De Strijd Tusschen Noord En Zuid Deel 1 Overrompeling Eener Pla

Chapter 8

Chapter 83,759 wordsPublic domain

In den avond van den 26sten Februari kwam een ordonnans, die door het stedelijk bestuur van Jacksonville afgezonden was, te Camdless-Bay aan en overhandigde aan James Burbank een officieel schrijven, hetwelk aan hem geadresseerd was.

Ziehier wat dat schrijven inhield:

»Bevel aan master James Burbank, om zich morgen den 27sten Februari, des ochtends te elf uren in persoon te vervoegen bij de autoriteiten van Jacksonville op Court-Justice."

Overigens behelsde dat papier geen woord!

VII.

IN WEERWIL VAN ALLES.

Wanneer dat de donderslag nog niet was, dan was het toch de bliksemstraal die hem voorafgaat.

En al toonde James Burbank zich niet ontsteld bij de ontvangst van dien brief, dan toch vervulde die de geheele familie met angst en ontzetting. En dat niet zonder reden.

Waarom toch was de eigenaar van Camdless-Bay naar de hoofdplaats Jacksonville opgeroepen? Ja, opgeroepen! Want het was degelijk een bevel en geene uitnoodiging om voor de autoriteiten te verschijnen.

Wat verlangde men toch van hem?

Was het een maatregel, welke een gevolg was van een voorstel tot onderzoek, dat tegenover hem ingesteld werd?

Werd zijne vrijheid, zijn leven wellicht daarom bedreigd?

En zou men hem, wanneer hij gehoorzaamde, wanneer hij de zijnen verliet, naar Castle-House laten wederkeeren?

En zou men, wanneer hij niet gehoorzaamde en niet naar Jacksonville ging, geweld gebruiken om hem te noodzaken?

O, aan welke gevaren, aan welke gewelddadigheden zou hij de zijnen in dit laatste geval niet blootstellen?

»Ge zult niet gaan, James!"

Het was mevrouw Burbank die zoo sprak en die--men gevoelde het--het woord uit aller naam voerde.

»Neen, mijnheer Burbank!" sprak miss Alice op hare beurt. »Gij kunt, gij moogt er niet aan denken om ons te verlaten..."

»Neen, dat mag niet!" herhaalde Walter Stannard.

»En waarom zoudt gij zoo iets doen?" vroeg master Edward Carrol.

James Burbank keek zijn vriend met doordringenden blik aan.

»Ja, kijk mij maar aan!" hernam deze. »Ik herhaal mijne vraag: waarom zoudt gij zoo iets doen? Om u aan de genade of beter aan de willekeur van dergelijke lieden over te geven?"

James Burbank bleef nog steeds zwijgen. In de eerste oogenblikken was bij de ontvangst van die brutale oproeping zijne verontwaardiging opgewekt geworden, en die kon hij zoo spoedig niet bedwingen.

Maar wat was er toch geschied, dat die magistraten zoo stoutmoedig maakte? Waren de makkers en aanhangers van Texar reeds meester van het bestuur?

Hadden zij de regeering, die nog eenige gematigdheid aan den dag legde, reeds omver geworpen? En hadden zij hare plaats reeds ingenomen?

Neen, dat was het geval niet! De administrateur, master Perry, was dienzelfden namiddag van Jacksonville op de plantage teruggekeerd en had geene tijding medegedeeld, die zoo iets kon doen vermoeden.

»Misschien is in de laatste dagen een oorlogsfeit in het voordeel der Zuidelijken uitgevallen," meende master Walter Stannard, »hetwelk de Floridasche autoriteiten kan aanzetten om meer gewelddadig tegenover ons op te treden."

»Ik vrees waarlijk dat dit het geval is," antwoordde Edward Carrol.

»En waaraan ontleent gij die vrees?" vroeg mevrouw Burbank.

