De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage

Part 14

Chapter 143,735 wordsPublic domain

De aanval, die thans in werkelijkheid begon, nam de geheele aandacht van den eigenaar van Camdless-Bay in beslag.

Een vreeselijk geweervuur ontbrandde plotseling, zonder dat men de aanvallers nog kon ontwaren, die zich zorgvuldig achter de voorste rij boomen gedekt hielden. De kogels kletterden als een zware hagelslag tegen de palissadeering, zonder daaraan wel is waar groote schade aan te richten.

Ongelukkig konden James Burbank en zijne makkers dat geweervuur slechts flauw beantwoorden, daar zij ternauwernood een veertigtal vuurwapens ter hunner beschikking hadden. Maar daar zij in betere stellingen stonden en betere gelegenheid hadden om rustig te schieten, waren hunne schoten veel wisser dan die der militie-troepen, welke zich aan het hoofd der aanvalskolonne bevonden. Het gevolg daarvan was, dat een zeker getal der laatstbedoelden op de grens van het bosch getroffen werd.

Dat gevecht op een afstand duurde ongeveer een half uur en viel natuurlijk geheel in het voordeel van de verdedigers van Camdless-Bay uit.

Nu ijlden de aanvallers naar de omwalling, om haar stormenderhand te veroveren. Daar zij haar op verscheidene punten tegelijk wilden aantasten, hadden zij een voorraad planken en balken, afkomstig van de timmerwerven der plantage, die nu in brand stonden, medegenomen.

Die balken werden op twintig plaatsen tegelijk dwars over de ringgracht geworpen en veroorloofden aan de aanvallers om den teen der palissadeering te bereiken, evenwel niet zonder ernstige verliezen aan dooden en gekwetsten ondervonden te hebben.

Toen klemden zij zich aan de palissaden vast, zij heschen elkander op; maar zij slaagden er niet in om de omwalling te overschrijden. De negers, die ten zeerste verbitterd tegen die brandstichters waren, dreven hen met waren heldenmoed terug. Het bleek evenwel bij deze gelegenheid helder als de dag, dat de verdedigers van Camdless-Bay niet op alle punten, die door den overmachtigen vijand bedreigd werden, tegelijk konden optreden.

Toch slaagden zij er in, om tot het invallen van den nacht den weerstand te rekken. Weinige hunner waren gewond geworden en dan nog niet eens ernstig. James Burbank en Walter Stannard, hoewel zij zich, om het voorbeeld van stoutmoedigheid te geven, meermalen roekeloos blootgesteld hadden, waren zelfs niet geraakt geworden.

Edward Carrol alleen werd door een kogel getroffen, die hem zeer pijnlijk het vleezige gedeelte van den schouder doorboorde. Hij was verplicht zich naar het heerenhuis te begeven, alwaar hij door mevrouw Burbank, door miss Alice en door Zermah op de meest liefderijke wijze verbonden en verpleegd werd.

Intusschen was de nacht gekomen en deze zou met zijne duisternis den aanvallers ten goede komen.

Een vijftigtal der dappersten, van die gunstige omstandigheid gebruik makende, konden tot bij de poterne naderen en begonnen dadelijk haar met bijlslagen aan te tasten. De poortbladen waren evenwel voldoende stevig en weerstonden dien aanval. Die poging zou voorzeker schipbreuk geleden hebben, en nimmer zouden die mannen hebben kunnen binnendringen, wanneer niet eene stoutmoedige daad eene bres voor hen geopend had.

En inderdaad, eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van Castle-House in brand, en de vlammen, die in dat droge hout, waaruit die gebouwen bestonden, een gereed voedsel gevonden hadden, tastten nu ook dat gedeelte der palissadeering aan, waartegen zij opgetrokken waren.

James Burbank stormde naar dat verbrande gedeelte der omwalling, niet zoozeer om het te blusschen, dan wel om het te verdedigen.

In dit oogenblik kon men bij het schijnsel der vlammen een man te midden van den rook zien springen, naar buiten ijlen en de ringgracht oversteken, langs de balken die daarover gelegd waren.

Dat was een der aanvallers, die er in geslaagd was het park, aan den kant der Sint John, door te midden der biezen te kruipen, heimelijk binnen te dringen. Zonder door iemand gezien te zijn, was hij een der stallen binnengeslopen. En daar, op gevaar af van in de vlammen om te komen, had hij eenige bossen stroo in brand gestoken, met het doel om zoodoende dat gedeelte der palissadeering door het vuur te doen vernielen.

