De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage

Part 9

Chapter 93,709 wordsPublic domain

Texar, die door dat antwoord direct aangevallen was, werd daardoor niet uit het veld geslagen. Integendeel, hij zette een nog hoogere borst dan vroeger.

»En nu verder?" zei James Burbank.

»Verder?"... antwoordde de Spanjaard.

»Ja, verder? Is dat alles, waarvoor ik hier heb moeten komen?"

»Welnu," sprak Texar met de grootste heftigheid. »In dit oogenblik dat het land in opstand komt, om de instelling der slavernij te behouden, in dit oogenblik dat ieder goedgezind ingezetene van dezen Staat gereed is zijn bloed veil te hebben, om de federalistische troepen, die ons met een inval bedreigen, terug te slaan, beschuldig ik James Burbank, dat hij meeningen toegedaan is, die de instandhouding der slavernij verhinderen en dat hij voor die meeningen propaganda maakt!"

»James Burbank," zei de magistraat, »gij zult begrijpen, dat die beschuldiging in de tijdsomstandigheden, welke wij doorworstelen, buitengewoon ernstig en belangrijk is. Ik moet u dus verzoeken daarop te antwoorden."

»Mijnheer," hernam James Burbank, »mijn antwoord zal zeer eenvoudig zijn. Ik heb nimmer eenige propaganda gemaakt en zal dat ook nimmer doen. Die beschuldiging is valsch!"

»Maar uwe meeningen omtrent de slavernij?"

»Wat die meeningen betreft, veroorloof mij, heer rechter, die hier uit te drukken. Ja! ik ben voor de afschaffing der slavernij! Ja! ik betreur innig den strijd, dien het Zuiden tegen het Noorden volhoudt! Ja! ik vrees, dat het Zuiden rampen tegemoet gaat, die het had kunnen vermijden! En in het belang van dat ongelukkige land zelve had ik gewenscht, dat het een anderen weg had ingeslagen, dan over te gaan tot dien noodlottigen oorlog, die tegen de reden en tegen het algemeen gezond verstand gevoerd wordt. Er zal een dag komen, dat gij u herinneren zult, dat zij die u woorden doen hooren, als die welke ik uitsprak, geen ongelijk hadden..."

Een gehuil van woede, dat in de zaal opsteeg, brak hier de rede van den spreker af. Met over elkander geslagen armen wachtte hij.... en toen de stilte weer eenigermate ingetreden was, toen hij zich althans weer kon doen verstaan, vervolgde hij:

»Wanneer het uur van een moreelen vooruitgang, van eene hervorming, eene herschepping geslagen heeft, dan is het dwaasheid zich daartegen te verzetten. Daarenboven, de afscheiding van het Noorden van het Zuiden zou eene misdaad tegenover het Amerikaansche vaderland zijn! Noch het gezond verstand, noch de rechtvaardigheid, noch de billijkheid, noch de macht zijn op uwe zijde, en derhalve, geloof mij, zal die misdaad niet voltrokken worden!"

Thans heerschte er stilte in de gerechtszaal. Dat duurde evenwel slechts kort. Toen eenig goedkeurend gemompel die vaderlandslievende woorden begroette, werd dat onmiddellijk door een heftig geschreeuw overstemd. De meerderheid van het publiek, hetwelk uit lieden van zeer gering allooi bestond, kon zulke taal niet verdragen.

Toen eindelijk de magistraat er in geslaagd was, de stilte in de gerechtszaal te herstellen, hernam James Burbank het woord:

»En nu," zei hij, »wacht ik dat er meer stellige beschuldigingen zullen worden ingebracht, maar betreffende feiten, niet betreffende meeningen. Als men ze mij bekend zal gemaakt hebben, zal ik er op kunnen antwoorden."

