De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage

Part 4

Chapter 43,638 wordsPublic domain

Er bestonden vele kanongieterijen in New-Orleans, bij voorbeeld te Memphis. Er werden smederijen te Tredogar, in de nabijheid van Richmond aangetroffen, alwaar Parrot- en Rodman-kanonnen vervaardigd werden. Maar dat kon onmogelijk bij den bestaanden staat van zaken voldoende wezen. Het gouvernement der geconfedereerden deed toen bestellingen in Europa. Luik en Birmingham verzonden geheele scheepsladingen met wapenen, voornamelijk kanonstukken volgens het stelsel van Armstrong en Whitworth. De blokkadebrekers, die katoen tegen spotprijs kwamen laden in de havenplaatsen der Zuidelijken, konden geene vracht dan in ruil van oorlogsmateriëel verkrijgen.

Het leger werd vervolgens uitgerust en georganiseerd. De Generaals der Zuidelijken waren Johnston, Lee, Beauregard, Jackson, Critenden, Floyd, Pillow, enz. Aan de vier honderd duizend vrijwilligers, die voor hoogstens drie jaren en voor minstens een jaar onder de wapenen geroepen waren, voegde men korpsen ongeregelde troepen toe, zooals: militietroepen en guerilla-benden. Dat alles werd op den 8sten Augustus 1861 door het Separatistisch Congres met eene onbeschrijfelijke geestdrift aan den president Jefferson Davis toegestaan.

Alle die voorbereidende maatregelen beletten evenwel niet, dat de strijd hervat werd, zoodra het tweede gedeelte van den eersten winter om was. Van het geheele grondgebied, waarop slaven gehouden werden, was nog slechts Maryland, West-Virginia, eenige gedeelten van Kentucky, het grootste gedeelte van Missouri en een zeker getal plaatsen op de kuststreek door de federalistische troepen bezet.

De vernieuwde vijandelijkheden begonnen het eerst in het oostelijk gedeelte van Kentucky. Op den 7den Januari had Generaal Garfield de geconfedereerde troepen te Middle-Creek geslagen. Op den 20sten daarop volgende delfden zij andermaal het onderspit te Logan-Cross of Mill-Springs. Op den 2den Februari scheepte Generaal Grant zich in met twee divisiën op eenige groote stoombooten van Tennessee, die door de gepantserde flottilje van den Commodore Foote ondersteund werden. Op den 6den reeds viel het fort Henry hem in handen. Zoo werd een schakel van de keten verbroken, »waarop," zooals de geschiedschrijver van dien burgeroorlog verklaart, »het geheele stelsel van verdediging van zijn tegenstander Johnston steunde."

Geheel Cumberland en de hoofdplaats van den Staat Tennessee werden toen onmiddellijk en binnen korten tijd door de federalistische troepen bedreigd. Johnston poogde dan ook zijne geheele macht om het fort Donelson te concentreeren, ten einde een steviger steunpunt te hebben bij den verdedigenden oorlog, welken hij wenschte te voeren.

Tegen datzelfde tijdstip zakte eene andere expeditie, welke bestond uit een korps van zestien duizend manschappen, onder de bevelen van Generaal Burnside, uit een flottilje van vier en twintig stoomschepen, die behoorlijk ten aanval bewapend waren, en uit vijftig transportvaartuigen, de Chesapeake af en stak op den 12den Januari van Hampton Roads in zee. In weerwil dat die scheepsmacht door hevige stormen geteisterd werd, stevende zij de toegangen van Pamlico-Sound binnen, om zich van het eiland Roanoke meester te maken en de kust van Noord-Carolina tot werkeloosheid en onmacht te doemen.

Het eiland was evenwel versterkt. Het toegangs-kanaal werd ten westen verdedigd door eene afdamming van gezonken scheepsrompen. Batterijen en veldverschansingen beletten den toegang. Vijf of zes duizend man, gesteund door een flottilje van zeven kanonneerbooten stonden gereed, om iedere poging tot ontscheping tegen te gaan.

Maar, in weerwil van dat alles, en in weerwil van den moed der verdedigers, in de dagen van den 7den en 8sten Februari ten toon gespreid, viel dat eiland in handen van Burnside, die daarbij twintig kanonnen buit maakte, terwijl hij meer dan tweeduizend man krijgsgevangen maakte.

Daags daarna waren de federalistische troepen meester van Elisabeth City en van de geheele kust van Albermarle Sound, dat wil zeggen van het noorder gedeelte van die binnenzee.

