De Strijd Tusschen Noord En Zuid Deel 1 Overrompeling Eener Pla
Chapter 5
Ja, zij had Diana, of beter Dy, zooals het vroolijke en beminnelijke meisje gewoonlijk genoemd werd, op Castle-House bij zich; maar Gilbert daarentegen was er niet. Die bevond zich te midden van het volle oorlogsgewoel. En dat was oorzaak, dat de liefderijke moeder onophoudelijke doodsangsten doorstond en zij zich niet in staat gevoelde, die steeds en altijd te bemantelen.
Gilbert was een jongeling, die toen vier en twintig jaren oud was, en bij wien men de edele eigenschappen en hoedanigheden van zijn vader terugvond. Hij was evenwel iets meer mededeelzaam van karakter, terwijl hij lichamelijk met meer bevalligheid en aantrekkelijkheid bedeeld was. Bovendien was hij een stoutmoedige kerel, die zijne zenuwen door alle mogelijke lichaamsoefeningen gestaald had. Hij was even behendig ruiter als bekwaam zeevaarder en ervaren jager. Tot grooten schrik zijner moeder had hij veelal de uitgestrekte wouden en moerassen van het graafschap Duval tot tooneel zijner jachtbedrijven gekozen. Ook met de veelvuldige kreken en zeemondingen van de Sint John was hij bekend, en meermalen had hij zijne tochten tot bij de Pablo-monding uitgestrekt.
Gilbert gevoelde zich dan ook natuurlijk geheel aangetrokken tot het soldatenleven, toen de eerste schoten bij het uitbreken van dien onzaligen secessie-oorlog gewisseld werden, en was tot het doorstaan van de vermoeienissen, aan dat leven verbonden, geheel en al geschikt. Hij begreep, dat zijn plicht hem in de gelederen der federalistische troepen riep en aarzelde niet. Hij verzocht om te mogen vertrekken. En James Burbank dacht er geen oogenblik aan, om den wensch zijns zoons te weerstreven, hoeveel verdriet zijne echtgenoot ook over het genomen besluit mocht ondervinden en hoevele gevaren de toestand ook mocht aanbieden. Hij dacht evenals zijn zoon, dat plicht gebood en dat plicht boven alles moet gaan.
Gilbert vertrok dus naar het noorden; maar zijn heengaan werd zoo geheim mogelijk gehouden. Wanneer men toch te Jacksonville vernomen zoude hebben, dat de zoon van James Burbank bij het leger der Noordelijken in dienst getreden was, zou dat voorzeker represaille-maatregelen tegen Camdless-Bay uitgelokt hebben. De jonge man had aanbevelingsbrieven medegekregen voor vrienden, die zijn vader in den Staat New Jersey behouden had. Daar hij steeds een zekere voorkeur voor het zeemansleven aan den dag gelegd had, verschafte men hem spoedig eene verbintenis op de federalistische vloot.
In dien tijd kwam men in dienst snel vooruit, en daar Gilbert tot hen behoorde, die niet van luilakken houden, baande hij zijn weg. Daarenboven had het gouvernement van Washington het oog op dien jongen man gevestigd, die bij het uitbreken der vijandelijkheden geen oogenblik geaarzeld had, om zijne diensten aan te bieden. Bij den aanval op het fort Sumter had Gilbert het geluk gehad bijzonder uit te munten. Hij was op de Richmond, toen dit schip in de Mississippi-monding door de Manassas aan boord geloopen werd, en hij bracht in ruime mate het zijne er toe bij, om het veroverde vaartuig te ontdoen van de entertrossen en haken en het te hernemen.
Na die verrichting werd hij, hoewel hij niet afkomstig was van de zeevaartkundige inrichting te Annapolis, evenmin als al die geïmproviseerde officieren, welke aan den handel ontleend waren, tot adelborst bevorderd. In dezen nieuwen graad kwam hij bij het smaldeel van den Commodore Dupont aan en woonde het schitterende wapenfeit van het nemen van het fort Hatteras, daarna het bezetten der Sea Islands bij.
Hij was nu luitenant ter zee aan boord van een der kanonneerbooten van den Commodore Dupont, die zich gereed maakten om de toegangen tot de Sint John te bemachtigen.
Ja, dit jongmensch was ook ongeduldig om dien onzaligen en bloedigen broederoorlog een einde te zien nemen. Hij beminde toch en werd weder bemind!