Tegenover eene zoo waardige houding moesten de magistraten zich in het nauw gedrongen gevoelen. Hun was geen enkel feit bekend, dat James Burbank kon ten laste gelegd worden. Hunne rol bestond slechts daarin: gelegenheid te geven om beschuldigingen in te brengen, natuurlijk met de bewijzen tot staving, wanneer het althans mogelijk was die te leveren.

Texar begreep, dat van hem gevergd werd zich nader te verklaren, wanneer hij namelijk zijn doel wilde bereiken.

»Welnu, het zij zoo!" zeide hij. »Ik deel de meening niet, dat men zich op het punt der quaestie omtrent de slavernij op de vrijheid van denken kan beroepen, vooral wanneer een geheel land in opstand geraakt om die quaestie te steunen. Maar, al is het waar, dat James Burbank het recht heeft te denken zooals hij wil over dat vraagstuk, al is het waar, dat hij zich onthouden heeft aanhangers voor zijne meeningen te werven, dan toch ontziet hij zich niet gemeenschap te onderhouden met den vijand, die de grenzen van Florida genaderd is."

Die beschuldiging van medeplichtigheid met de Noordelijken was zeer gewichtig in de gegeven omstandigheden. Iedereen begreep dat en allerwege werd dan ook hartstochtelijk gemompeld. Intusschen was het gesprokene nog slechts eene beschuldiging vervat in woorden. Wilde zij eenige waarde erlangen, dan moest zij door onwraakbare feiten gestaafd worden.

»Gij beweert, dat ik in verbinding met den vijand sta?" vroeg James Burbank.

»Ja!" bevestigde Texar.

»Gij zult dat wel kunnen bewijzen, niet waar?"

»Zooals gij verkiest," hernam Texar.

»Komaan, ik luister."

»Wij luisteren," herhaalden de magistraten.

»Het is nu ongeveer drie weken geleden," getuigde Texar, »dat een man, die naar James Burbank gezonden was, het federalistisch leger of de flottilje van den Commodore Dupont verlaten heeft. Die man is naar Camdless-Bay gegaan en hij is gevolgd en bespied geworden van het oogenblik af, dat hij de grens van den Staat Florida overschreden heeft en gedurende den tijd, dien hij op de plantage doorgebracht heeft.--Zult gij dat loochenen, James Burbank?"

Klaarblijkelijk gold het hier den bode, die den brief van den jeugdigen luitenant aangebracht heeft. De spionnen van Texar hadden zich dienaangaande niet vergist. Dezen keer klonk de beschuldiging afdoende, en men wachtte niet zonder ongerustheid, welk antwoord James Burbank daarop zou geven.

Deze aarzelde geen enkel oogenblik om de stipte waarheid mede te deelen.

»Inderdaad," zei hij, »is tegen dat tijdstip een man op Camdless-Bay aangekomen. Maar hij was geen vijand; hij was slechts een bode. Hij behoorde in geenen deele tot het federalistisch leger en bracht eenvoudig een brief van mijn zoon over."

»Een brief van uw' zoon!" riep Texar uit.

»Ja, van mijn zoon. Wat is daar vreemds in? Zou dat ook bij geval verboden zijn?"

»Van uw zoon," vervolgde Texar, »die, als ik goed ingelicht ben, dienst genomen heeft bij de krijgsmacht der Noordelijken! Van uw zoon, die zich misschien in de voorste gelederen bevindt van de troepen, die op marsch zijn om een inval in Florida te bewerkstelligen!"

De woestheid, waarmede Texar die woorden uitgalmde, bleef niet in gebreke grooten invloed op het publiek in de gerechtszaal uit te oefenen. Wanneer James Burbank, na erkend te hebben, dat hij een brief van zijn zoon ontvangen had, thans zou bekennen dat Gilbert zich in de gelederen van de federalistische krijgsmacht bevond, hoe zou hij zich dan met vrucht kunnen verdedigen tegen de beschuldiging, briefwisseling gehouden te hebben met de vijanden van de Zuidelijken?

»Wenscht gij te antwoorden op de beschuldigingen, die tegen uwen zoon ingebracht zijn?" vroeg de magistraat.

