De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage
Part 19
Wie zou dat smaldeel door de veelvuldig kronkelende geul van het vaarwater loodsen, wanneer Mars, die de taak van loods moest vervullen, in krijgsgevangenschap der Zuidelijken zoude geraken?
Gilbert Burbank moest dus het onmogelijke beproeven en wagen om, voordat de dag aanbrak, aan boord zijner kanonneerboot terug te zijn. Maar, daartoe moest hij zonder verwijl vertrekken, vluchten kunnen zonder een oogenblik verloren te laten gaan.
Maar... was dat doenlijk? Kon Mars de giek niet door eene plotselinge wending, in schuine richting door de tegenstrooming van de wieling, hare vrijheid hergeven? En al werden zij ook al bespeurd, dan zouden de lieden van de bewakingssloep verplicht zijn, tijd te laten verloren gaan, hetzij door het ophalen van hun anker, hetzij door het laten slippen van den ankerketting. Zouden zij daardoor niet zoo'n voorsprong kunnen verkrijgen, dat zij spoedig buiten bereik zouden zijn?
Neen! Neen! Dat ware alles in de waagschaal stellen. Ja erger, dat ware alles verderven. Dat wist de jeugdige marine-officier maar al te goed. Mars kon met zijne eenige pagaai geen wedstrijd aangaan met de vier roeiriemen van de sloep. De giek zou, terwijl zij pogen zou langs den rivieroever voort te spoeden, al ras ingehaald zijn. Door zoo te handelen, liep men het gevaar zeker en onbetwistbaar in den mond.
»Maar... wat dan toch te doen?"
Dat vroegen zich de twee in nood verkeerende schepelingen af.
»Moeten wij wachten?" prevelde Gilbert Burbank besluiteloos.
Mars trok de schouders op, alsof hij zeggen wilde:
»Ik laat de beslissing aan master Gib over."
De dag zou spoedig aanbreken. Het was reeds half vijf. Een lichtende band werd reeds boven den oostelijken gezichteinder waargenomen. Dat was de naderende dageraad.
Men moest noodzakelijk tot een besluit komen, en ziehier waarbij Gilbert zich meende te moeten bepalen:
Hij boog zich naar Mars over en fluisterde dien zoo zacht mogelijk in het oor.
»Wij kunnen onmogelijk langer hier wachten," zei hij. »Wij zijn beiden met een revolver en een sabel gewapend. In de sloep bevinden zich slechts vier man."
»Dat is twee tegen een," grinnikte Mars.
»Ja, maar wij zullen het voordeel der overvalling kunnen laten meetellen. Dat zal de partij meer gelijk maken."
»Dat's waar."
»Gij brengt de giek met eenige krachtige pagaaislagen dwars door de wieling en stuurt haar vlak op de sloep aan. Deze, die ten anker ligt, zal de aanvaring en het aan boord klampen niet kunnen ontwijken. Wij zullen die menschen overvallen, wij zullen op hen inhouwen, voordat zij tijd zullen hebben tot bezinning te komen. Daarna zullen wij zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen zoeken. Vervolgens zullen wij, alvorens de oeverbewakers aan den wal alarm zullen hebben kunnen maken, de bank en daarmede de kanonneerbooten bereikt hebben."
»Ja, master Gib," grinnikte de lotgenoot van den jeugdigen marine-officier.
»Hebt gij begrepen, Mars?"
De kleurling gaf geen antwoord, maar greep zijn sabel, die hij uit de scheede trok en zoo bij zijn revolver aan zijn buikriem bevestigde. Toen hij daarmede klaar was, maakte hij het touw los, waarmede de giek aan den boomtak vastgemaakt was, en greep zijne pagaai om hem met kracht te water te slaan.
Maar juist op het oogenblik, dat hij daarmede wilde beginnen, werd hij door Gilbert Burbank weerhouden.
»Wacht nog een oogenblik," fluisterde deze, terwijl hij den schouder van den kleurling met de hand aanraakte.
Eene onverwachte omstandigheid bracht hem er toe zijne beschikkingen dadelijk te wijzigen.
Met het eerste daglicht begon zich een dikke nevel over de oppervlakte van de Sint John te verspreiden. Men zou gezegd hebben, dat een onmetelijke maar vochtige wattenvlok zich over het water ontwikkelde, die het daarbij met hare voortschrijdende spiraalvormige krullen aanraakte, en voortgestuwd door eene zachte bries langzaam van uit zee opkomende, naar het bovengedeelte der rivier voortbewoog.
