De Strijd Tusschen Noord En Zuid Deel 1 Overrompeling Eener Pla
Chapter 3
En dat was nog slechts eene quaestie van weken, van dagen misschien, daar het federalistisch leger reeds eenige punten van een der aangrenzende Staten bezet had en eene expeditie naar Florida voorbereidde.
Intusschen had James Burbank toch reeds alle maatregelen te Camdless-Bay getroffen, die het lot zijner slaven konden verbeteren. Op het landgoed waren ongeveer zevenhonderd zwarten van beider geslacht aanwezig. Die lieden waren zindelijk in barakken gehuisvest, die zorgvuldig onderhouden werden. Zij waren goed en doelmatig gevoed, en het werk, dat zij te verrichten hadden, was naar den aard hunner krachten geregeld.
De hoofdbestuurder en de onderbestuurders der plantage hadden stipt bevel, om hen met rechtvaardigheid en zachtheid te behandelen. Het natuurlijk gevolg daarvan was, dat de verschillende diensten veel beter uitgevoerd werden dan elders het geval was, hoewel de lijfstraffen sedert lang te Camdless-Bay buiten werking gesteld waren.
Deze opvatting van toestanden stelde eene scherpe tegenstelling daar met hetgeen op de andere Floridasche plantages geschiedde, en, zooals wel te begrijpen is, werd die opvatting niet dan met leede oogen door de buren van James Burbank aangezien. Daaruit ontstond--zooals men wel uit het vervolg van dit verhaal zien zal--een zeer gespannen toestand, vooral in het tegenwoordige tijdperk, waarin de slavenquaestie door de wapens zoude worden beslecht.
Het talrijke personeel van de plantage was in gezonde en goed ingerichte hutten gehuisvest.
Bij vijftigtallen gegroepeerd, vormden die hutten een tiental gehuchten, die ook wel barakken genoemd werden en langs de oevers van stroomend water opgericht waren.
Daar leefden die zwarten met hunne vrouwen en kinderen. Ieder gezin werd zooveel mogelijk bij dezelfde velden, bij dezelfde boschperceelen of bij dezelfde werkinrichting ten arbeid gesteld, zoodanig dat de leden van dat gezin niet gedurende de werkuren van elkander verspreid waren.
Een onderbestuurder stond aan het hoofd van elk dier gehuchten en was er in waarheid de hoofdman van, eigenlijk de burgemeester van die kleine gemeente, welke aan de hoofdplaats van het kanton onderhoorig was. Die hoofdplaats was het privaat-domein van Camdless-Bay, hetwelk door eene omheining van hooge palissaden omgeven was. Die palissaden, welke van zware boomstammen vervaardigd waren, die zorgvuldig tegen elkander gevoegd en rechtstandig geplant waren, stonden halfverscholen onder het loof van den weelderigen Floridaschen plantengroei.
Te midden van dat afgesloten terrein verhief zich de woning van de familie Burbank.
Die woning, die het midden hield tusschen een heerenhuis en een kasteel, had den naam van Castle-House ontvangen en verdiende dien ten volle.
Camdless-Bay behoorde sedert vele jaren aan de voorouders van James Burbank.
In een vroeger tijdvak, toen de verwoestende invallen der Indianen te duchten waren, hadden de grondbezitters hun woonhuis moeten versterken. Het was nog zoo heel lang niet geleden, dat generaal Jessup Florida tegen de Seminolen te verdedigen had. Gedurende een lang tijdperk hadden de kolonisten vreeselijk vanwege die stroopers te lijden gehad. Niet alleen stonden zij aan ontvreemding en aan diefstallen bloot, maar veelvuldige moorden werden toen in hunne woningen gepleegd, die daarna in brand gestoken werden.
Zelfs de steden werden meermalen overvallen en met plundering bedreigd.
Op vele plaatsen worden nog bouwvallen aangetroffen als onwraakbare bewijzen van de wreedaardige en bandelooze handelwijze van die bloeddorstige Indianen. Op een kleinen afstand van Camdless-Bay, op nog geen vijftig mijlen, in de nabijheid van het gehucht Manderijn, wijst men den reiziger nog het »bloedige huis" aan, waarin een kolonist, master Motle genaamd, met zijne vrouw en zijne drie nog jeugdige dochters door die bandieten gescalpeerd en daarna op de meest wreedaardige wijze vermoord waren.
Maar thans was de uitroeiingsoorlog tusschen de blanke en de roode menschen geëindigd. De Seminolen waren ten lange laatste afdoende overwonnen geworden en hadden eene toevlucht moeten zoeken in de dichte bosschen aan gene zijde van de Mississippi. Men verneemt tegenwoordig niets meer van hen. Slechts eenige hunner benden, die aan de algemeene slachting zijn ontkomen, zwerven nog in de moerasachtige streken van Zuid-Florida rond. Het land heeft dus niets meer van die woeste, wreede inboorlingen te duchten.