»Neen, mijnheer," antwoordde James Burbank met kalme maar vastberaden stem. »Ik heb daarop niet te antwoorden. Voor zoover ik weet, geldt het thans mijn zoon niet. Ik alleen ben beschuldigd in verbinding gestaan te hebben met het federalistisch leger. Welnu, dat loochen ik, en ik tart dien man, die mij slechts uit persoonlijken haat aanvalt, te bewijzen wat hij zegt!"

»Hij bekent dus," riep Texar uit, »dat zijn zoon zich in de gelederen bevindt van hen, die tegen de geconfedereerden strijden!"

»Ik heb daaromtrent niets te bekennen," antwoordde James Burbank »Gij poogt de rollen te verwisselen."

Texar knarsetandde van woede. Burbank vervolgde echter onverstoorbaar kalm:

»Gij moet eene beschuldiging met bewijzen staven."

»Welnu, dat zal ik!" riep de Spanjaard uit.

»Ik ben geheel gehoor," zei James Burbank hoonend.

»Wij luisteren," zeiden de magistraten ernstig.

»Binnen weinige dagen zal ik in het bezit zijn van dat bewijs, dat men thans van mij vergt, en als ik het zal hebben...."

»Als gij het zult hebben," sprak de magistraat, »dan zullen wij kunnen oordeelen, dan zullen wij uitspraak kunnen doen. Maar, tot nu toe zie ik nog niets, wat op eenige schuld van James Burbank zou wijzen."

Die magistraat sprak, toen hij die woorden deed hooren, als een onkreukbaar eerlijk man. En ongetwijfeld had hij gelijk. Maar hij had tegenover een publiek, hetwelk zoo vooringenomen tegen den kolonist van Camdless-Bay was, ongelijk gelijk te hebben. Hieruit ontstond gemompel, zelfs protest tegen de makkers van Texar, welke zijne beschuldigingen steunden. De Spanjaard gevoelde dat wel. Hij liet dan ook de daadzaken betreffende Gilbert Burbank varen en herhaalde zijne beschuldigingen tegen den vader.

»Ja," zei hij, »ik zal alles bewijzen, wat ik beweerd heb, namelijk dat James Burbank briefwisseling onderhoudt met den vijand, die zich gereed maakt om Florida binnen te rukken. In afwachting meen ik dat de meeningen, die hij koestert en verkondigt, en die heilloos voor de zaak der slavernij moeten gerekend worden, een publiek gevaar voor den Staat daarstellen. Ik verg dan ook in naam van al de slavenbezitters, die zich nimmer aan het juk zullen onderwerpen, hetwelk de Noordelijken hen wenschen op te leggen, dat men hem gevangenneme, om hem onschadelijk te maken!"

»Ja!... Ja!..." riepen al de aanhangers van Texar, terwijl een gedeelte van de aanwezigen tevergeefs poogde te protesteeren tegen zulk een niet te qualificeeren eisch.

Het rumoer was vreeselijk en duurde geruimen tijd. Het gelukte den rechter evenwel, na herhaalde pogingen, eenigermate stilte te verkrijgen. James Burbank nam toen het woord.

»Ik verzet mij uit alle macht, krachtens het recht," zei hij, »tegen den willekeurigen maatregel, waartoe men de rechtbank dwingen wil. Dat ik voor de afschaffing der slavernij gestemd ben! Ja! dat is waar. Ik heb dat reeds beleden. Maar in het vrije Amerika, onder een bestuurs-stelsel, dat geheel en al op vrijheid gegrond is, zijn de meeningen vrij. Het is geene misdaad, geene overtreding, tegen den slavenhandel te zijn, en derhalve waar geen schuld, geen overtreding bestaat, kan de wet onmogelijk straf opleggen!"