En eindelijk, om deze beschrijving van den toestand tot op den 6den Februari te besluiten, moeten wij nog spreken van dien Generaal der Zuidelijken, van dien gewezen professor in de scheikunde, van Jackson, van dien puriteinschen soldaat, die den Staat Virginia verdedigde.

Nadat Generaal Lee naar Richmond teruggeroepen was, voerde hij het bevel over het Zuidelijke leger. Hij verliet op den 1sten Januari Winchester met zijne tienduizend man, trok het Alleghanies-gebergte over om Bath, aan den Ohio-spoorweg gelegen, te bezetten; maar hij werd door het ruwe weder overwonnen. Sneeuwstormen dreigden zijn leger te vernietigen, zoodat hij verplicht werd naar Winchester terug te keeren, zonder zijn objectief bereikt te hebben.

En nu wat betreft de Zuidelijke kusten en meer in het bijzonder van af den Staat Carolina tot aan Florida, ziehier wat er gebeurd was:

De Noordelijken bezaten gedurende de tweede helft van het jaar 1861 genoeg snelvarende schepen, om het noodige politie-toezicht in die zeeën uit te oefenen, hoewel zij zich niet hadden kunnen meester maken van het beruchte kaperschip Sumter, dat in Januari 1862 Gibraltar aandeed, om de Europeesche wateren te kunnen afschuimen. De Jefferson Davis, die voor de federalistische schepen de wijk moest nemen, wilde zich te Sint Augustijn in Florida in veiligheid stellen, maar verongelukte op het oogenblik, toen zij het vaarwater wilde binnenstevenen.

Bijna terzelfder tijd bemachtigde de Anderson het kaperschip Beauregard.

Maar in Engeland werden nieuwe schepen ter kaapvaart ingericht en gewapend.

Toen vaardigde de president Abraham Lincoln eene proclamatie uit, waarbij de blokkade ook over de kusten van Virginia en over die van Noord-Carolina en zelfs de fictieve blokkade, dat wil zeggen de blokkade op papier, over eene uitgebreidheid van vierduizend vijfhonderd kilometers kustlijn uitgestrekt werd. Om die uitgestrektheid evenwel gade te slaan, had men slechts twee smaldeelen, waarvan het eene de Atlantische kusten, het andere die in de golf van Mexico moest blokkeeren.

De geconfedereerden poogden het eerst op den 12den October de mondingen van den Mississippi-stroom met de Manassas,--het eerste schip, hetwelk gedurende dezen oorlog geblindeerd of gepantserd werd, te bevrijden. Het oorlogsschip werd daarbij door een flottilje branders gesteund. Maar hoe goed ook gesmeed en voorbereid, de aanslag gelukte niet. Het korvetschip Richmond ontsnapte aan het gevaar en kon zich op den 29sten December veilig terugtrekken. Daarentegen slaagde de kleine stoomer Sea Bird er in, eene federalistische goelet in het gezicht van het fort Monroe te bemachtigen.

Intusschen werd het noodig gerekend een punt te bezetten, hetwelk tot operatie-basis kon dienen voor de kruistochten op den Atlantischen Oceaan. Het federalistisch Gouvernement besloot toen tot de bemachtiging van het fort Hatteras, hetwelk den toegang of zeeëngte van dien naam beheerschte en waarlangs de blokkadebrekers veelal hunnen weg namen. De bemachtiging van dat fort was geen gemakkelijke taak. Het hoofdwerk werd door een vierkante redoute gesteund, welke fort Clarke heette. Een duizendtal vrijwilligers en het 7de regiment van Noord-Carolina waren met de verdediging belast.

Maar om het even; het federalistisch smaldeel, bestaande uit twee fregatten, drie korvetten, een adviesvaartuig en twee groote stoombooten, ankerden op den 27sten October voor de zeeëngte. De Commodore Stringham en de Generaal Butler leidden den aanval. Eerst werd de redoute Clarke genomen. Het gevecht duurde voort en eindelijk heesch het fort Hatteras, na langen tijd weerstand geboden te hebben, de witte vlag.

De Noordelijken hadden die operatie-basis voor den geheelen duur van den secessie-oorlog verworven.

In November werd het eiland Santa Rosa, ten oosten van Pensacola, eene onderhoorigheid van de Floridasche kust in de golf van Mexico, in weerwil van den meest hardnekkigen tegenstand, door de Zuidelijken geboden, eindelijk door de federalistische troepen genomen.