»Wanneer de Noordelijken eene nederlaag geleden hebben, dan zullen de boosdoeners vermeenen geen redenen meer te hebben, om de nadering van den Commodore Dupont te duchten, en dan zijn zij in staat tot alle uitspattingen en losbandigheden over te slaan."

»Men verhaalde dat de federalistische troepen in den Staat Texas voor de militietroepen van Sibley het veld hebben moeten ruimen," hernam master Walter Stannard, »en dat zij, na eene vrij ernstige nederlaag bij Valvesde geleden te hebben, den Rio Grande weer hebben moeten overtrekken."

»Maar is dat waar?"

»Zoo vertelde mij althans ongeveer een uur geleden een man van Jacksonville."

»Klaarblijkelijk heeft die tijding," meende Edward Carrol, »die kerels zoo stoutmoedig gemaakt."

»Zullen het leger van Generaal Sherman en de flottilje van den Commodore Dupont dan nimmer komen?" riep mevrouw Burbank uit.

»Wij hebben nog slechts den 26sten Februari," antwoordde miss Alice, »en volgens den brief van Gilbert zullen de schepen van den Commodore eerst op den 28sten zee kiezen."

»En dan zal er nog tijd noodig zijn om de mondingen der Sint John te bereiken," antwoordde master Walter Stannard, »daarna andermaal tijd om de vaarwaters te bemachtigen, om de bank over te stevenen, om eene landing te Jacksonville te bewerkstelligen... Gij kunt gerust op tien dagen rekenen, alvorens..."

»Tien dagen?" mompelde miss Alice.

»Nog tien dagen!"... herhaalde mevrouw Burbank.

»Ja, nog tien dagen!" antwoordde Stannard.

»En wie weet hoeveel ongelukken wij in dat tijdsverloop kunnen ondervinden," vervolgde de arme vrouw.

»Ja, God weet dat alleen!"

James Burbank had aan dat gesprek geen deel genomen. Hij peinsde; met de oproeping voor zich, vroeg hij zich af, wat hij doen moest.

Zou hij weigeren te antwoorden? Maar was dat het gevaar niet uitlokken om de geheele bevolking van Jacksonville, onder openlijke of stilzwijgende goedkeuring der autoriteiten, naar Camdless-Bay te zien stormen? En welke gevaren zouden dan aan zijne familie niet te wachten staan?

Neen, het was beter dat hij slechts zijn eigen persoon waagde. Al zou zijn leven of zijne vrijheid gevaar loopen, dan kon hij ten minste hopen, dat dit gevaar slechts hem zoude dreigen.

Mevrouw Burbank gevoelde de hevigste ongerustheid in haar gemoed opwellen en hield het oog op haren echtgenoot gevestigd. Zij kende hem en wist dat een hevige strijd in zijn binnenste woedde. Zij aarzelde evenwel eene vraag tot hem te richten.

En van hun kant aarzelden miss Alice, master Walter Stannard en Eduard Carrol ook om hem te vragen, welk antwoord hij vermeende te moeten geven op dat bevel van Jacksonville.

Het was de kleine Dy, die zich, ongetwijfeld geheel en al onbewust, tot tolk der geheele familie maakte. Zij was tot haren vader gegaan, die haar opgenomen en op zijn schoot geplaatst had.

»Papa?" zeide zij op vragenden toon.

»Wat wilt ge, lieve?"

»Zult gij naar die booze menschen gaan, die ons zooveel leed willen berokkenen?"

»Ja... kindlief... ik zal gaan..."

»James!..." riep mevrouw Burbank uit.

»Papa!"... kreet het kleine meisje ontzet.

»Het moet!... Het is mijn plicht!... Ja, ik zal gaan!"

James had met zulk een vastbesloten stem gesproken, dat iedereen gevoelde, dat het nutteloos zou zijn dit voornemen te bestrijden, waarvan hij de gevolgen, hoe schrikkelijk ook, voorzeker berekend en gewogen had. Zijne echtgenoote had naast hem plaats genomen; zij omhelsde hem, zij sloot hem in hare armen; maar zij sprak geen enkel woord. Wat zou zij bovendien ook hebben kunnen zeggen?