Luide en talrijke goedkeuringen schenen James Burbank gelijk te geven. Thans scheen het Texar toe, dat de gelegenheid gekomen was om van taktiek te veranderen, daar zijne aanvallen tot nu toe mislukt waren. Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat hij eensklaps en geheel onverwacht James Burbank toevoegde:

»Welnu, stel dan uwe slaven in vrijheid, daar gij verklaart tegen de slavernij gestemd te zijn!"

»Dat zal ik doen," antwoordde James Burbank.

»Zoo? maar wanneer?"

»Wanneer het oogenblik daartoe aangebroken zal zijn."

»Inderdaad? Ja, wanneer het federalistisch leger meester in Florida zal zijn, niet waar?" grinnikte Texar hoonend. »Gij wacht op de soldaten van Sherman en op de mariniers van Dupont, om den moed te hebben uwe daden met uwe denkbeelden in overeenstemming te brengen! Dat is voorzichtig, maar tevens laf!"

»Laf?..." riep James Burbank, die niet begreep dat zijn ellendige tegenstander hem een strik spande, verontwaardigd uit.... »Laf?...."

»Ja, laf!" herhaalde Texar tartend. »Kom, laat zien. Heb toch den moed om uwe meeningen en denkbeelden in praktijk uit te voeren!"

»Ja, dien moed dient men te bezitten, wanneer men tegen de slavernij gekant is!" huilden verscheidene stemmen in de zaal.

»Stilte!" gebood de magistraat.

»Stilte!" schreeuwde de deurwaarder.

Toen die verkregen was, vervolgde Texar steeds hoonend:

»Waarlijk, ik geloof, dat ik niet ver van de waarheid verwijderd ben, wanneer ik beweer, dat gij slechts een gemakkelijk middel aanwendt om eene soort populariteit bij de Noordelijken na te jagen!"

James Burbank knarsetandde en balde de vuisten bij die zoo beleedigende woorden.

Texar vervolgde:

»Ja, anti-slaafsgezinde voor de leus, en in schijn zijt gij slechts een huichelaar; want inderdaad zijt gij in den grond van uw hart uit eigenbelang een voorstander van het behoud der slavernij!"

James Burbank had onder dien hoon zijne gestalte verheven. Dat was meer dan hij verdragen kon. Zoo'n verwijt van huichelarij was blijkbaar in tegenspraak met zijn geheele leven, hetwelk een leven van toewijding en loyauteit kon genoemd worden. Hij wierp een grimmigen blik van verachting op den ellendeling, en niemand verwonderde zich toen hij met eene luide en heldere stem, die door allen gehoord werd, antwoordde:

»Bewoners van Jacksonville, van heden af bezit ik geen enkelen slaaf meer! Van heden af proclameer ik de invrijheidstelling van alle mijne slaven, en de afschaffing der slavernij op mijne geheele bezitting van Camdless-Bay! En die woorden zal ik gestand doen!"

In het eerste oogenblik werd die stoutmoedige verklaring met eenige hoerah-kreten beantwoord.

Ja, er was waarlijk moed toe noodig. Ja, moed! Maar of James Burbank voorzichtig gehandeld had? Instinctmatig gevoelde hij, dat hij zich door zijne verontwaardiging had laten vervoeren.

Nu was het maar al te duidelijk, dat die maatregel de belangen der andere planters in Florida zeer zou benadeelen. Dit bewustzijn bracht eene plotselinge verkoeling teweeg, die hare terugwerking op de aanwezigen in de gerechtszaal van Court-Justice niet miste. De eerste goedkeurende kreten voor den kolonist van Camdless-Bay werden spoedig overstemd en gesmoord door verwenschingen, die niet alleen geuit werden door hen, die uit grondbeginsel de slavernij toegedaan waren, maar zelfs door hen, die zich tot nu toe onverschillig voor het vraagstuk van den slavenhandel gevoeld hadden. En de vrienden en aanhangers van Texar zouden voorzeker van dien ommekeer der gevoelens en de gemoederen gebruik gemaakt hebben, om zich aan daden van geweld tegen James Burbank over te geven, wanneer de Spanjaard zelf hen niet weerhouden had.