Toch scheen het bezit van het fort Hatteras niet voldoende voor de leiding der verdere krijgsoperatiën. Andere punten op de kusten van Zuid-Carolina, van Georgië en van Florida moesten noodzakelijk in bezit genomen worden. Twee stoomfregatten, de Wasbah en de Susquehanna, drie zeilfregatten, vijf korvetten, zes kanonneerbooten, verscheidene adviesvaartuigen, vijfentwintig kolenschepen, beladen met brandstof en met de noodige levensmiddelen en munitiën, twee en dertig stoomschepen met vijftienduizend zeshonderd manschappen aan boord, aangevoerd door Generaal Sherman, werden onder de bevelen van den Commodore Dupont gesteld.

Die flottilje lichtte het anker op den 25sten October en vertrok van het fort Monroe. Na een vrij hevigen storm in volle zee ter hoogte van kaap Hatteras doorstaan te hebben, kwam zij de toegang-vaarwaters van Hilton-Head, tusschen Charlestown en Savannah, verkennen.

Daar wordt de baai van Port-Royal aangetroffen, destijds een der voornaamsten van de Amerikaansche confederatie, alwaar de Generaal Rippley de landmacht der Zuidelijken aanvoerde. De twee forten Walker en Beauregard bestreken den ingang van de baai en waren op vierduizend meters van elkander gelegen. Acht stoombooten werkten tot de verdediging mede; maar wat haar bijna onneembaar maakte, was de zandbank, die er voor ligt en waarop eene vreeselijke branding staat. Die maakte haar schier ontoegankelijk.

Op den vijfden November was het zeegat of beter het vaarwater, hetwelk toegang tot de baai verleende, afgebakend. Dupont drong, na eenige kanonschoten met de forten gewisseld te hebben, er in door, zonder evenwel in de mogelijkheid te zijn, de troepen van Sherman aan wal te zetten.

In den voormiddag van den 7den viel hij het fort Walker en daarna het fort Beauregard aan. Hij overstelpte die sterkten onder een hagelslag als het ware van zijne zwaarste bommen en granaten. Tegen zulk een vuur was niets bestand. De forten werden verlaten en de federalistische troepen namen er bijna zonder gevecht bezit van. Zoo kwam Sherman in het bezit van dat punt, hetwelk voor het vervolg der krijgsoperatiën zoo belangrijk zoude zijn.

Dat was de Slaven-Staten in het hart zelve aantasten. De naburige eilanden vielen nu voor en na in handen van de Noordelijken, zelfs het eiland Tybec en het daarop gelegen fort Puloski, hetwelk de monding der Savannah-rivier beheerschte.

Toen het jaar ten einde liep, was Dupont meester van de vijf groote baaien van North-Edisto, van Sint-Helena, van Port-Royal, van Tybec en van Warsaw, alsook van dien geheelen krans van eilandjes, welke langs de kusten van Carolina en Georgië gezaaid liggen. Een laatste succes, op den 1sten Januari 1862 behaald, gedoogde den Commodore om de uitbreiding der versterkingswerken der Zuidelijken op de oevers der Coosaw te beperken.

Zoo was dus de toestand der oorlogvoerende partijen bij het begin van de maand Februari des jaars 1862. Daaruit is duidelijk de voortgang van het federalistisch gouvernement naar het zuiden te ontwaren, nu het tijdperk naderde, dat de schepen van den Commodore Dupont en de troepen van den Generaal Sherman Florida bedreigden.

IV.

DE FAMILIE BURBANK.

Het was iets over zeven uren, toen master James Burbank en Edward Carrol de treden van het perron opstegen, waarop de voornaamste deur van Castle-House, naar den kant van de Sint-John rivier, toegang verleende. Zermah, die het kleine meisje bij de hand hield, volgde hen onmiddellijk. Weldra bevonden zij zich in de hall, eene soort van groote vestibule, welker achtergedeelte, koepelvormig afgerond, de dubbele omwenteling van de groote trap bevatte, welke naar de bovenverdiepingen voerde.

Mevrouw Burbank bevond zich daar in gezelschap van den heer Perry, die de geheele administratie van de plantage voerde.

»Is er geen nieuws van Jacksonville gekomen?" vroeg James Burbank aan zijne echtgenoote.

»Neen, manlief."

»Zijn er geen tijdingen van Gilbert?"

»Toch... er is een brief!"

»God zij gedankt! Waar is hij?"

»Ziehier."

James Burbank nam den brief en brak hem, na zijne vrouw en ook de kleine Dy, zijne dochter, hartelijk gekust te hebben, open.