Wanneer zijn diensttijd om zoude zijn, zou hij naar Camdless-Bay vliegen, alwaar hij met de dochter van een der beste vrienden zijns vaders in het huwelijk zoude treden.
Master Walter Stannard behoorde niet tot de klasse der kolonisten van Florida. Hij was als weduwnaar, evenwel niet geheel zonder vermogen, bij den dood zijner gade achtergebleven en had zich geheel en al willen wijden aan de opvoeding zijner dochter. Hij woonde te Jacksonville en had derhalve de rivier slechts vier of vijf mijlen op te varen, om zich naar Camdless-Bay te begeven. In de laatste vijftien jaren was er geen week voorbijgegaan, dat hij geen bezoek aan de familie Burbank gebracht had. Men zou dus gerust kunnen beweren, dat Gilbert Burbank en Alice Stannard te zamen opgevoed waren.
Vandaar dan ook dat men reeds sedert langen tijd plannen van een huwelijk tusschen de jongelieden gevormd had. Die plannen hadden nu tot eene beslissing geleid, die het geluk van beiden moest verzekeren.
Hoewel Walter Stannard van zuidelijke afkomst was, zoo was hij toch, evenals meerdere zijner medeburgers in Florida, een bepaald tegenstander van de slavernij. Maar hij en zijne medestanders waren niet talrijk genoeg, om aan de groote meerderheid der kolonisten en der bewoners van Jacksonville, welker denkbeelden steeds scherper aan den dag kwamen en zich al meer en meer voor de zaak der afscheiding uitspraken, het hoofd te kunnen bieden. Daaruit volgde, dat die eerlijke lieden door de volksmenners in het graafschap, door de half-blanken en vooral door de heffe des volks, die tot alle buitensporigheden en uitspattingen in staat was, met vertoornden blik nagekeken werden.
Walter Stannard was een Amerikaan, van Nieuw Orleans geboortig. Mevrouw Stannard, van Fransche afkomst, was op jeugdigen leeftijd gestorven, maar had de edele hoedanigheden, welke het Fransche ras zoo eigen zijn, op hare dochter overgedragen.
Toen het oogenblik van vertrek voor Gilbert gekomen was, had Alice eene groote geestkracht aan den dag gelegd. Zij was het, die toen mevrouw Burbank getroost en gerustgesteld had. Hoewel zij Gilbert evenzeer beminde als hij haar liefhad, hield zij niet op zijne moeder er op te wijzen, dat het zijn plicht was om te vertrekken, dat het zijn plicht was om voor zulk eene menschlievende zaak te strijden. Strijden voor die zaak, was strijden voor de bevrijding van een geheel menschenras.
Miss Alice was toen negentien jaren oud. Het was een blond jong meisje met bijna zwarte oogen, met eene warme en levendige huidtint, met eene bevallige gestalte en met lieve en voorname gelaatstrekken. Zij was wellicht een weinig ernstig, maar daarbij toch zoo bewegelijk van uitdrukking, dat de minste glimlach voldoende was om haar fraai gelaat te doen uitkomen.
En nu nog de schildering van een paar anderen.
Waarlijk, de kennismaking met de familie Burbank zou onvolkomen zijn, wanneer men naliet de beide dienstboden Mars en Zermah met een paar penseelstreken te vermelden.
Zooals men uit den brief van Gilbert gezien heeft, was deze niet alleen vertrokken. Mars, de echtgenoot van Zermah, had hem vergezeld. De jonge man zou geen meer verknochten makker hebben kunnen aantreffen dan die slaaf van Camdless-Bay, die vrij was, zoodra hij het grondgebied der anti-slaven-gezinde Staten betreden had. Maar Gilbert was steeds voor Mars zijn jonge meester en hij had hem niet willen verlaten, hoewel het federalistische gouvernement reeds lang overgegaan was tot het vormen van neger-bataljons, waarin hij natuurlijk een plaats had kunnen vinden.
Mars en Zermah behoorden niet door hunne geboorte tot het zuivere negerras. Zij waren beiden mestiezen. Zermah had tot broeder dien heldhaftigen slaaf, Robert Small genaamd, die vier maanden later in de baai zelve van Charlestown aan de geconfedereerden een stoomscheepje, bewapend met twee kanonnen, zou ontnemen, om het als hulde aan de federalistische vloot aan te bieden.