Thans was de bres geopend en voor de aanvallers bruikbaar.

Tevergeefs poogden James Burbank en zijne makkers de opening te verdedigen en het binnendringen te beletten. Een dichte drom van aanvallers stormden er door en weldra was het park door een paar honderd hunner bezet.

Aan weerszijden vielen toen velen, want men vocht toen man tegen man. De geweerschoten weerklonken van alle kanten. Castle-House was weldra aan alle zijden ingesloten, terwijl de negers, door den overmachtigen vijand buiten het park teruggedrongen, genoopt waren de vlucht te nemen naar de bosschen, die Camdless-Bay allerwege omgaven.

Zij hadden gestreden, zoolang zij konden. Zij hadden dat met veel toewijding en met veel moed gedaan; maar nu de aanvallers binnengedrongen waren, was verdere tegenstand totaal onmogelijk, tenzij zij zich wilden laten neerhouwen. Neen, de partij stond te ongelijk!

James Burbank, Walter Stannard, master Perry en zijne opzieners, ook John Bruce, die even moedig gevochten had, en verder nog eenige negers waren eindelijk genoodzaakt geweest eene toevlucht achter de beschermende muren van Castle-House te zoeken.

Het was toen ongeveer acht uren in den avond. In het westen was de duisternis zwart. In het noorden werd de gezichteinder nog eenigermate verlicht door het schijnsel der vlammen van den brand, die op verschillende punten der plantage gesticht was.

James Burbank en Walter Stannard traden in dit oogenblik het woonhuis in allerijl binnen.

»Gij moet vluchten," sprak de eigenaar van Camdless Bay, »dadelijk vluchten!"

»Mijn God!" kreet mevrouw Burbank.

»Hetzij die bandieten met geweld hier binnendringen," vervolgde James Burbank, »hetzij zij buiten rondom Castle-House het oogenblik zullen afwachten, dat wij door honger en gebrek genoodzaakt zullen zijn ons over te geven; in beide gevallen blijft het gevaarlijk hier langer te verwijlen!"

»Is het inderdaad zoo ver gekomen?" vroeg mevrouw Burbank jammerend en handenwringend.

»Volgens mijn inzien, ja," antwoordde haar echtgenoot.

»Wat moet er dan gedaan worden?"

»De sloep ligt klaar! Het is tijd om te vertrekken," sprak de eigenaar van Camdless-Bay, zoo kalm en bedaard als de omstandigheden slechts gedoogden.

»O, God!... O, God!..." kreten de vrouwen.

»Kom, vrouwlief, moed! Alice, neem haar onder den arm en volgt Zermah met Dy naar de Ceder-Rots! Daar zult gij in veiligheid wezen, en... wanneer wij genoodzaakt worden Castle-House te ontruimen, dan zullen wij ulieden daar komen opzoeken, dan zullen wij u wel terugvinden..."

»Vader," sprak miss Alice tot Walter Stannard, »gij gaat immers met ons mede, en gij ook mijnheer Burbank?"

»Ja!... James!..." riep mevrouw Burbank uit.

»Ik!" antwoordde de heer Burbank.

»Ja! James!... Kom met ons mede!" smeekte zijne echtgenoote.

»Ik!... Ik zou Castle-House ontruimen en in de macht van die ellendelingen laten! Nooit!... zoolang tegenstand nog mogelijk zal zijn!..."

»Maar.... James!"

»Wij kunnen nog lang in het heerenhuis stand houden!... En wanneer wij het bewustzijn zullen bezitten, dat gijlieden in veiligheid zult zijn, dan zullen wij ons sterker en krachtiger gevoelen, om de verdediging te voeren!"

»James!..."

»Ga niet voort, vrouwlief!"

»James!..." hield mevrouw Burbank handenwringend aan.

»Het kan niet; wij moeten hier stand houden!"

Een verschrikkelijk gehuil werd in dit oogenblik vernomen. De poort dreunde en weergalmde onder de bijlslagen, die haar door de aanvallers toegebracht werden. Eene bende dier plunderaars viel thans de voorpoort van Castle-House, naar den kant van de rivier gekeerd, aan.

»Kom, vertrekt!" riep James Burbank uit.

»Vertrekken!" gilden de vrouwen.

»Ja!... de nacht is reeds gevorderd. De duisternis is voldoende, men zal u thans niet ontwaren!... Kom, vertrekt!"

»O, James!..."

»Gij verlamt door te blijven onze pogingen... In Gods naam, vertrekt dan toch!"