»Vrienden," sprak James Burbank, »het is, alles wel beschouwd, zeer goed mogelijk, dat wij de gevolgen van dat willekeurig bevel zeer ver overdrijven."

»Ja, die mogelijkheid bestaat," zei Edward Carrol.

»Waarvan kan men mij beschuldigen?" ging master Burbank voort. »Feitelijk van niets. Dat weet men zeer goed. Men kan mij mijne meeningen ten laste leggen, dat is zoo! Maar mijne meeningen zijn mijn eigendom, niet waar? Nimmer heb ik ze voor mijne tegenstanders onder stoelen of banken gestoken, en ik zal niet aarzelen hen in het aangezicht te zeggen, wat ik mijn geheele leven lang gedacht heb."

»Maar dat zou juist gevaarlijk zijn!" kreet mevrouw Burbank handenwringend.

»Wij zullen u vergezellen, James," zei Edward Carrol.

»Ja, wij gaan met u!" beaamde master Walter Stannard. »Wij zullen u niet zonder ons naar Jacksonville laten vertrekken. Neen, dat zullen wij niet."

»Neen, dat kan niet, vrienden," sprak James Burbank. »Ik alleen heb bevel gekregen, om voor de magistraten van Court-Justice te verschijnen; ik zal alleen naar Jacksonville gaan."

»Maar... James!" riep mevrouw Burbank wanhopend uit.

»Het zou kunnen wezen," vervolgde de eigenaar van Camdless-Bay, »dat ik eenige dagen opgehouden werd. Gij Edward en gij Carrol moet dus gebiedend op de plantage blijven; want aan u moet ik thans mijne familie toevertrouwen."

»Gaat gij ons dan verlaten, paatje-lief?" vroeg de kleine Dy met tranen in de oogjes.

»Ja, kleine meid," antwoordde haar vader op luchtigen toon. »Maar..."

»Maar wat, papa?" vroeg het kleine ding.

»Als ik morgen niet met u ontbijt, dan reken ik er toch op, dat ik terug zal zijn om te dineeren. En... dan zullen wij den geheelen avond te zamen doorbrengen...."

Het kind sloeg hare betraande oogjes naar haren vader.

»Kom, zeg mij," vervolgde hij medelijdend, »al zal ik niet veel tijd te Jacksonville hebben, zoo zal mij toch nog wel een kwartiertje overblijven, om wat voor je in te koopen. Zeg mij dus wat je genoegen zal doen? Wat moet ik voor je meebrengen?"

»Meebrengen?.... O, papa, breng u zelve mee!" antwoordde het lieve kind.

Na dat woord, hetwelk zoozeer het verlangen van allen schetste, ging de familie uiteen, om rust te zoeken. James Burbank beijverde zich evenwel, alvorens ook zoo te doen, al die veiligheids-maatregelen te treffen, welke door de omstandigheden geboden werden.

De nacht ging zonder bijzonder voorval voorbij.

Den volgenden ochtend ging James Burbank, die reeds bij het aanbreken van den dag opgestaan was, de bamboelaan door en richtte zijne schreden naar de kleine havenkom. Daar gaf hij de noodige bevelen, dat een vaartuig tegen acht uren zoude gereed zijn, om hem naar de overzijde der rivier over te zetten.

Toen hij van de pier naar Castle-House terugkeerde, sprak hem Zermah, die hem ontmoette, aan.

»Meester," vroeg zij, »zijt gij vast besloten om naar Jacksonville te gaan?"

»Ja, Zermah," antwoordde hij, »en ik ben in het belang der veiligheid van allen verplicht zoo te handelen. Gij begrijpt mij toch, niet waar?"

»Ja, meester. Ik gevoel dat eene weigering uwerzijds waarschijnlijk de benden van Texar naar Camdless-Bay zal lokken."

»En dat gevaar, hetwelk als het grootste van alle te beschouwen is, moet, het koste wat het wil, vermeden worden!"