Zermah was dus van goed ras; maar Mars ook. Het was een gelukkig huisgezin, dat gedurende de eerste jaren van hun huwelijk, zich meermalen door den hatelijken slavenhandel in hun geluk bedreigd had gezien. Het was zelfs ten gevolge van zulk een oogenblik, waarbij zij door de wisselvallige kansen van eene verkooping gescheiden zouden worden, dat zij te Camdless-Bay in het personeel der plantage waren opgenomen geworden.
Ziehier onder welke omstandigheden dat plaats had.
Zermah was thans een-en-dertig jaren oud, Mars vijf-en-dertig jaren. Zij waren zeven jaren vroeger getrouwd, toen zij aan een zekeren kolonist toebehoorden, Tickborn genaamd, wiens onderneming een twintig mijlen hoogerop en bovenstrooms van Camdless-Bay gelegen was. Die kolonist had sedert jaren in drukke betrekking gestaan met Texar. Deze laatste bracht veelvuldige bezoeken op de plantage van den eerstgenoemde, alwaar hij steeds goed ontvangen werd. Dat kan geen bevreemding baren, daar Tickborn iemand was, die hoegenaamd geene achting in het graafschap genoot. Zijn bevattelijkheid was gering, en daar zijne zaken in de war geraakten, was hij verplicht eene partij zijner slaven te verkoopen.
Juist tegen dat tijdstip had Zermah, die, evenals het overige slavenpersoneel van de plantage Tickborn, zeer mishandeld was geworden, een armzalig klein wezen ter wereld gebracht, dat haar bijna dadelijk ontnomen was geworden. Terwijl zij de straf onderging voor de eene of andere misdaad of verzuim, dat zij niet begaan had, of waaraan zij niet schuldig was, stierf haar kind in hare armen. Dat men oordeele welke droefheid de arme Zermah bezielde, maar ook welken toorn Mars voelde opwellen!
Maar wat konden die rampzaligen tegen een meester uitrichten, aan wien hun vleesch, hetzij levend hetzij dood, toebehoorde? Hij had het immers gekocht!
Bij dat verdriet zou een nog veel verschrikkelijker gevoegd worden. En inderdaad, den morgen volgende op den dag dat hun kind gestorven was, waren Zermah en Mars ten verkoop aangeslagen geworden. Maar... de troost om zich bij een anderen meester weer bij elkander aan te treffen, zouden zij zeker niet hebben mogen smaken. Er had zich toch een man voorgedaan, die Zermah wilde koopen; maar Zermah alleen, hoewel hij geene plantage bezat. Een gril voorzeker! En die man was Texar. En zijn vriend Tickborn was op het punt de vereischte koopakte op te maken, toen in het laatste oogenblik door een nieuwen kooper een opbod gedaan werd.
Die nieuwe kooper was master James Burbank, die bij dien verkoop der slaven van Tickborn tegenwoordig was. Hij gevoelde zich zeer bewogen met het lot der arme mestiesche vrouw, die tevergeefs bad en smeekte, dat men haar toch niet van haren echtgenoot zoude scheiden.
James Burbank had juist eene min voor zijn dochtertje noodig. Toen hij vernam, dat eene der slavinnen van Tickborn, wier kind pas gestorven was, in de gewenschte omstandigheden verkeerde, had hij slechts ééne gedachte, namelijk die om haar te koopen. Maar innig bewogen door de tranen van Zermah, aarzelde hij niet om voor haren man en haar een veel hoogeren prijs te loven dan tot nu toe geboden was.
Texar kende master James Burbank, die hem reeds verscheidene malen van zijn landgoed als een man van zeer verdachte reputatie verjaagd had. Dat was dan ook de oorzaak van den haat, dien Texar aan de geheele familie op Castle-House toedroeg.
Texar poogde tegen zijn rijken concurrent op te bieden; maar dat ging niet. Hij hield evenwel vol, zoodat de prijs tot het dubbele steeg van dien, welken Tickborn voor de beide mestiezen, voor man en vrouw, gevraagd had. Dat diende tot niets dan om James Burbank te noodzaken zooveel duurder te betalen. Eindelijk werd hem het paar toegewezen.