Na veel wijfelens, gaven de vrouwen eindelijk aan dien aandrang gehoor.

Zermah stapte vooruit en hield de kleine Dy bij de hand. Mevrouw Burbank moest zich geweld aandoen, om zich aan de armen van haren echtgenoot te ontrukken. Zoo ging het ook met miss Alice, die een toevlucht aan de borst van haren vader gezocht had.

Beiden verdwenen langs de trap, die naar de benedenverdieping geleidde, alwaar de ingang was van de tunnel, die naar de Marino-Kreek voerde.

»En thans," sprak James Burbank, terwijl hij zich tot master Perry, tot de opzichters en tot de weinige negers wendde, die hem niet verlaten, maar met hem den terugtocht naar het heerenhuis aangenomen hadden. »En thans, vrienden, zullen wij ons tot onzen laatsten snik verdedigen!"

Allen stapten met hem de groote trap van het woonhuis op en namen stelling bij de ramen van de eerste verdieping. Van daar beantwoordden zij de honderden geweerschoten, die op het voorfront van Castle-House gelost werden en waarvan de kogels tegen de arduinsteenen gevels knetterden. Hunne schoten waren lang zoo talrijk niet als die der aanvallers, maar daarentegen waren die schoten juister gemikt en werden op een vrij dichten drom afgevuurd, zoodat menigeen van den woesten troep getroffen nederviel.

De belegeraars van Castle-House zagen dan ook ras in, dat het zaak voor hen was, de poort open te krijgen, door bijlslagen of door vuur. Ditmaal was er niemand om voor hen eene bres te openen, die toegang tot het heerenhuis kon geven. Wat daar buiten tegen eene houten palissadeering met welslagen ondernomen was geworden, zou hier schipbreuk lijden tegenover die vuurvaste muren.

Intusschen naderden toch een twintig vastberaden kerels, die zich zooveel mogelijk tegen de kogels der verdedigers dekten en van den duisteren nacht gebruik maakten, het perron. De deur werd toen meer krachtdadig aangetast, en zij mocht wel sterk en stevig heeten, nu zij aan die tallooze bijlslagen en piekstooten weerstand bood.

Die poging kostte evenwel het leven aan verscheidene der aanvallers; want door de aangebrachte schietgaten was het mogelijk een kruisvuur op het aangevallen punt te richten.

Eene omstandigheid kwam in dit oogenblik den toestand nog verergeren. De munitievoorraad spoedde ten einde. James Burbank, zijne vrienden, zijne opzichters en de negers, die met geweren gewapend waren, hadden gedurende de drie uren, dat die aanval duurde, het grootste gedeelte der voorradige patronen verbruikt. En hoe zou men nog langer weerstand kunnen bieden, althans wanneer de verdediging nog langer gerekt moest worden, wanneer de laatste patronen verschoten zouden zijn?

Zou men dan Castle-House moeten ontruimen en in handen van die misdadigers laten?

Maar die zouden er slechts puinhoopen van laten overblijven!

En toch, er bleef niets anders te doen over, wanneer de aanvallers er in slaagden, de deur, die reeds wankelde, open te breken. James Burbank begreep den toestand maar al te goed; toch wilde hij nog wachten. Kon toch niet ieder oogenblik eene afleiding geschieden, waarvan dan partij te trekken zoude zijn?

Thans had men niet meer voor het lot van mevrouw Burbank, noch voor haar dochtertje, de kleine Dy, noch voor miss Alice Stannard te vreezen! En, mannen waren het aan zich zelven verplicht tot het uiterste weerstand te bieden aan dat samenraapsel van moordenaars, brandstichters, dieven en plunderaars.

»Wij hebben nog patronen voor een uur!" riep James Burbank uit. »Vrienden, die moeten wij eerst verschieten en doelmatig verschieten, alvorens Castle-House te ontruimen!"

Maar nauwelijks had James Burbank dien volzin geëindigd, toen de doffe knal eener ver verwijderde losbranding vernomen werd.

»Een kanonschot!" riep hij uit.

Een tweede losbranding liet zich andermaal en ook evenals de eerste in westelijke richting hooren. Blijkbaar kwam zij van de overzijde van de rivier.

»Een tweede kanonschot!" zei master Walter Stannard.

»Luisteren!... Wij moeten luisteren!" zeide master James Burbank.

Een derde schot, dat door eene windvlaag naar Castle-House overgebracht werd, klonk duidelijker dan de beide vorige losbarstingen.