»Verlangt gij, dat ik u vergezellen zal?"

»Ik verlang integendeel, Zermah, dat gij op de plantage zult blijven. Gij moogt mijne echtgenoote, mijne dochter niet verlaten, voor het geval, dat een gevaar haar vóór mijne terugkomst zou kunnen bedreigen."

»Welnu, ik zal ze niet verlaten, meester!"

»Geen enkel oogenblik, Zermah?"

»Geene minuut, geene seconde; daar kunt gij verzekerd van zijn. Wees dus gerust."

»Hebt gij niets nieuws vernomen?"

»Neen. Het is evenwel vrij zeker, dat verdachte lieden rondom de plantage dwalen. Men zou zeggen dat zij haar bewaken en bespieden. Gedurende den nacht hebben nog twee of drie vaartuigen op de rivier gekruist."

»Weet gij dat zeker?"

»Ja, master Burbank. En het komt mij voor alsof men gist, dat mijnheer Gilbert vertrokken is om dienst te nemen bij de federalistische krijgsmacht, dat hij onder de bevelen van den Commodore Dupont staat en dat hij door den lust bekropen kan worden om heimelijk naar Camdless-Bay te komen."

»Mijn brave jongen!" antwoordde James Burbank. »Neen, zoo iets vrees ik niet. Hij is te verstandig om zulk eene onvoorzichtigheid te bedrijven."

»Ik vrees, meester, dat Texar dienaangaande eenigen argwaan koestert," hernam Zermah. »Men verzekert dat de invloed van dien schavuit iederen dag grooter wordt. Wantrouw vooral dien Texar, meester, wanneer gij te Jacksonville zult zijn. Wantrouw hem!"

»Ja, zooals ik een vergiftige slang zou doen, Zermah. Ja, ik zal voorzichtig zijn en goed uitkijken. Maar wanneer hij gedurende mijne afwezigheid een aanslag op Castle-House ondernam...."

»Wees slechts bezorgd voor u zelven, meester, en vrees niets voor ons. Uwe slaven zullen de plantage wel weten te verdedigen. Als het zal moeten zijn, zullen zij zich tot den laatsten man laten dooden. Allen zijn vol toewijding voor u. Zij hebben u lief. Ik weet wat zij denken, wat zij zeggen en wat zij, als het oogenblik daar zal zijn, doen zullen. Men is reeds van andere plantages herwaarts gekomen, om hen tot opstand aan te zetten... Maar zij willen er niets van weten. Allen maken slechts ééne groote familie uit, die u innig verknocht is. Gij kunt op hen rekenen."

»Ik weet het Zermah, ik weet het, en ik reken ook op hen."

James Burbank ging naar het woonhuis terug. Toen het oogenblik tot vertrek gekomen was, zeide hij vaarwel aan zijne echtgenoote, aan zijn dochtertje, aan miss Alice. Hij beloofde hen, in tegenwoordigheid van die magistraten te Jacksonville, welke hem voor zich ontboden hadden, kalm te blijven en niets te doen of te zeggen wat hen tot gewelddadigheden zoude kunnen verlokken, onverschillig wie zij ook zijn mochten. Zeer zeker zou hij dienzelfden dag weer op Camdless-Bay terug zijn.

Daarna nam hij afscheid van al de zijnen en vertrok.

Zeer zeker had James Burbank alles voor zich zelven te duchten. Hij was evenwel veel meer ongerust over zijne familie, die hij op Castle-House moest achterlaten en die aan zoovele gevaren blootgesteld kon zijn.

Walter Stannard en Edward Carrol vergezelden hun vriend tot bij de kleine haven, die, zooals men weet, aan het uiteinde der bamboelaan gelegen was. Daar beval hij hun nogmaals zijne lievelingen aan en stapte toen in het vaartuig, dat, door eene flink doorstaande zuidwesten bries voortgestuwd, zich met snelheid van de aanlegplaats van Camdless-Bay verwijderde.