Die brief was niet geopend geworden gedurende de afwezigheid van James Burbank. De omstandigheden in aanmerking genomen, waarin hij, die hem geschreven had, en ook zijne familie in Florida zich bevonden, had mevrouw Burbank het geraden geacht, dat haar echtgenoot het eerst van den inhoud kennis nam.

»Die brief is ongetwijfeld niet met de gewone postgelegenheid gekomen?" vroeg James Burbank bezorgd.

»O, neen, mijnheer Burbank," antwoordde Perry.

»Dat zou van den kant van Gilbert te onvoorzichtig zijn," vulde mevrouw Burbank aan.

»Wie heeft zich met de bezorging belast?"... vroeg de echtgenoot

»Een man uit Georgië, op wiens toewijding onze jonge luitenant vertrouwen meent te kunnen stellen."

»Wanneer is deze brief aangekomen?"

»Wanneer?"

»Ja, op welken dag? Gisteren of vandaag?"

»Gisteren."

»En de man?"

»Wien bedoelt gij?"

»De man, de bode, welke dien brief gebracht heeft?"

»O, die is denzelfden avond weer vertrokken."

»En is hij voor zijn dienstbetoon goed beloond geworden?"

»Ja, manlief; maar niet door ons..."

»Niet door u?"

»Neen, maar door Gilbert. Zoo zei hij en daarom wilde hij niets van ons ontvangen."

»Dat is zonderling," zei James Burbank peinzend.

De hall was door twee helder brandende lampen verlicht, die op eene marmeren tafel voor een breeden divan stonden. James Burbank nam bij die tafel plaats, terwijl zijne echtgenoote en zijne dochter naast hem gingen zitten. Edward Carrol had, nadat hij zijne zuster de hand gedrukt had, in een leuningstoel plaats genomen. Zermah en Perry stonden dicht bij de trap. Zij waren genoegzaam vertrouwd met de familie Burbank, dan dat hunne tegenwoordigheid bij het lezen van dien brief aan onbescheidenheid zou kunnen worden toegeschreven.

James Burbank had hem geopend en bekeek hem.

»Hij dagteekent reeds van den 3den Februari," zei hij.

»Reeds vier dagen oud!" antwoordde Edward Carrol. »Dat is lang in de tijdsomstandigheden, die wij doorleven."

»Lees dan toch!" zei mevrouw Burbank.

»Ja, lees dan toch, papa!... lees dan toch!" zei het kleine meisje, trillend van ongeduld, hetgeen voor haren leeftijd zeer begrijpelijk was.

Ziehier, wat die brief inhield:

»Aan boord van de Wasbah, ter ankerplaats te Edisto, den 3den Februari 1862.

»Waarde Vader!

»Ik begin met u een kus toe te zenden voor mijne dierbare moeder, voor mijne kleine zuster en voor u. Ik vergeet daarbij mijn oom Carrol niet. En om niets te verzuimen, zend ik tevens aan de goede Zermah de meest liefderijke groeten van haren echtgenoot, van mijn braven en toegenegen Mars.

»Wij beiden zijn zoo gezond mogelijk en lijden slechts aan eene gemeenschappelijke kwaal, namelijk aan de begeerte om bij ulieden te zijn! De vervulling dier begeerte zal wel niet lang meer uitblijven, hopen wij, al zou Perry ons ook daarom moeten vloeken, hij onze waardige administrateur, die, daar hij de meest verstokte voorstander der slavernij is, daarom als een razende moet aangaan, nu de Noordelijken zoo'n voortgang maken..."

»Ziezoo," zei Edward Carrol, »dat is voor u Perry. Daar kunt gij het vooreerst mede doen!"

»Ieder heeft zijne eigene meeningen daaromtrent," antwoordde Perry, op den toon van iemand, die volstrekt niet genegen is de zijne prijs te geven.

James Burbank vervolgde:

»Deze brief zal u overhandigd worden door een man, omtrent wien ik verzekerd ben. Vreest derhalve dienaangaande niets. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat het smaldeel van den Commodore Dupont zich van Port Royal en de nabijgelegen eilanden meester gemaakt heeft. De Noordelijken dringen de Zuidelijken dus langzamerhand achteruit. Het komt mij dan ook als zeer waarschijnlijk voor, dat het federalistisch gouvernement trachten zal de voornaamste havenplaatsen van Florida, zoowel langs den Atlantischen Oceaan als langs de golf van Mexico, in handen te krijgen. Men praat veel over een krijgstocht, die Dupont en Sherman tegen het einde van deze maand denken te ondernemen.