Dus, niet alleen zouden Mars en Zermah niet van elkander gescheiden worden, maar zij zouden in dienst komen bij den meest edelaardigen van alle kolonisten van geheel Florida.
Dat was waarlijk eene verzachting in hun leed. Zij zagen dan ook met een zeker gevoel van veiligheid de toekomst, die zich zoo verschrikkelijk voorgedaan had, tegemoet.
Zermah was zes jaar later op het toppunt harer schoonheid als mestiesche vrouw. Zij bezat eene geestkrachtvolle geaardheid, daarenboven een hart, dat geheel aan hare meesters gewijd was. Zij was meer dan eens in de gelegenheid geweest,--en zou in het vervolg ook nog in de gelegenheid komen,--om hun hare dankbare toewijding te bewijzen en te toonen. Mars was ten volle die vrouw waardig, waaraan de liefderijke daad van James Burbank hem voor immer vastgeklonken had. Hij was een opmerkenswaardig type van dit Afrikaansche ras, hetwelk zich op zoo breeden voet met het Kreoolsch bloed gekruist heeft. Hij was lang, uiterst stevig gebouwd en bezat een moed, die gerust bij iedere gelegenheid op de proef gesteld kon worden. Daardoor was hij in staat gesteld, om zijn meester de meest belangrijke diensten te bewijzen.
Die twee nieuwe dienaren, welke aan het personeel der plantage van Camdless-Bay toegevoegd waren, zouden evenwel niet als gewone slaven behandeld worden. Door hunne goedhartigheid en hunne schranderheid waren zij al heel gauw op hunne juiste waarde geschat geworden.
Mars werd in het bijzonder voor den dienst van den jeugdigen Gilbert bestemd.
Zermah werd natuurlijk de min, de voedstermoeder van de lieve kleine Diana.
Die schikkingen eigenden zich in het bijzonder, om die twee zoo innig mogelijk in de vertrouwelijke intimiteit der familie Burbank binnen te voeren.
Zermah gevoelde daarenboven al heel spoedig eene moederlijke liefde voor dat jonge meisje in haar hart opwellen, eene liefde, die zij niet meer voor haar eigen overleden kindje kon koesteren. Dy betaalde haar die liefde met woekerwinst uit, en de kinderlijke liefde van de eene beantwoordde ten volle aan de moederlijke liefde van de andere. Was het wonder, dat mevrouw Burbank de meest vriendschappelijke en meest dankbare gevoelens voor die twee mestiezen koesterde?
Dezelfde edelaardige band was tusschen Gilbert Burbank en Mars ontstaan.
De mesties was behendig en krachtig. Door zijn voorbeeld en onderwijs had hij er veel toe bijgebracht, om zijn jeugdigen meester eene zekere behendigheid in alle lichaamsoefeningen te verleenen. James Burbank wenschte zich zelven dan ook geluk, dat hij dien persoon aan zijn zoon verbonden had.
Dus de toestand en de levensvoorwaarden van Zermah en van Mars waren nimmer zoo gelukkig geweest.
Zij zouden nimmer vergeten, wat zij bij dien Tickborn geleden hadden, ook niet, dat zij op het punt geweest waren in handen van een man als Texar te geraken.
V.
DE ZWARTE KREEK.
Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dageraad, wandelde een man op den oever van een der kleine eilandjes, welke als verloren te midden van die lagune der Zwarte Kreek bestaan.
Dat was Texar.
Niet ver van hem, slechts op weinige passen van hem verwijderd, was een Indiaan in de squif gezeten, die den vorigen dag bij het stoomschip Shannon aangelegd had. Het vaartuigje scheen pas aangekomen, maar ook weer gereed te zijn de lagune in of de rivier op te stevenen.
Die Indiaan--zal het nog wel noodig zijn hem te noemen?--was Squambô.
Na eenige malen heen en weer gedrenteld te hebben, bleef Texar voor een magnolia-boom stilstaan, greep een der benedentakken, boog dien tot zich en plukte een blad met stengel af. Daarna haalde hij een klein briefje uit zijn notitieboekje, dat slechts drie of vier woorden, met inkt geschreven, bevatte. Hij rolde dat briefje tot den kleinst mogelijken vorm op en verborg het toen tusschen de onderhuid van het magnolia-blad. Dat werd zeer behendig verricht, en wel zoodanig, dat aan het uiterlijke van dat blad niet te bespeuren was, dat daarin iets verborgen was.