Een uur later, zoo omstreeks tegen tien uren, landde James Burbank op de kade te Jacksonville.

Die kade was toen nagenoeg verlaten. Er bevonden zich slechts eenige weinige vreemde zeelieden, die zich onledig hielden met het lossen van vrachtgoederen uit de doggers. James Burbank werd dus bij zijne aankomst niet herkend, en kon hij zich, zonder dat daarvan door iemand melding gemaakt werd, naar master Harvey, een zijner correspondenten, begeven, die aan het andere uiteinde der haven woonde.

Master Harvey was zeer verbaasd hem te zien en ontveinsde zijne ongerustheid deswege niet. Hij had de hoop gekoesterd, dat de heer Burbank niet aan de oproeping, om voor de Court-Justice te verschijnen, zoude gehoorzamen. In de stad koesterde het meerendeel der bevolking dezelfde meening. Wat aanleiding tot dat kort en bondig bevelschrift had gegeven, om voor de magistraten te verschijnen, daaromtrent kon master Harvey niets mededeelen.

Zeer waarschijnlijk wilde men, om aan de openbare meening voldoening te schenken, aan James Burbank inlichtingen vragen over zijne houding sedert het uitbreken van den oorlog en over zijne denkbeelden ten opzichte der slavernij. Dit kon vrij overbodig geacht worden, daar èn die houding èn die denkbeelden genoegzaam bekend waren. Misschien wilde men zich van zijn persoon verzekeren, om in hem, die als aanhanger der Noordelijken en als de rijkste kolonist van geheel Florida beschouwd werd, een gijzelaar te hebben. Had hij niet beter gedaan met te Camdless-Bay te blijven? Zoo althans was de meening van master Harvey.

»En kunt gij niet dadelijk terugkeeren," vroeg de waardige correspondent, »daar, zooals gij zegt, niemand te Jacksonville weet, dat gij aangekomen zijt?"

Neen, dat ging niet, James Burbank was niet gekomen om heen te gaan.

Hij wilde weten, waaraan hij zich voortaan te houden zoude hebben, en dat zou hij weten.

Hij richtte toen eenige vragen tot zijn correspondent, die in innig verband met den toestand, waarin hij zich bevond, stonden.

»Zijn de autoriteiten weggejaagd?"

»Nog niet. Maar hunne positie is niet benijdenswaardig en wordt wel bedreigd."

»Dus de volksmenners zijn te Jacksonville nog niet op het kussen?"

»Neen, maar bij het eerste opstootje zullen zij er wel op komen. De toestand van de oude autoriteiten is volkomen onhoudbaar; bij de eerste beweging moeten zij omvergeworpen worden."

»Heeft de Spanjaard Texar de hand in de oproerige beweging, die onder de bevolking voorbereid werd?"

»Ja, zeker."

»Heeft hij invloed?"

»Men beschouwt hem als het hoofd van het meest geavanceerde gedeelte der partij van de aanhangers der slavernij."

»En beschikt die partij over eenige macht?"

»Men rekent er op als op het onvermijdelijke, dat hij en zijne makkers weldra het gezag over de stad in handen zullen hebben."

»Zijn de laatste wapenfeiten, waarvan de berichten zich over geheel Florida beginnen te verspreiden, al dan niet bevestigd geworden?"

»Ja, dat zijn zij thans. De organisatie der Zuidelijke Staten heeft geheel en al plaats gegrepen. Het gouvernement is op den 22sten Februari geïnstalleerd geworden."

»Wie zijn tot regeeringsleden gekozen?"

»Tot president is Jefferson Davis en tot vice-president Stephens gekozen. Beiden zijn voor een tijdvak van zes jaren met het gezag bekleed. Drie dagen later heeft Jefferson Davis aan het Congres, dat uit twee kamers samengesteld en te Richmond te zamen geroepen is, het voorstel gedaan om den verplichten persoonlijken diensttijd in te voeren, en is dat met overgroote meerderheid van stemmen aangenomen."