»Laat af!" sprak hij bevelend.

En toen zijne makkers hem verwonderd aankeken, vervolgde hij:

»Laat begaan! James Burbank heeft zich zelven ontwapend!... Thans is hij ons!"

Die woorden, waarvan de lezer weldra de beteekenis zal begrijpen, waren voldoende, om zijne aanhangers van gewelddadigheden te doen afzien.

James Burbank werd dan ook in het geheel niet verontrust of lastig gevallen, toen de magistraten hem gezegd hadden, dat hij kon vertrekken. Bij afwezigheid zelfs van het geringste bewijsstuk, had men onmogelijk den eisch tot gevangenneming, door Texar gesteld, kunnen inwilligen.

Wanneer de Spanjaard, die zijne beweringen bleef volhouden, later deugdelijke en afdoende bewijzen zoude leveren omtrent de beweerde strafbare mededeelingen van James Burbank aan den vijand, dan zouden de overheden de vervolging hervatten. Maar tot zoolang moest de eigenaar van Camdless-Bay in vrijheid blijven.

Het is waar, die verklaring van de invrijheidstelling van het slavenpersoneel van Camdless-Bay, in het publiek afgelegd, zou later tegen de autoriteiten der stad en in het voordeel der muiterspartij aangewend worden.

Hoe het ook zij, hoewel James Burbank bij het verlaten van Court-Justice, door een menigte gevolgd werd, die zeer veel kwaadgezindheid jegens hem aan den dag legde, slaagden de politie-agenten er toch in, om te beletten dat gewelddadigheid werd gepleegd. Hij werd uitgejouwd, ja zelfs bedreigd; maar hij ondervond geen enkele daad van mishandeling. Blijkbaar beschermde de invloed van Texar hem.

James Burbank kon dus ongehinderd de havenkade bereiken, alwaar zijn vaartuig hem wachtte. Daar nam hij afscheid van master Harvey, zijn correspondent, die hem geen oogenblik verlaten had.

Toen hij in de boot gestapt was, werd dadelijk van wal gestoken, en dank zij der lichaamskracht zijner roeiers, was hij weldra buiten het bereik van het schelden en schreeuwen, waarmede het plebs van Jacksonville zijn vertrek had meenen te moeten begroeten.

Daar de eb zwaar doorstond, had het vaartuig, dat met den zeer sterken stroom te worstelen had, niet minder dan twee uren noodig, om de aanlegplaats van Camdless-Bay, alwaar de geheele familie en de gasten van Castle-House James Burbank stonden op te wachten, te bereiken. Het zal wel onnoodig zijn de vreugde te beschrijven van dien kleinen kring bij dat weerzien. Er hadden toch zooveel redenen bestaan om te vreezen, dat men den edelaardigen man weerhouden zou hebben.

»Dus niet weggebleven, paatjelief!" riep de kleine Dy, terwijl zij in de handjes klapte.

»Neen, neen! mijn dotje!" riep de gelukkige vader, terwijl hij het kleine meisje optilde en haar met kussen overdekte. »Neen, neen!... Ik had je beloofd om vóór het diner terug te zijn. En je weet, lieveling, dat ik mijne beloften steeds stipt nakom."

»Ja, dat weet ik!" juichte het kind. »Ja, dat zie ik, beste papa!"

VIII.

DE LAATSTE SLAVIN.

Dienzelfden avond, toen de kleine Dy te bed gebracht was, en de familie met hare vrienden te zamen vereenigd zat, stelde James Burbank allen op de hoogte van hetgeen in de gerechtszaal van Court-Justice voorgevallen was.