»Zeer waarschijnlijk zullen wij dan de baai van Sint Andrews bezetten. Dat is volgens mij het meest geschikte punt, om van daaruit den Floridaschen Staat binnen te dringen.

»Hoe ongeduldig ben ik, waarde vader, om dien krijgstocht aan boord van onze zegevierende flottilje mede te maken. De toestand mijner verwantschap te midden dier bevolking van heftige aanhangers der slavernij beangstigt mij steeds. Maar het oogenblik nadert al meer en meer, dat wij openlijk de beginselen kunnen doen zegevieren, welke steeds op de plantage van Camdless-Bay voorgezeten hebben en daar nimmer verloochend zijn.

»O, kon ik toch een uitstapje maken. Een slippertje, zooals wij hier zeggen, al ware het slechts voor vierentwintig uren; hoe zou ik mij haasten, om u te komen opzoeken!

»Maar neen, dat zou te onvoorzichtig handelen zijn, zoowel voor u als voor mij. Beter is het nog wat geduld te oefenen. Nog eenige weken en dan zullen we allen te Castle-House vereenigd zijn!

»En nu ik zal gaan eindigen, vraag ik mij af, of ik niemand vergeten heb, toen ik u opdroeg mijne groeten over te brengen. En, waarlijk, ik vergat mijnheer Walter Stannard en mijne bekoorlijke Alice, die ik zeer ongeduldig ben om terug te zien! »Doet mijne hartelijke groeten aan haren vader, maar... geef aan haar toch nog iets meer.

»Ik noem mij met den meesten eerbied en hartelijke liefde, uwe u liefhebbende zoon:

»Gilbert Burbank."

Toen hij met lezen ophield, legde James Burbank den brief op tafel neder. Zijn echtgenoote greep het papier en bracht het aan de lippen. Daarna volgde de kleine Dy, die een klinkenden zoen op de handteekening van haren broeder drukte.

»Brave kerel!" zei Eduard Carrol.

»En brave Mars!" vulde mevrouw Burbank aan, terwijl zij Zermah aankeek, die het kleine meisje in hare armen sloot en onstuimig aan haar hart drukte.

»Zeg, manlief," vervolgde mevrouw Burbank, »weet ge wat ge doen moest?"

»Als gij het mij zeggen zult, zal ik het weten, vrouwlief."

»Gij moest aan Alice mededeeling doen," ging de liefhebbende moeder voort, »dat wij een brief van Gilbert ontvangen hebben."

»Juist, dat is eene goede gedachte," antwoordde James Burbank. »Ik zal haar schrijven...."

»Schrijven?..."

»Of beter... binnen eenige dagen moet ik toch naar Jacksonville gaan en zal dan Walter Stannard ontmoeten. Sedert Gilbert dezen brief geschreven heeft, zijn waarschijnlijk nadere berichten omtrent den voorgenomen krijgstocht ontvangen. O, dat zij toch spoedig mogen komen, onze Noordelijke vrienden, en dat ons schoon Florida toch weer spoedig onder de vlag der Unie moge gesteld worden! Want onze toestand zoude ten lange laatste eindigen met eenvoudig onhoudbaar te worden!"

En inderdaad sedert het oorlogsgewoel al meer en meer het zuiden naderde, onderging de openbare meening in Florida eene onmiskenbare wijziging ten opzichte van de quaestie, welke de Vereenigde Staten zoo wreed verscheurde. Tot op dat tijdstip had zich de slavernij niet buitengewoon ontwikkeld in die vroegere Spaansche kolonie, die de beweging niet met dezelfde geestdrift, als in de Staten Virginia, Noord- en Zuid-Carolina, Georgië of Alabama het geval was, gevolgd had. Maar heethoofdige volksmenners hadden zich weldra aan het hoofd der voorstanders van de slavernij geplaatst. Die lieden, die steeds tot muiterij en opstand gereed waren, hadden niets te verliezen, daarentegen alles te winnen, wanneer de zaken in de war liepen en troebelen uitbraken. Zij beheerschten de autoriteiten te Sint Augustijn, maar vooral te Jacksonville, waar zij bij het afzichtelijkste gedeelte der bevolking steun zochten.

En daarom kon de toestand van James Burbank, wiens afkomst en denkbeelden niet onbekend waren, op een gegeven oogenblik zeer onrustbarend worden.