Wanneer zij nog een kwartier wachtten, dan zoude zoowel Jacksonville op den linkeroever der rivier, als de boomgroepen op den rechteroever verdwenen zijn in dien nevel, die in deze streken gewoonlijk ietwat geelachtig van kleur is en met een karakteristieken geur bedeeld is, en dan de geheele vallei van het stroomgebied van de Sint John vervult.
Was dat niet de redding, die daar den jeugdigen marine-officier en zijn makker aangeboden werd?
Waarom zouden zij niet van dien nevel pogen gebruik te maken, om onzichtbaar en onbemerkt door de mazen van het net te sluipen, wat hen omstrikt hield, in stede van een ongelijken strijd aan te gaan, waarin beiden toch het onderspit konden delven? Gilbert Burbank meende ten minste, dat dit het beste zou zijn. Daarom weerhield hij Mars, toen deze de giek plotseling wilde laten vooruitschieten en haar van den oever laten verwijderen. Integendeel moest men dezen thans zeer voorzichtig en in alle stilte naderen, en daarbij de sloep mijden, welker omtrekken, thans reeds zeer onduidelijk, weldra geheel verdwenen zouden zijn.
Maar toen begonnen de stemmen elkander weer te praaien. Van den oever hoorde men het langgerekte scheepsgeroep:
»Ohoi!"
»Ohoi!" werd er van de sloep geantwoord.
»Opgepast met den mist!"
»Jawel!"
»En uitkijken! Dat is de boodschap!"
»Jawel!.... Wij gaan ons anker winden en dichter bij den oever halen."
»Goed. Maar blijf ook in verbinding met de andere vaartuigen van de afsluitingslinie."
»Opperbest!"
»En, als gij er ontmoet, beveelt hen aan, om heen en weer te kruisen, totdat de nevel opgetrokken zal zijn."
»Jawel! Jawel! Vreest niet en waakt gij van uwen kant, dat die schoften niet over land ontkomen! Dat zou niet onmogelijk zijn, niet waar?"
»Zeker niet. Maar weest gerust; wij hebben het terrein goed bezet en doen de kijkers goed open."
Klaarblijkelijk werden die maatregelen, die als het ware door de omstandigheden geboden werden, genomen. Een zeker aantal sloepen zouden zich beijveren, van den eenen rivieroever tot den anderen te kruisen. Dat begreep Gilbert Burbank; hij aarzelde dan ook niet.
De giek, die in de grootste stilte door Mars bestuurd en gevoerd werd, verliet het loofdak, waaronder zij verscholen was geweest, en stevende door de wieling, welke daar bij die kaap gevormd werd.
De mist verdichtte zich al meer en meer, hoewel hij het zwakke bleeke licht van den aanbrekenden dag niet weerhield, maar toch aanmerkelijk temperde. Dat licht was niet ongelijk aan het schijnsel, hetwelk men bespeurt, wanneer eene lamp in eene hoornen lantaarn brandt. Men zag niets meer, zelfs niet binnen een kring van slechts weinige meters straal.
Wanneer de giek gelukkig genoeg was niet tegen de sloep, die zich meer in het midden der rivier bevond, aan te varen, dan bestonden er zeker kansen, dat zij ongemerkt zou doorsluipen. En inderdaad, het gelukte haar dat vijandelijke vaartuig te mijden, terwijl de mannen daarop bezig waren met het anker lichten en het geratel van den ketting bij het binnenpalmen, de plaats die vermeden moest worden, vrij nauwkeurig aanduidde.
De giek passeerde dus, waarna Mars gelegenheid had zijne pagaai met meer kracht te kunnen hanteeren, waardoor meer vaart kon gemaakt worden.
Het moeielijkste was, een doelmatigen koers te volgen zonder in de geul van het midden der rivier terecht te komen. Men moest integendeel op een kleinen afstand van den rechter rivieroever houden en daaraan nagenoeg evenwijdig blijven. Maar niets was er om Mars te midden van dien dikken nevel te geleiden; niets dan het gekabbel en geruisch van het voortstroomende water, hetwelk den oever schuurde. Men voelde eerder dan men zag, dat het dag werd. Het werd meer en meer licht boven de nevelmassa, hoewel die zich nog zeer dik op de oppervlakte der rivier vertoonde.