Hij deelde hen de hatelijke handelingen van Texar mede en stelde in het licht, hoe de dagvaarding, om voor de magistraten te verschijnen, aan den invloed van dien man en aan den aandrang van de lagere volksklasse van Jacksonville toe te schrijven was. Toch verdienden de magistraten slechts lof voor hunne houding in deze zaak. Op de beschuldiging van verstandhouding met de Noordelijken, hadden zij geantwoord met de opvordering van het bewijs der misdaad. En daar Texar dat bewijs niet had kunnen leveren, was James Burbank in vrijheid gelaten.

Intusschen viel het niet te ontkennen, dat te midden dier onbewezen beschuldigingen, de naam van Gilbert uitgesproken was geworden. Het scheen, dat niet in twijfel was getrokken geworden, dat de jonge man in de gelederen van de krijgsmacht der Noordelijken diende. En zou nu de weigering van James Burbank, om zich dienaangaande duidelijk te verklaren, niet als eene soort van erkenning uitgelegd worden?

Die omstandigheid verlevendigde de vrees en de angsten van mevrouw Burbank, van miss Alice en van die geheele familie, die zich toch al niet op haar gemak gevoelde. En die vrees was maar al te zeer gewettigd.

Zouden de woestelingen van Jacksonville, nu de zoon zich buiten hun bereik bevond, zich niet willen wreken op den vader?

Texar had ongetwijfeld gesnoefd, toen hij beloofd had, binnen weinige dagen het bewijs te leveren van de uitgesproken beschuldiging. Maar zou het niet mogelijk zijn, alles wel beschouwd, dat hij er in slaagde om dat bewijs in handen te krijgen? En wanneer dat geschiedde, dan zou de toestand in de hoogste mate onrustbarend worden. Dat moesten allen inderdaad erkennen.

»Mijn arme Gilbert!" riep mevrouw Burbank uit. »Te weten, dat hij zich zoozeer in de nabijheid van dien Texar bevindt, die tot alles in staat is om zijn doel te bereiken!"

»Ja, dat is die ellendeling!" beaamde James Burbank.

»Maar, zou men Gilbert niet op de hoogte kunnen stellen van hetgeen te Jacksonville voorgevallen is?" vroeg miss Alice.

»Mij dunkt van ja," zei Edward Carrol.

»Mij dunkt, dat zoo iets moet geschieden," beaamde master Walter Stannard. »Vooral zouden wij hem moeten aanbevelen, dat iedere onvoorzichtige daad zijnerzijds de meest noodlottige gevolgen voor zijne familie-betrekkingen en ook voor hem zelven zoude hebben."

»Maar hoe in verbinding met hem te komen?" vroeg James Burbank bezorgd.

»Ja, hoe? Die vraag heb ik mij al gedaan," zei Edward Carrol.

»Het is maar al te zeker," ging James Burbank voort, »dat voortdurend spionnen rondom Camdless-Bay zwerven. Reeds is de bode, dien Gilbert ons toegezonden heeft, bij zijn terugkeer gevolgd en bespied geworden. Iedere brief, dien wij Gilbert zouden schrijven, loopt gevaar in handen van Texar te vallen. Ieder man, dien wij met eene mondelinge boodschap tot hem zouden zenden, loopt gevaar onderweg aangehouden te worden."

»Dat is waar," beaamde master Walter Stannard met een hoofdknik.

»Neen, vriend," vervolgde de eigenaar van Camdless-Bay, »laten wij niets beproeven of ondernemen, hetgeen den toestand zou kunnen verergeren."

»En geve de hemel!" zuchtte mevrouw Burbank, »dat het federalistisch leger Florida spoedig moge bezetten!"

»Ja, waarlijk, dat wordt inderdaad wenschelijk voor de minderheid der eerlijke lieden," zei Walter Stannard, »die zoo ergerlijk door de meerderheid der schurken in het land bedreigd wordt."

Inderdaad, James Burbank had gelijk. Het zou ten gevolge van het toezicht, dat ongetwijfeld rondom de plantage uitgeoefend werd, zeer onvoorzichtig zijn geweest, briefwisseling met Gilbert te houden. Daarenboven, het oogenblik naderde ras, waarin James Burbank en met hem alle noordelijk-gezinden onder de bescherming van het federalistisch leger volkomen in veiligheid zouden zijn.