Het was ongeveer twintig jaren geleden, toen master James Burbank, na den Staat New Jersey verlaten te hebben, alwaar hij nog eenige grondeigendommen bezat, zich met zijne vrouw en zijn zoon, toen nog slechts vier jaren oud, te Camdless-Bay was komen vestigen. Men weet, hoe de plantage was vooruitgegaan, dank zij zijner oordeelkundige bedrijvigheid, alsook dank zij den krachtigen bijstand, dien Edward Carrol, zijn zwager, hem geboden had.

Hij gevoelde dan ook eene onwrikbare aanhankelijkheid voor dat grondbezit, hetwelk hij van zijne voorouders geërfd had. Daar was zijn tweede kind, de kleine Dy, geboren, vijftien jaren nadat hij zijn intrek op Castle-House genomen had.

Master James Burbank was toen zes en veertig jaren oud. Hij was een man van een ijzersterk gestel, die aan den arbeid gewoon was en zich niet spaarde, wanneer het gold het goede voorbeeld te geven. Men wist dat hij een geestkrachtvol karakter had. Hij was zeer aan zijn eenmaal opgevatte meeningen gehecht, en deinsde er niet voor terug die openlijk te verkondigen. Zijne gestalte was lang, zijn hoofdhaar begon nauwelijks te grijzen, zijn gelaat vertoonde een ernstigen trek, maar ademde toch welwillendheid en stootte volstrekt niet terug. Evenals de Amerikanen der Noordelijke Staten, droeg hij een kinbaard, zonder knevels of bakkebaarden en stelde zoo het type daar van den echten Yankee van Nieuw-Engeland.

Hij was op de geheele plantage, hoe uitgestrekt ook, bemind; want hij was goedig. Men gehoorzaamde hem gaarne; want hij was rechtvaardig. Zijne zwarten waren innig aan hem verknocht en hij wachtte, evenwel niet zonder ongeduld, dat de omstandigheden hem gedogen zouden, hen van het slavenjuk te kunnen bevrijden.

Zijn schoonbroeder, die ongeveer zijn leeftijd bereikt had, was hoofdzakelijk met de comptabiliteit van Camdless-Bay belast. Edward Carrol leefde in alles in de beste verstandhouding met hem, en deelde zijne meeningen ten opzichte van de slavenquaestie volkomen.

Er was dus slechts de administrateur Perry, die te midden van die kleine wereld te Camdless-Bay een ander gevoelen toegedaan was. Maar men moet daarom niet gelooven, dat die waardige man de slaven mishandelde. Integendeel, hij zorgde goed voor hen en stelde alle pogingen in het werk, om hen in hun toestand zoo gelukkig mogelijk te maken.

»Maar," verkondigde hij, »er zijn streken in de warme landen, waar de veldarbeid slechts door de zwarten kan verricht worden. En nu zouden zwarten, die geene slaven waren, geen zwarten meer zijn!"

Dat was zijne theorie, zijne meening, die hij bij iedere gelegenheid, welke zich voordeed, hardnekkig volhield. Men liet hem gaarne redekavelen, zonder veel naar hem te luisteren. Maar, toen het wapengeluk de tegenstanders der slavernij toelachte, hield master Perry niet met raaskallen op.

»Men zal mooie dingen op Camdless-Bay zien gebeuren," zei hij, »wanneer master Burbank zijn negers de vrijheid zal verleend hebben."

Maar, zooals gezegd is, het was een best, zelfs een uitstekend mensch, en daarbij moedig ook. Toen toch James Burbank en Edward Carrol deel hadden uitgemaakt van dat detachement der militie, hetwelk de »minutemen" genoemd werd--minuut-menschen, om aan te duiden, dat zij iedere minuut, ieder oogenblik gereed moesten staan om uit te rukken--had hij zich zonder aarzelen bij hen aangesloten, om de laatste overgebleven benden der Seminool-Indianen te bevechten.

Mevrouw Burbank droeg toen ten tijde hare jaren met eere. Men zou nimmer gezegd hebben, dat zij reeds negen en dertig was. Zij was nog zeer schoon. Ongetwijfeld zou hare dochter haar gelijken.

James Burbank had in haar eene liefhebbende en aantrekkelijke levensgezellin gevonden, aan wie hij een groot gedeelte van het geluk, hetwelk hij gesmaakt had, verschuldigd was. De edelmoedige vrouw leefde slechts voor haren echtgenoot, voor hare kinderen, die zij in de volste beteekenis des woords aanbad, en omtrent welker toekomst zij de levendigste ongerustheid gevoelde in de gegeven omstandigheden, waardoor de burgeroorlog tot in Florida zou overgebracht worden.