De giek dwaalde zoo gedurende een half uur, om het zoo uit te drukken, op Gods genade. Soms verscheen er plotseling en op het onverwachtst een ijle omtrek. Men kon in de meening verkeeren dat het eene sloep was, die door de straalbreking buitengewoon vergroot werd, een natuurverschijnsel, dat bij mist op volle zee veelvuldig waargenomen wordt. Inderdaad, ieder voorwerp dat zich alsdan eensklaps en zonder voorbereiding aan het oog voordoet, vertoont zich dan uiterst vreemdsoortig en verwekt den indruk, alsof het buitengewone afmetingen verkregen heeft. Dit deed zich op dien tocht veelvuldig voor.
Gelukkig, dat wat Gilbert Burbank voor eene sloep aanzag, niets anders was dan òf eene boei, die het vaarwater in de geul moest aanwijzen, òf een rotstop, die boven water uitstak, of een boomstam, die daarheen dreef, of een paal, die in den rivierbodem geheid was, maar zijn hoofd in het neveldak stak.
Verscheidene vogelparen, met eene onmetelijke vleugelvlucht, verschenen ook. Zag men hen ook al ternauwernood in den nevel verschijnen en verdwijnen, dan hoorde men toch den doordringenden kreet, dien zij in het luchtruim lieten weerklinken. Andere vlogen van de oppervlakte der rivier zelve op, wanneer de nadering van de giek hen op de vlucht dreef. Het was onmogelijk te bepalen of zij op den oever op slechts weinig passen afstand gingen rusten, of dat zij in de Sint John onderdoken, om zich aan de onbescheiden blikken van de opvarenden van het vaartuigje te onttrekken.
Daar evenwel de eb steeds flink doorstond, was Gilbert Burbank er zeker van, dat de giek, door den stroom medegevoerd, de ankerplaats der kanonneerbooten onder de bevelen van den kommandant Stevens al meer en meer naderde. Maar hoewel nog flink, zoo was die ebstroom toch reeds zooveel verzwakt, dat onze jeugdige marine-officier het er voor houden moest, dat zijn vaartuig de afsluitingslinie, door de vijandelijke sloepen gevormd, nog niet voorbijgestevend was. Integendeel, hij meende alle redenen te hebben om te gelooven, dat hij zich nu juist op dezelfde hoogte bevond en dat derhalve het gevaar groot was, van plotseling op een dier sloepen te stooten.
Dus was ieder gevaar nog lang niet voorbij. Het bleek integendeel al heel spoedig, dat de giek nog nimmer in grooter gevaar verkeerd had dan thans.
Mars hield dan ook gedurende korte tusschenpoozen op met roeien, waarbij hij dan, om steeds gereed te zijn in de een of andere richting te kunnen wenden, zijne pagaai boven de watervlakte verheven hield. Het geluid van roeiriemen werd nu eens heel dichtbij, dan weer iets verder af, maar toch steeds in de onmiddellijke nabijheid vernomen. Verscheidene kreten werden op die sloepen voortdurend uitgestooten en door anderen beantwoord. Dat geschiedde natuurlijk om met elkander in verbinding te blijven. Hier en daar doken in het ijle van den nevel vormen op, welker omtrekslijnen als gedoezeld schenen. Dat waren vaartuigen, die voortgleden en vermeden moesten worden.
Plotseling openden zich ook de dampen, alsof een onmetelijke blaasbalg zijne horizontale luchtkolom in hunne massa gedrongen had. Dan verruimde zich de gezichtskring tot op een afstand van eenige honderden meters.
Gilbert Burbank en Mars poogden alsdan hun stand op de rivier te verkennen. Maar die opklaring van den nevel ging weer even spoedig voorbij als zij gekomen was, en de giek was weer verplicht zich geduldig aan den stroomdraad over te geven.
Zoo was het eindelijk vijf uren geworden.
Gilbert Burbank rekende, dat hij thans nog twee mijlen van de ankerplaats der kanonneerbooten verwijderd was. En inderdaad, de bank in de rivier was nog niet bereikt. Zij zouden die bank gemakkelijk herkend hebben aan het meerdere geluid en geweld van den stroom, aan de kabbelingen van het water, waaromtrent zeelieden als Gilbert en Mars zich niet vergissen konden.
Wanneer de bank overschreden zoude zijn, dan zou Gilbert Burbank zich betrekkelijk in veiligheid gerekend hebben, want het was niet waarschijnlijk dat de sloepen zich op zoo'n verren afstand van Jacksonville en tot onder het geschutvuur der kanonneerbooten zouden gewaagd hebben.