»En verder? Hoe is de loop der gebeurtenissen?"

»Sedert dat tijdstip hebben de geconfedereerden eenige partieele voordeelen behaald, die evenwel op geene groote belangrijkheid kunnen bogen. Daarenboven, een groot gedeelte van het leger van den Generaal Mac Clellan was, zooals men beweerde, op den 24sten Februari de boven-Potomac overgetrokken en had daardoor de ontruiming van Columbus door de Zuidelijken noodzakelijk gemaakt."

»Maar dat zijn zeer gewichtige tijdingen, master Harvey."

»Als ze zich bevestigen, zeker! Men vertelt ook, dat in de nabijheid van de Mississippi een groote veldslag aanstaande is. Daardoor zou het leger der Zuidelijken voeling met dat van Generaal Grant krijgen."

»En hoe staat het met het smaldeel, hetwelk de Commodore Dupont naar de mondingen der Sint John gericht heeft?"

»Het gerucht heeft zich verspreid, dat de flottilje van dien zeevoogd de vaarwaters binnen een tiental dagen zou bemachtigen."

»Dat zal den toestand hier nog meer gespannen maken, dunkt u niet?"

»Ja, zeker zal het dat! Wanneer Texar en zijne aanhangers een aanslag in den zin hebben, die hen het gezag over de stad in handen moet spelen en die hen veroorloven zal aan hunne persoonlijke wraakzuchtige gevoelens bot te vieren, dan moeten zij zich inderdaad haasten."

Zoo was de stand van zaken te Jacksonville, en ... wie weet of het voorval met James Burbank de ontknooping niet ging verhaasten?

Toen het vastgestelde uur om te verschijnen gekomen was, verliet James Burbank de woning van zijn correspondent en richtte zijne schreden naar het plein, alwaar het gebouw van Court-Justice verrees. Er heerschte eene groote opgewondenheid in de straten. De bevolking drong in grooten getale naar dien kant. Men gevoelde als het ware, dat uit die zaak, welke uit haar zelve weinig belangrijk was, een oproer kon groeien, welks gevolgen betreurenswaardig konden zijn.

Het bedoelde plein was overvuld. Half blanken, mestiezen, mulatten en negers krioelden daar en waren natuurlijk zeer onstuimig. Wanneer ook al het getal van hen, die eene plaats binnen de gerechtszaal van Court-Justice bekomen hadden, vrij beperkt was, zoo waren toch vooral aanhangers van Texar er in geslaagd daar binnen te dringen en bevonden zich te midden van een zeker aantal eerlijke lieden, die tegen iedere daad van onrechtvaardigheid en onbillijkheid gekant waren. Het zou dezen evenwel zeer moeielijk zijn weerstand te bieden aan dat gedeelte van de bevolking, dat er op uit scheen, het bestaande stedelijke bestuur van Jacksonville omver te werpen.

Toen James Burbank op het plein verscheen, werd hij dadelijk herkend. Heftige kreten, die hem volstrekt niet gunstig in de ooren konden klinken, barstten toen los. Eenige moedige burgers evenwel sloten zich bij hem aan en vormden een kring rondom hem. Zij wilden niet, dat een eervol man, zoo geacht als de grondbezitter van Camdless-Bay, zonder verdediging blootgesteld zoude zijn aan de handtastelijkheden van eene verdwaasde menigte.

Volgens hen had James Burbank, door aan de oproeping, die hij ontvangen had, te gehoorzamen, bewijzen gegeven van vastberadenheid en waardigheid. En daarvoor moest men hem dankwijten.

James Burbank was dus in staat, zich over dat plein een doortocht te banen. Hij betrad ongehinderd den drempel van de deur van Court-Justice, ging naar binnen en bleef voor den rechterstoel staan, waarvoor hij tegen alle recht en billijkheid in gedaagd was.