»Squambô!" riep Texar toen.
»Meester?" vroeg de Indiaan.
»Ga, gij weet wel waarheen."
Bij die woorden reikte Texar hem het magnolia-blad aan.
Squambô nam het aan en legde het in het voorste gedeelte van de squif neder. Daarop nam hij plaats bij den achtersteven, greep zijn pagaai, sloeg dien te water, rondde met zijn vaartuigje weldra de eindpunt van het eilandje en verdween eindelijk in een bochtig vaarwater, te midden van het dichte gewelf, hetwelk de loofkruinen der boomen over de lagune vormden.
Die lagune vormde een labyrinth, een waar doolhof van kanalen, die met een uitgestrekt netwerk te vergelijken was. Zij was gevuld met een zwart gekleurd water, niet ongelijk aan dat van de uitgeveende turfgronden in Drenthe.
Niemand zou in dit doolhof den weg hebben kunnen vinden, tenzij hij door langdurige ervaring eene grondige kennis opgedaan zoude hebben van de vaarwaters en doorgangen van dat diepe uitwateringsbekken, waarin de neventakken van de Sint John zich uitstorten.
Maar Squambô aarzelde geen oogenblik.
Hij stuurde stoutmoedig zijne squif naar plekken, waar het oog geen doorvaart kon ontwaren. De lage takken, die hij ophief, om den doortocht te erlangen, hernamen achter hem hun vorigen stand, en niemand zou hebben kunnen vermoeden, dat een vaartuig daar ter plaatse voorbij gestevend was.
Zoo vervolgde de Indiaan zijn weg en stevende door die lange bochtige kanalen, die soms niet eens zoo breed waren als die voren in de polders gegraven, om het naburige land droog te leggen. Eene groote menigte van watervogels vloog bij zijne nadering op. Glibberige alen, met verdachte koppen, die aan slangen deden denken, schoten onder de struikwortels, die boven water uitstaken.
Squambô, als echte Indiaan, vreesde dat schuifelend gedierte niet, evenmin de krokodillen, die in de modder lagen te slapen en die hij wekken kon, door ze met zijn pagaai of met de kiel van zijn vaartuig aan te raken. Hij stevende steeds vooruit en wanneer hem de ruimte ontbrak om te kunnen pagaaiën, dan greep hij een staak, waarmede hij zijn vaartuigje dan voortboomde.
In weerwil dat het reeds volle dag was, in weerwil dat het nachtelijk duister bij het schitteren der eerste stralen van de opkomende zon verdwenen was, zoo was het toch onmogelijk de dagvorstin onder dat ondoordringbaar dak van loof te ontwaren. Zelfs bij den meest schellen zonneschijn, zelfs wanneer dat hemellichaam in het zenith stond, was het onmogelijk dat een enkele lichtstraal tot op de oppervlakte van het zwarte water doordrong.
Het was alsof die moerassige streek slechts een halfduister noodig had, zoowel voor het kruipend gedierte, hetwelk in dat smerige water rondwriemelde, als voor de waterplanten, die op hare oppervlakte dreven.
Zoo stevende Squambô gedurende ruim een half uur van het eene eilandje naar het andere. Toen hij stil hield, was zijn vaartuigje bij een der meest verwijderde hoeken der kreek aangekomen.
Bij die plek, waar het moerassige gedeelte der lagune eindigde, stonden de boomstammen minder dicht bij elkander en waren de boomkruinen minder ondoordringbaar. Hier en daar waren dan ook enkele lichtstralen te ontwaren.
Iets verder strekte zich een uitgestrekt weiland uit, hetwelk met wouden omzoomd was. Het waterpas van den bodem van dat weiland was weinig boven de oppervlakte van de Sint John verheven. Ternauwernood groeiden vijf of zes alleenstaande boomen er op. Wanneer de voet zich op dien moddergrond neerzette, ondervond hij een gevoel, alsof hij op eene veerkrachtige matras trad. Eenige sassafras-struiken, met hun mager loof en hunne kleine violetkleurige bessen, teekenden grillige arabesken op het groene grastapijt.
Na zijn squif aan een stronk op den oever vastgemeerd te hebben, sprong Squambô aan wal. De nachtelijke nevelen begonnen op te trekken. Het weiland, dat geheel verlaten was, begon langzamerhand uit den mist te voorschijn te treden. Te midden der vijf of zes boomen, welker omtrekken in slechts onzekere beelden te bespeuren waren, stond een magnoliaboom van middelmatige ontwikkeling.