Beiden luisterden dus aandachtig en bogen zich voorover, om de oorschelp zoo nabij mogelijk aan de wateroppervlakte te brengen. Hun zeer geoefend oor had nog niets kunnen opvangen. Het kon bijna niet anders of zij moesten hetzij ter rechter- hetzij ter linkerzijde op een dwaalspoor geraakt zijn.
Zou het niet de beste partij zijn, die genomen kon worden, om namelijk in eene richting schuins met den stroom voort te stevenen, om zoo een der oevers te bereiken?
Of ware het beter, stil te blijven wachten, totdat de nevel opgetrokken zoude zijn, om dan weer, natuurlijk na zich behoorlijk verkend te hebben, in den goeden koers voort te roeien?
Dit laatste werd als het best uitvoerbare geacht; vooral nu men ontwaarde, dat de dampen naar hoogere luchtlagen begonnen op te stijgen. De zon, die men als het ware daar boven voelde, trok hen aan en verwarmde hen. Men kon waarlijk de oppervlakte van de Sint John over eene groote uitgestrektheid en zelfs voordat het uitspansel duidelijk zichtbaar werd, zien te voorschijn treden.
Het was te voorzien, dat de gordijn, die hun blik als het ware gevangen had gehouden, zoude vaneenscheuren en dat de gezichteinder uit den nevel zoude te voorschijn treden. Misschien zou dan Gilbert Burbank de kanonneerbooten ontwaren, die achter de bank op een mijl afstands daarvan ten anker lagen, en het zou mogelijk zijn die oorlogsvaartuigen te bereiken.
In dit oogenblik werd een sterk watergeklots vernomen, en bijna tegelijkertijd begon de giek te draaien, alsof zij in een soort maalstroom geraakt was.
Vergissing was onmogelijk.
»De bank!" riep Gilbert uit.
»Ja, de bank!" herhaalde Mars opgetogen.
»En eenmaal daarover!..."
»Dan zijn wij op de ankerplaats!"
»Goddank!"
»Goddank!"
Zoo klonken beider stemmen tegelijkertijd.
Mars had zijn pagaai gegrepen en poogde nu de giek in de gewilde richting te houden.
Eensklaps greep Gilbert Burbank hem bij den schouder en noodzaakte hem het pagaaien te staken. Hij had in een der nevelbanken, die nog over de rivier zweefden, een vaartuig ontwaard, dat met snelheid voortgeroeid werd en denzelfden koers volgde als de giek.
Hadden de mannen, die zich in dat vaartuig bevonden, de giek bespeurd? En wilden zij haar den doortocht betwisten?
»Over bakboord wenden!" zei de jeugdige marine-officier.
Mars gehoorzaamde, en weinig pagaaislagen waren voldoende om de gewenschte wending te doen uitvoeren.
Maar van dien kant werden stemmen vernomen, welke elkander luidruchtig praaiden. Ongetwijfeld bevonden zich op dit gedeelte van de rivier verscheidene sloepen, die in verband met elkander kruisten.
Eensklaps en alsof zij door een onmetelijken luchtdruk weggeveegd werden, verdwenen de neveldampen en vielen als fijn verdeelde waterstofdeeltjes op de oppervlakte der Sint John neder.
Gilbert Burbank kon den kreet, die hem ontsnapte, onmogelijk weerhouden.
De giek bevond zich te midden van een dozijn sloepen, welke in opdracht hadden dit gedeelte van de vaargeul, welke zich door de bank in zeer bochtige en schuine richting slingerde, te bewaken.
»Daar zijn ze!... Daar zijn ze!"
Dat waren de kreten, die tusschen de sloepen gewisseld werden en waarmede de opvarenden de vluchtelingen begroetten.
»Ja, hier zijn wij!" antwoordde de jeugdige marine-officier op dien kreet.
»Ja, hier zijn wij!" herhaalde Mars even uitdagend.
»Revolver en sabel in de hand, Mars!"
»En er op in, ja master Gib!"
Maar.... twee tegen dertig! Was die strijd mogelijk?
In een ondeelbaar oogenblik hadden drie of vier sloepen de giek aan boord geklampt. Eenige schoten knalden. Dat waren slechts de revolvers van Gilbert Burbank en van Mars, die zich in het gevecht hooren lieten. De tegenpartij maakte van geen vuurwapenen gebruik, omdat last was gegeven de vluchtelingen levend gevangen te nemen. Drie of vier opvarenden der sloepen werden gedood of gewond. Maar, was het wonder, dat Gilbert en zijn makker in dien ongelijken strijd het onderspit delfden?