»Zou dat een sein zijn?" vroeg master Walter Stannard.

»Welk sein?"

»Misschien om de aanvallers naar den rechter-rivieroever terug te roepen?"

»Wie zal dat kunnen zeggen?"

»Misschien gebeurt daar iets..."

»Dat denk ik ook," zei master Perry, »en..."

»En... wat? Spreek vrij uit, Perry!" zei master James Burbank.

»En als die drie kanonschoten niet te Jacksonville gelost zijn," vervolgde de administrateur, »dan..."

Maar hij kon niet eindigen. Ieder had zijne gedachte geraden.

»Dan zijn zij door de federalistische vaartuigen gelost!" riep James Burbank uit.

»Zou de flottilje van den Commodore Dupont eindelijk de monding van de Sint John bemachtigd hebben en thans de rivier opstevenen?" vroeg Walter Stannard.

Alles wel beschouwd, was het volstrekt niet onmogelijk, dat die vlootvoogd thans meester van de rivier, althans van het benedengedeelte van haar stroombekken was.

Toch was dat het geval niet.

Die drie kanonschoten waren van de landingsbatterij te Jacksonville gelost geworden. Dat bleek al spoedig; want het bleef bij die drie losbrandingen.

Er had dus geen gevecht plaats tusschen de vaartuigen der Noordelijken en de troepen der geconfedereerden, hetzij op de Sint John, hetzij in de vlakten van het graafschap Duval.

Weldra bleef er geen twijfel meer over, dat het een sein tot terugroeping was voor de opperhoofden van het detachement militietroepen. Toen toch master Perry een der zij-schietgaten genaderd was, riep hij eensklaps uit:

»Zij trekken af!... Zij trekken af!..."

Niemand had te vragen wie aftrok. Die uitkomst kwam te zeer met aller wenschen en verwachtingen overeen om niet terstond voor onbetwistbaar waar aangenomen te worden.

James Burbank en zijne makkers traden dadelijk op het middenvenster toe en openden dat.

De bijlslagen weerklonken niet meer op de deur. De geweerschoten knalden niet meer en men bespeurde geen enkele der aanvallers meer. Wel werd nog geschreeuw en gehuil vernomen, maar klaarblijkelijk verwijderde zich dat al meer en meer.

Er was dus iets gebeurd, hetgeen de aan het roer zijnde autoriteiten van Jacksonville genoopt had dien geheelen troep op den anderen rivieroever van de Sint John terug te roepen. Ongetwijfeld was men met elkander overeengekomen, dat drie kanonschoten zouden gelost worden, wanneer de eene of de andere beweging van het noordelijk smaldeel de stellingen der geconfedereerden mocht bedreigen.

De aanvallers hadden dan ook plotseling hunne laatste poging om Castle-House te bemachtigen gestaakt.

Thans volvoerden zij door de verwoeste velden van de plantage, langs dien weg, die nog door de vlammen van de gepleegde brandstichtingen verlicht werd, den terugtocht, en een uur later bereikten zij de plaats, waar hunne sloepen en vaartuigen op twee mijlen beneden Castle-Bay, hen wachtten en staken zij de rivier over.

Hunne kreten verzwakten weldra in de verte en verstomden eindelijk geheel. Op het luidruchtig geschreeuw en het geknetter van het geweervuur volgde thans eene diepe stilte. Het was alsof het de stilte des doods was, die op de plantage heerschte.

Het was toen ongeveer half tien des avonds. James Burbank en zijne makkers daalden naar de hal, op de benedenverdieping gelegen, af. Daar vonden zij Edward Carrol, op een divan uitgestrekt liggen. Hij was slechts licht gekwetst en gevoelde zich maar wat zwak door het bloedverlies.

Men vertelde hem wat er voorgevallen was en dat Castle-House ten gevolge van het sein, van den kant van Jacksonville uitgegaan, voor het oogenblik althans niets meer van de bende van Texar te vreezen had.

»Ja, ik hoop zoo," zei James Burbank, »maar intusschen heeft het ruwe geweld en de vreeselijkste willekeur hier huis gehouden."

»Denk daar nu niet aan!" sprak Edward Carrol.

»Die Texar, die ellendeling, heeft besloten, dat mijne bevrijde negers verspreid en uiteengejaagd zouden worden. En ziet, zij zijn heinde en ver verspreid! Hij wilde uit wraakzucht de plantage verwoesten, en ziet, er blijven slechts puinhoopen over!"