De Indiaan trad op dien boom toe en bereikte hem binnen weinige minuten. Bij hem gekomen, deed hij, wat hij Texar had zien doen; hij greep een der benedentakken en boog dien naar zich toe. Maar in stede van er een blad van te plukken, bevestigde hij het blad, hetwelk hij van zijn meester ontvangen had, er aan vast. Toen hij daarmede klaar was, liet hij den tak weer los, die zijn vorigen stand hernam en dat blad te midden der duizenden anderen van den boom als verloren voerde.
Squambô keerde toen naar zijn vaartuigje weder en stevende naar het eilandje terug, waar Texar hem wachtte.
Die Zwarte Kreek, naar hare donkerkleurige wateren aldus genoemd, besloeg een uitgestrektheid van ongeveer vijf- of zeshonderd bunders. Zij werd door de Sint John gevoed en vormde eene soort van archipel, die volkomen ondoordringbaar was voor hem, die er de doolwegen en de kronkelende vaarwaters niet van kende. Het getal eilandjes, hetwelk op hare oppervlakte werd aangetroffen, bedroeg zeker een honderdtal. Om de gemeenschap daartusschen daar te stellen, bestonden geene bruggen of veren. Neen, slechts enkele lange dooreengevlochten lianen, eene soort van slingerplanten, overspanden het vaarwater, slechts enkele hooge takken kruisten zich boven de ontelbare waterspruiten, welke die eilandjes van elkander scheidden. Dat was alles. Niets meer. En, het moet erkend worden, dat deze verbindingsmiddelen niet zeer geschikt waren, om de gemeenschap druk te doen zijn.
Een dezer eilandjes, nagenoeg in het midden van het stelsel gelegen, was door zijne uitgestrektheid van een twintigtal bunders en door zijne verhevenheid van vijf of zes voeten boven den gemiddelden waterstand zoowel van de Sint-John als van den Atlantischen Oceaan, als het voornaamste aan te merken.
In een lang vervlogen tijdvak, had dit eilandje tot emplacement gediend van een klein fort, een soort blokhuis, dat thans uit een militair oogpunt verlaten was en welks slooping aan den tand des tijds overgelaten was, zooals de officiëele uitdrukking luidt. Zijne palissadeering, die reeds half verrot was, stond nog onder de hooge boomen, onder de magnolia's, de cypressen, de steeds groenende eiken, de zwarte noteboomen, de zuidelijke pijnboomen, die met hunne lange festoenen van cobea's en andere eindelooze slingerplanten doorvlochten en getooid waren.
Binnen de omwalling ontwaarde het oog eindelijk onder de dichte loofkruinen van dat geboomte de geometrische lijnen van dat kleine fort of beter gezegd: van dien observatiepost, die nimmer voor meer geschikt geweest was, dan tot opneming van een detachement van een twintigtal manschappen. Smalle schietgaten waren in die houten muren der palissadeering ingesneden. De graszoden daken dekten de gebouwen met een dikke laag aarde, die bestemd was om de kogels der aanvallers op te vangen.
In het innerlijke bevonden zich eenige kamers, welke het centrale reduit uitmaakten en aan een magazijn grensden, waarin vroeger de levensmiddelen en de munitiën, voor de bezetting benoodigd, opgeborgen waren.
Om binnen dat reduit van het fortje te geraken, moest men eerst langs eene smalle poterne door de walgang dringen, daarna de esplanade of binnenplaats overschrijden, die met eenige boomen beplant was, en eindelijk een tiental treden opstappen, die in den grond uitgestoken waren en door balken gesteund werden. Dan vond men de eenige deur, die tot het innerlijke van het reduit toegang verleende, en die was nog, om de geheele waarheid te zeggen, slechts eene oude embrasure of kanonschietgat, hetwelk tot dat doeleinde gewijzigd was.
Dat was het gewone verblijf, of beter de gewone schuilplaats van Texar, die niemand kende.
Daar leefde hij, verscholen voor iedereen, met dien Squambô, die aan den persoon van zijn meester zeer verknocht was. Deze en vijf of zes slaven, die daar ook verblijf hielden, waren niet veel beter dan Texar.