"
"Groot en zeker," hervatte Koenraad; "de Sultan zou uitgestrekte landstreken geven, om een schaar van goed geoefende Frankische lansdragers ter zijner beschikking te hebben. In Egypte, in Perzië zouden honderd zulke bondgenooten, gevoegd bij zijne eigen lichte ruiters, de overwinning op de meest geduchte overmacht behalen. Deze afhankelijkheid zou slechts een tijdlang duren--misschien gedurende het leven van dezen ondernemenden Sultan--maar in het Oosten komen de machtigen op als paddestoelen. Onderstel dat hij dood was, en dat wij door eene voortdurende aanvulling van krachtige en ondernemende mannen uit Europa versterkt werden, wat konden wij niet hopen te volbrengen, bevrijd van den toestand van deze monarchen, wier waardigheid ons thans in de schaduw stelt--en die, zoo zij hier bleven en in dezen krijgstocht overwonnen, ons gaarne voor altijd tot vernedering en afhankelijkheid zouden willen veroordeelen?"
"Goed gesproken, heer markies," hervatte de grootmeester; "en uwe woorden vinden weerklank in mijn hart. Maar wij moeten voorzichtig zijn; Filips van Frankrijk is even verstandig als dapper."
"Dat is waar, en des te eerder zal hij van een krijgstocht kunnen afgebracht worden, waartoe hij zich in een oogenblik van verbijstering, of op aandrang van zijne edelen, overijld verbonden heeft. Hij is jaloersch op Koning Richard, zijn natuurlijken vijand, en verlangt terug te keeren, ten einde eerzuchtige plannen ten uitvoer te brengen, die nader bij Parijs dan bij Palestina liggen. Ieder geschikt voorwendsel zal hem dienstig zijn, om zich van een tooneel te verwijderen, waar hij bemerkte, dat hij de kracht van zijn koninkrijk verspilt."
"En de hertog van Oostenrijk?" vroeg de Tempelier.
"O, wat den hertog betreft," antwoordde Koenraad, "zijn eigenwaan en zijne dwaasheid brengen hem tot dezelfde gevolgtrekkingen, als de staatkunde en wijsheid van Filips. Hij verbeeldt zich, God helpe hem, dat hij ondankbaar behandeld wordt, omdat de monden der menschen--zelfs die van zijne eigen minnezangers--vol zijn van den lof van Koning Richard, dien hij vreest en haat, en in wiens ongeluk hij zich verheugen zou, evenals die niet afgerichte bastaardhonden, die als de voorste van den troep door een greep van den wolf lijdt, hem veeleer van achteren zullen aanvallen, dan hem te hulp komen.--Maar waarom zeg ik u dit, behalve om u te toonen, dat ik oprecht ben in mijn wensch, dat dit verbond moge worden verbroken, en het land bevrijd van deze groote monarchen met hunne legers? En gij hebt zelf gezien, hoe al de Vorsten van invloed en macht, op een enkele na, begeerig zijn om met den Sultan in onderhandeling te treden."
"Dit erken ik," hernam de Tempelier, "men moest blind zijn, zoo men dit niet bij hunne laatste beraadslagingen bespeurd had. Maar licht uw masker nog een duim hooger op, en zeg mij de ware reden, waarom gij dien noordschen Engelschman of Schot, of hoe gij dien ridder van den Luipaard noemt, aan den raad opgedrongen hebt, om hunne voorstellen betreffende eene onderhandeling over te brengen?"
"Daar was staatkunde in," hervatte de Italiaan; "zijn karakter, als inboorling van Brittannië, was voldoende, om de wenschen van Saladin te gemoet te komen, daar hij wist, dat hij tot het leger van Richard behoorde, terwijl zijn karakter van Schot en eenige andere persoonlijke oneenigheden, waarvan ik kennis droeg, het zeer onwaarschijnlijk maakten, dat onze afgevaardigde, bij zijne terugkomst, eenige verbintenis met den zieken Richard zou houden, daar aan dezen zijne tegenwoordigheid altijd onaangenaam was."