»James," antwoordde master Walter Stannard, »grooter onheilen en rampen hadden ons kunnen overkomen. Niemand onzer is bij de verdediging van Castle-House omgekomen; alleen Edward Carrol is licht gekwetst. Uwe echtgenoote, uwe dochter en de mijne hadden in handen van die onverlaten kunnen vallen. En wat ware dan hun lot geweest! En ziet, zij bevinden zich in veiligheid!"

»Gij hebt gelijk, Stannard, en dat God geloofd en geprezen zij!" zei James Burbank plechtig.

»Ja, dat God geloofd en geprezen zij!" herhaalden allen met aandoening en dankbaarheid.

»Overigens," ging James Burbank voort, »wat op bevel van Texar uitgevoerd is, zal niet ongestraft blijven. Ik zal wel zorgen, dat er over het vergoten bloed recht gesproken worde!..."

»Wellicht is het thans te betreuren," zei Edward Carrol, »dat mevrouw Burbank, miss Alice, de kleine Dy en Zermah Castle-House verlaten hebben."

»Wat bedoelt gij?" vroeg James Burbank.

»Ja, ik weet wel, dat onze toestand toen vrij benard was... Toch zou ik het thans wenschelijk achten, dat zij weer bij ons waren."

»Morgen, vóór dat de dag nog aangebroken zal zijn, ga ik naar haar toe," antwoordde James Burbank.

»Dat is een goed voornemen," zei Walter Stannard.

»Zij moeten in doodelijke ongerustheid verkeeren," vervolgde James Burbank. »Ik kan hen dan geruststellen. Ik zal dan beslissen of zij naar Camdless-Bay teruggevoerd zullen kunnen worden, of dat zij nog eenige dagen op Ceder-Rots zullen moeten verblijven!"

»Ja, niets mag met overhaasting geschieden," antwoordde master Walter Stannard. »Misschien is alles nog niet ten einde... en zoolang Jacksonville zich nog in de macht van Texar bevindt, hebben wij nog alles te duchten."

»Daarom zal ik zoo voorzichtig mogelijk te werk gaan," hernam James Burbank.

En zich tot master Perry, den administrateur, wendende, vervolgde hij:

»Zorg er voor, Perry, dat morgenochtend vóór het aanbreken van den dag een vaartuig gereed ligt."

»Goed, master Burbank," antwoordde Perry. »Hoeveel roeiers wenscht gij?"

»Ik geloof aan één man genoeg te hebben, om..."

Een angstverwekkende kreet, een wanhopig hulpgeschreeuw werd er in dit oogenblik vernomen en brak den volzin van James Burbank af.

Die kreet kwam van den kant van het grasperk in den tuin, hetwelk zich voor het heerenhuis uitstrekte.

Weldra werden deze woorden duidelijk vernomen:

»Vader!... Vader!..."

»God!... het is de stem mijner dochter!" riep master Walter Stannard uit.

»O, God!... Een nieuw ongeluk!..." was de kreet van James Burbank.

Hij vloog naar de deur, opende die en allen stormden naar buiten.

Miss Alice stond daar op weinige passen afstand van het woonhuis bij mevrouw Burbank, die op den grond uitgestrekt lag.

Noch Zermah, noch de kleine Dy bevonden zich bij haar.

»Mijn kind?... Waar is mijn kind?" riep James Burbank in den grootsten angst uit.

Bij het hooren van die stem richtte mevrouw Burbank zich op.

Zij kon niet spreken... Met angstig gebaar strekte zij de hand naar den kant van de rivier uit.

»Ontvoerd!..." sprak zij met schorre stem.

»Ontvoerd?" vroeg de vader, schier waanzinnig van ontzetting.

»Ja," knikte zijne vrouw.

»Door wien?"

»Door... Texar!..." antwoordde miss Alice.

En bij het uitspreken van die woorden zeeg het jonge meisje naast mevrouw Burbank op den grond neder.

XII.

DE ZES VOLGENDE DAGEN.

Wat was er met de drie vluchtende vrouwen gebeurd? Ziehier:

Toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard de tunnel intraden, die van het heerenhuis naar de kleine Marino-kreek op den linkeroever der Sint John-rivier voerde, stapte Zermah vooruit. Zij hield het kleine meisje bij de hand. In de andere hand droeg zij eene lantaarn, welker zwak schijnsel haren weg verlichtte.