De jeugdige officier werd, in weerwil van zijn schier ontembaren tegenstand, gekneveld en daarna in een der sloepen overgedragen.
»Vlucht.... Mars!... Vlucht!"
Dat waren de laatste woorden, die hij zijnen wakkeren matroos nog vermocht toe te roepen. Een oogenblik later lag hij met een prop in den mond en aan handen en voeten geboeid op den bodem eener sloep.
Mars had de aanbeveling van zijn officier niet noodig gehad.
Met een flinken sabelslag ontdeed hij zich van den man, die hem gegrepen had, en alvorens een ander had kunnen bijspringen om hem tegen te houden, was de koene echtgenoot van Zermah in de rivier gesprongen.
Alle pogingen om hem op te visschen waren tevergeefs. De kleurling was te midden van de kolken der bank verdwenen. Bij het intreden van den vloed toch kookt en woelt het op die ondiepten en verandert de anders zoo kalme stroom gewoonlijk in woedende stortvloeden.
Men moest het er voor houden, dat Mars verdronken was.
XV.
VEROORDEELING.
Ongeveer een uur later werd Gilbert Burbank op de kade te Jacksonville aangebracht.
Men had daar de revolverschoten, die op den benedenstroom gelost waren, gehoord. Gold het daar eene schermutseling tusschen de vaartuigen der geconfedereerden en die van de federalistische vloot?
Viel er niet te vreezen, dat zelfs de kanonneerbooten van het smaldeel van den kommandant Stevens de vaargeul daar ter plaatse verkend en over de bank gestevend waren?
Dat alles had natuurlijk eene ernstige opschudding onder de bevolking der stad veroorzaakt. Een gedeelte der bevolking was met spoed naar den rivierkant geijld. De plaatselijke autoriteiten verschenen in de personen van Texar en zijn aanhangers eveneens daar met bekwamen spoed. Allen keken uit naar den kant der bank, die duidelijk te ontwaren was, nu de nevel opgetrokken was. Tooneelkijkers, verrekijkers en scheepsteleskopen waren druk in de weer.
Maar de afstand, ongeveer drie mijlen, was nog te groot om over de belangrijkheid van die schermutseling en over hare gevolgen te kunnen oordeelen.
Wat men in ieder geval duidelijk zag, was dat de flottilje van den kommandant Stevens nog altijd voor de bank geankerd lag en dat de havenplaats Jacksonville nog geen onmiddellijken aanval vanwege de kanonneerbooten te duchten had. Zij van de bewoners der hoofdplaats, die zich bij de oproerige gebeurtenissen het meest gecompromitteerd hadden, zouden tijd genoeg hebben om hunne beschikkingen te nemen, ten einde, als het moest, de wijk naar het binnenland van Florida te nemen.
Maar, al hadden Texar en zijne aanhangers ook al redenen om meer dan de overige bewoners beducht voor hunne eigene veiligheid te zijn, zoo bleek het toch duidelijk, dat er geen aanleiding bestond, om zich over dit voorval te verontrusten.
De Spanjaard daarenboven giste, dat die schermutseling het aanhouden van de giek gold, welker bemachtiging hij zoo innig en zoo vurig wenschte.
»Ja, die aanhouding wensch ik, verlang ik, tot welken prijs ook!" prevelde en herhaalde Texar voortdurend, terwijl hij met zijn tooneelkijker aandachtig de sloep gadesloeg, welke naar de haven stevende. »Ja, tot welken prijs ook!"
»Dat is boud gesproken!" meende een zijner makkers.
»Maar bedenk dan toch, dat het den zoon van James Burbank geldt!"
»De zoon van James Burbank?... Ja, dat is wat anders!"
»Als die in den strik gevallen is, dien ik hem gespannen heb," vervolgde Texar opgewonden, »dan heb ik het bewijs, dat James Burbank gemeenschap met de federalisten onderhoudt...."
»Dat is zoo; maar...."
»En, bij God!... wanneer de zoon doodgeschoten zal zijn, dan zullen geen vier-en-twintig uren verloopen, alvorens de vader hetzelfde lot ondergaan zal hebben! Dat zweer ik!"