De eerste magistraat der stad en zijne hulpofficieren hadden hunne zetels reeds ingenomen. Dat waren gematigde mannen, die terecht den eerbied en het ontzag, welke zij genoten, verdienden. Aan welke schimpscheuten en aan welke bedreigingen die lieden sedert het uitbreken van den secessie-oorlog blootgestaan hadden, zal wel niet behoeven verteld te worden. Zij hadden meer dan buitengewonen moed moeten ten toon spreiden, om op hun post te blijven, meer dan buitengewone geestkracht moeten ontwikkelen, om zich daarop te handhaven. En dat zij er in geslaagd waren om aan alle aanslagen van de omwentelings-gezinden weerstand te bieden, vond daarin zijne afdoende reden, dat de quaestie der slavernij de gemoederen in Florida slechts middelmatig opwond, terwijl zij de hoofden in de naburige Staten hartstochtelijk in beroering bracht.

Het viel evenwel niet te ontkennen, dat de separatistische meeningen langzamerhand al meer en meer veld wonnen. En met haar werd de invloed der kerels, die op onverwachte aanslagen uit waren, der gelukzoekers, der zwervelingen, in aanzienlijken getale in het graafschap aanwezig, al meer en meer beduidend. En het was zelfs om eene soort van genoegdoening te verschaffen aan de openbare meening, die onder den druk der woestelingen stond, dat de magistraten er toe overgegaan waren om James Burbank, toen die door den Spanjaard Texar, door dat hoofd van de partij der onverzoenlijken, aangeklaagd werd, voor hunnen rechterstoel te dagen.

Het gemompel, dat zich van den eenen kant goedkeurend en van den anderen kant afkeurend had laten hooren, toen de eigenaar van Camdless-Bay de gerechtszaal binnentrad, verstomde weldra.

James Burbank stond voor den rechterstoel rechtop, met den blik van iemand, die geen zwak oogenblik ondervond, en alvorens de magistraat hem de gewone vragen kon stellen, zei hij met heldere en onbewogen stem:

»Gij hebt James Burbank voor u gedaagd, heeren; James Burbank staat voor u!"

Daarna vroeg hij, nadat de gebruikelijke formaliteiten in dergelijke gevallen volbracht waren, waarbij hij op eenvoudigen toon maar zeer kortaf antwoordde:

»Waarvan beschuldigt men mij?"

»Men beschuldigt u, dat gij door woorden en misschien ook door daden tegenstand tracht te bieden aan de meeningen en aan de hoop, die thans in Florida geldig zijn!"

»En wie beschuldigt mij?" vroeg James Burbank.

»Ik!"

Dat was Texar, die sprak. James Burbank had zijne stem herkend. Maar hij draaide zelfs zijn hoofd niet naar dien kant. Hij vergenoegde zich met de schouders op te trekken, als een teeken van minachting voor den ellendigen aanklager, die tegen hem optrad.

De makkers en aanhangers van Texar moedigden hun hoofd met stem en gebaren aan.

»En waarop steunt de aanklacht van die zijde ingebracht?" vroeg James Burbank aan den magistraat.

Deze keek Texar vragend aan.

»Vooreerst," zei deze, »zal ik James Burbank zijne qualiteit van Noordelijke in het aangezicht werpen. Zijne tegenwoordigheid te Jacksonville is eene voortdurende beleediging voor de bevolking van een geconfedereerden Staat. Daar hij zoowel door afkomst als door overtuiging de zienswijze der Noordelijken toegedaan is, waarom is hij dan niet naar het Noorden teruggekeerd?"

»Ik ben in Florida gekomen, eenvoudig omdat mij dat goed dacht," antwoordde James Burbank, »en om dezelfde reden ben ik er gebleven. Ik woon nu sedert twintig jaren in het graafschap. Al ben ik er niet in geboren, dan weet toch iedereen vanwaar ik kom. Ik zeg dat voor hen, wier verleden onbekend is, die een verborgen bestaan leiden en wier daden eerder aan een onderzoek zouden moeten onderworpen worden dan de mijne."