En waarlijk, den volgenden morgen reeds zou de Commodore Dupont het anker lichten om van de reede te Edisto te vertrekken. Vóor dat drie dagen verloopen zouden zijn, zou men ongetwijfeld de tijding vernemen, dat de flottilje, na de kuststreek van Georgië voorbij gestevend te zijn, in de baai van Sint Andrews aangekomen was.

James Burbank vertelde toen ook de ernstige mededeeling, in tegenwoordigheid der magistraten van Jacksonville gedaan. Hij deelde mede, hoe hij genoodzaakt was geworden, door de uitdaging van Texar met betrekking tot de slaven van Camdless-Bay, om te handelen zooals hij deed. Door zijn goed recht en door zijn geweten gesteund, had hij in het openbaar de afschaffing der slavernij op zijn landgoed verklaard. Wat nog geen Zuidelijke Staat had durven afkondigen, zonder daartoe door wapengeweld genoodzaakt te zijn, had hij vrijwillig en geheel en al uit vrije beweging gedaan.

Die invrijheidstelling was even stoutmoedig als edelmoedig, voorwaar!

Welke zouden er de gevolgen van zijn? Dat kon natuurlijk niemand voorspellen.

Klaarblijkelijk evenwel was zij weinig geschikt, om den toestand van James Burbank minder bedreigd en onrustwekkend te midden van die slavenhoudende bevolking te maken. Misschien zou zij zelfs aanleiding geven, om de neiging tot opstand onder de slaven der andere plantages eenigermate voedsel te verschaffen.

Maar die bijomstandigheid mocht niet wegen! De familie Burbank, bewogen door de grootschheid der daad, keurde ten volle en geheel onvoorwaardelijk de gedragslijn van haar hoofd goed.

»James," zei mevrouw Burbank, »wat er ook gebeuren moge, gij hebt gelijk gehad met de hatelijke insinuatiën, welke u door dien Texar, dien ellendeling, naar het hoofd geslingerd werden, te beantwoorden zooals gij gedaan hebt."

»Wij zijn trotsch op u, vader," vulde miss Alice aan, die voor den eersten keer aan master Burbank den naam van vader gaf, »ik sluit mij aan bij de gedachte van Gilberts moeder."

»Gij hebt goed gehandeld, master James Burbank!" betuigden èn Edward Carrol èn Walter Stannard.

»En thans, geliefde dochter," sprak de eigenaar van Camdless-Bay, terwijl hij Alice's wangen streelde. »En thans, wanneer Gilbert en de federalistische troepen Florida zullen binnenrukken, dan zullen zij op mijn landgoed geen enkelen slaaf meer aantreffen."

»Ik dank u, mijnheer Burbank," sprak Zermah, »ik dank u voor mijne lotgenooten en voor mij."

»Gij behoeft mij daarvoor niet te bedanken, Zermah," zei James Burbank.

»Zeker, master Burbank, zijn wij u dank schuldig, voor de groote gave, die gij ons verleent," antwoordde de mestische.

»Gij beschouwt dus de vrijheid als eene groote gave, Zermah?"

»Wat mij betreft, master Burbank," vervolgde de kleurlinge, »ik heb nimmer den druk, van slavin te zijn, bij u gevoeld. Uwe goedheid en uwe edelaardigheid verschaften mij eene groote mate van vrijheid en ik gevoelde mij even vrij als thans."

»Gij hebt volkomen gelijk, Zermah," hernam mevrouw Burbank. »En verlies nimmer uit het oog, dat slavin of vrij, om het even, wij zullen u steeds liefhebben!"

Zermah poogde, maar tevergeefs, hare aandoening te verbergen. Zij greep de kleine Dy in hare armen, drukte haar aan hare borst en overdekte het kind zenuwachtig met kussen.