Bij het uiteinde van de tunnel aangekomen, had Zermah mevrouw Burbank verzocht haar te wachten. Zij wilde zich vergewissen, dat de sloep en de twee negers, die haar naar Ceder-Rots moesten brengen, gereed en op hun post waren. Zij opende de deur, die daar toegang tot de tunnel verleende, en naderde de rivier.

Zij kon zich nog nauwelijks gedurende hoogstens eene minuut verwijderd hebben, toen mevrouw Burbank en miss Alice, die den terugkeer van de slavin ongeduldig afwachtten, ontwaarden dat de kleine Dy zich niet meer bij haar bevond.

»Dy?... Dy?..." riep mevrouw Burbank met luide stem, op gevaar af hare tegenwoordigheid te dezer plaatse te verraden.

Geen antwoord.

Het kind, gewoon om steeds Zermah te volgen, was met haar buiten de tunnel getreden en begaf zich, zonder dat hare moeder het bemerkte, naar den kant der kreek.

Plotseling werd gejammer vernomen. Een voorgevoel waarschuwde de arme moeder, dat een nieuw ongeluk haar getroffen had; en zonder zich af te vragen of zich rekenschap te geven, of zij zelve geen gevaar liepen, vlogen mevrouw Burbank en miss Alice naar buiten, liepen naar den rivieroever en kwamen helaas! nog juist bijtijds bij den waterkant, om eene sloep in het duister van den nacht te zien verdwijnen.

»Help!... Help!..." riep Zermah met wanhopige stem. »Help!... Het is Texar!"

»Texar!... Texar!..." riep Alice op hare beurt. »Ja,... het is Texar!"

En met de hand wees zij naar den Spanjaard, die rechtopstaande op de achterplecht van het vaartuig, een oogenblik door het schijnsel van de vlammen van een nog brandende keet van Camdless-Bay verlicht werd, maar spoedig daarop in het donker verdween.

Daarna was alles stil.

De beide negers van de sloep lagen vermoord en akelig bloedend op den grond.

Toen vloog mevrouw Burbank, waanzinnig van angst en ontzetting, en gevolgd door miss Alice, die haar niet had kunnen weerhouden, naar den rivieroever en riep met luide stem haar dochtertje. Geen enkele kreet beantwoordde haar angstig geroep. Het vaartuig, dat haar schat bevatte, was uit het gezicht verdwenen. Wellicht was het achter een hoek der vele rivierkronkelingen voortgeschoten, of wel was het den stroom overgestoken, om bij het een of andere punt van den linkeroever aan te leggen.

Hare nasporingen duurden ruim een uur lang; maar waren natuurlijk tevergeefs. Eindelijk viel mevrouw Burbank, wier krachten uitgeput waren, op den oever neder. Miss Alice Stannard ontwikkelde toen eene buitengewone geestkracht; zij slaagde er in de rampzalige moeder op te tillen, haar te ondersteunen. Zij trok haar met zich voort, ja, zij droeg haar schier. In de verte, in de richting van Castle-House, donderde en ratelde het geweervuur en bij wijlen werd het vreeselijk jankend gehuil van den aanvallenden troep vernomen.

En toch moesten die twee vrouwen in die richting voorwaarts treden!

Zij moesten pogen door de tunnel weer in het heerenhuis te geraken; zij moesten trachten te bewerken, dat haar de deur geopend werd, die van de benedenverdieping van het woonhuis toegang tot die onderaardsche gang verleende.

Maar zou miss Alice, wanneer zij die deur met de ongelukkige moeder bereikt zoude nebben, er in slagen om zich door de bewoners te doen hooren?

Zij trok, zij sleurde als 't ware mevrouw Burbank, die geheel onbewust was van hetgeen rondom haar voorviel, met haar voort. Terwijl zij langs den rivieroever terugkeerden, waren zij verplicht zeker wel twintigmalen stil te blijven staan. Beiden konden toch ieder oogenblik in handen vallen van een dier benden, die op de plantage overal rondzwierven om te plunderen en te vernielen, wat maar te vernielen was.

Het ware misschien beter geweest den dag af te wachten! Maar hoe zou het mogelijk zijn, aan mevrouw Burbank op dien rivieroever die verpleging te wijden, welke haar toestand toch vorderde? Miss Alice besloot dan ook, in weerwil van alles naar Castle-House te gaan. Daar zij evenwel begreep, dat het volgen van de kronkelingen van de Sint John den weg aanmerkelijk en noodeloos verlengde, kwam zij op de gedachte dwars door de weilanden te steken en zich daarbij te richten op de barakken, die in lichte laaie stonden.