En, inderdaad, hoewel zijne partij thans te Jacksonville den baas speelde, had Texar, nadat de laatste rechtszaak ten voordeele van James Burbank uitgesproken was, eene gunstige gelegenheid willen afwachten, om den eigenaar van Camdless-Bay gevangen te doen nemen. De gelegenheid om Gilbert Burbank in een valstrik te lokken, had zich aangeboden. Wanneer die Gilbert Burbank, die als federalistisch officier bekend stond, op vijandelijk grondgebied opgepakt werd, dan zou zijne veroordeeling als spion niet uitblijven, en dan kon de Spanjaard zijne wraakzucht in haren geheelen omvang volvoeren.
De ellendeling werd maar al te zeer door de omstandigheden geholpen.
Het was wel degelijk de zoon van den eigenaar van de plantage Camdless-Bay, de zoon van James Burbank, die daar in de haven van Jacksonville aangebracht werd. Dat Gilbert slechts alleen gevangen genomen was, dat zijn makker verdronken of ontsnapt was, dat kon den Spanjaard bitter weinig schelen. Het voornaamste was, dat hij den jeugdigen marine-officier in handen had.
Er bleef nu niets anders te doen over, dan den gevangene voor eene rechtbank te doen verschijnen, welker leden allen uit aanhangers van de partij van Texar zouden bestaan, eene rechtbank, die door hem zelven voorgezeten zoude worden.
Gilbert Burbank werd met veel gejouw en met bedreigingskreten, door de bevolking van Jacksonville, die hem maar al te goed kende, ontvangen. Hij beantwoordde dat alles met een trotschen blik van minachting. Zijne houding toonde genoegzaam aan, dat hij geen vrees koesterde, hoewel eene afdeeling soldaten te hulp was moeten geroepen worden, om zijn leven tegen de gewelddadigheden van het grauw te beveiligen.
Toen de jonge luitenant evenwel Texar ontwaarde, was hij zich zelven niet meer meester, en voorzeker zou hij zich op dien schavuit geworpen hebben met het doel om hem te verwurgen, wanneer hij niet door de soldaten zijner bewaking weerhouden was geworden.
Texar had geen enkele beweging gemaakt, geen woord gesproken. Hij deed zelfs alsof hij den jongen officier niet zag en liet hem met het onverschilligste gelaat der wereld wegvoeren.
Weinige minuten later zat Gilbert Burbank in de gevangenis van Jacksonville opgesloten. Er waren geene illusiën omtrent het lot, dat hem vanwege de Zuidelijken wachtte, te scheppen.
De heer Harvey, de correspondent van meester James Burbank, ging een uur later naar de gevangenis en verzocht den jongen man te zien. Dat werd hem evenwel geweigerd. Op bevel van Texar mocht niemand, volstrekt niemand bij den gevangene toegelaten worden.
Die poging had zelfs tot gevolg, dat master Harvey zelf zeer streng bespied zou worden.
Men was inderdaad bekend met zijne betrekking tot de familie Burbank, en het lag in de plannen van den Spanjaard, dat de gevangenneming van Gilbert Burbank niet onmiddellijk te Camdless-Bay bekend werd.
Wanneer het rechtsgeding beëindigd en het vonnis uitgesproken zoude zijn, dan was het tijd genoeg om James Burbank het gebeurde mede te deelen. Wanneer hij het evenwel dan zou vernemen, zou het te laat zijn om Castle-House te verlaten en de vlucht naar de noordelijke Staten te nemen, om zoo aan de wraakzucht van Texar te ontkomen.
Master Harvey kon dus onmogelijk een bode naar Camdless-Bay zenden. Er was een soort embargo op al de vaartuigen van de havenplaats gelegd. Iedere gemeenschap tusschen den rechter- en den linkeroever van de Sint John was verbroken, en zoo kon de familie Burbank niets vernemen van de gevangenneming van Gilbert. Integendeel, zij verkeerde in de stellige meening, dat hij aan boord van de kanonneerboot van Stevens was teruggekeerd; terwijl hij daarentegen in de gevangenis van Jacksonville opgesloten zat.
Met welke spanning spitste men te Castle-House de ooren, om te vernemen of de een of andere ver verwijderde knal de aankomst der federalistische kanonneerbooten niet zou vermelden, die eindelijk over de zandbank geraakt zouden zijn.
Wanneer toch Jacksonville in handen der Noordelijken gevallen zoude zijn, zou dat gelijk staan met Texar in handen van James Burbank! Dan kon de vader van de kleine Dy gezamenlijk met zijn zoon en met zijne vrienden de nasporingen hervatten, die tot nu toe tot niets geleid hadden!
Niets werd evenwel op het benedengedeelte der rivier waargenomen. Geen geluid liet zich van die zijde hooren.