Maar men begrijpt, dat de woningen der kolonisten in dat tijdperk zoodanige ingericht werden, dat zij tegen een plotselingen aanval der Indianen genoegzame veiligheid aanboden, ja zelfs in staat waren een beleg te doorstaan, in afwachting van de vrijwilligersbataljons, die in de naburige steden en dorpen bij zulke gelegenheden werden opgeroepen.
En zoo was het ook met het kasteel van Castle-House geschied.
Castle-House was op eene geringe terreinverheffing, te midden van een afgezonderd park, hetwelk eene oppervlakte van ruim drie bunders besloeg, gebouwd. Dat park rondde zich op een afstand van een paar honderd yards van den oever der Sint John-rivier af. Een vrij diepe gracht omgaf dat park, terwijl eene hooge omheining van stevige palissaden dat verdedigingsstelsel vervolledigde. Een bruggetje over de singelgracht was de eenige toegang tot die stelling. Achter het kasteel overdekten verscheidene fraaie boomgroepen de hellingen van den heuvel, waarop het verrees, en vormden een prachtigen steeds groenen gezichteinder. Een frissche laan van bamboestruiken, die hunne fijne topeinden hoog in de lucht in ogiefvormige figuren kruisten, vormde een lang gewelf, dat zich van de ontschepingsplek bij de kleine havenkom van Camdless-Bay tot bij de eerste grasperken uitstrekte.
Binnen de omheining was de geheele ruimte tusschen de boomen door steeds groene graszoden ingenomen, waarin breede wandellanen en paden gesneden waren, die door witgeverfde staketsels omzoomd waren en op een met wit zand bedekt plein voor het voorfront van Castle-House te zamen liepen.
Dat kasteel, hetwelk vrij onregelmatig van constructie was, bood in het geheel van zijne bouworde zeer veel onverwachts en in zijne bijzonderheden niet minder grilligheden aan. Maar voor het geval dat de aanvallers de palissadeering van het park bemachtigd hadden, zou het in zich zelve eenig verdedigingsvermogen bezeten hebben en--wat vooral belangrijk was--een beleg van eenige uren hebben kunnen uithouden.
De vensters der benedenverdieping waren door middel van ijzeren stangen getralied. De hoofddeur, namelijk die in het voorfront, kon in waarheid eene valpoort van een vestingfront genoemd worden. Op sommige punten was op den bovenkant der gevelmuren eene soort van bastionvormige peperbussen in marmersteen naar buiten gebouwd, die de verdediging zeer vergemakkelijkten, daar zij gedoogden de aanvallers in de flank te kunnen beschieten.
Om kort te gaan, nam men alles te zaam, zijne toegangen die tot het strikt noodzakelijke beperkt waren, zijn centralen toren, die het geheel beheerschte en waarboven de sterrenvlag der Vereenigde Staten van Noord-Amerika in den wind golfde, de rijen van schietgaten, die in sommige muren gebroken waren, de schuine helling zijner muren bij hun grondvlak, zijne hoogverheven daken, zijne veelvuldige uitsteeksels, de dikte zijner muren, waarin hier en daar embrasuren aangelegd waren, dan geleek dit woonhuis meer op een versterkt kasteel, dan op een buitengoed of op eene tot weelde ingerichte woning.
Zooals reeds gezegd is, was men genoodzaakt geweest die bouworde aan te nemen ter wille van de veiligheid van hen, die Castle-House ten tijde der woeste invallen van de Indianen op het grondgebied van Florida bewoonden. Er bestond zelfs een tunnel, een soort van onderaardsche gang, die onder de palissadeering en de ringgracht doorvoerde en zoo het hoofdgebouw in gemeenschap stelde met een klein haft van de Sint John-rivier, de Marinokreek genaamd. Die tunnel was bestemd om in den uitersten nood de vlucht te kunnen nemen.
Voorzeker, in den tegenwoordigen tijd waren de Seminool Indianen, die van het Floridasche schiereiland bijna geheel verjaagd waren, sedert een twintigtal jaren niet meer te duchten. Maar wist men wat de toekomst verborgen hield?
Het is waar, van den kant der Indianen dreigde geen gevaar meer; maar wie weet of het niet van den kant van landgenooten zou kunnen komen?
Stond James Burbank niet als Noordelijke geheel geïsoleerd te midden van die Zuidelijke Staten, en was hij daardoor niet blootgesteld aan alle kansen van den burgeroorlog, die tot heden zoo hardnekkig bloederig gevoerd was geworden en tot zoovele gevallen van weerwraak aan weerskanten aanleiding gegeven had?
Maar die noodzakelijkheid om op de veiligheid van Castle-House bedacht te zijn, had aan de gezellige en doelmatige inrichting van het innerlijke van het woonhuis niet geschaad. De zalen waren ruim, de vertrekken weelderig en keurig verdeeld. De familie Burbank genoot er, te midden van eene heerlijke ligging, alle gemakken, alle genoegdoeningen, welke de weelde verschaffen kan, wanneer zij bij hen, die haar bezitten, aan een waren kunstzin gepaard gaat.
Achter het kasteel strekten zich in het afgesloten park, prachtige tuinen uit tot bij de palissadeering, welker palen verdwenen onder een dek van slingerplanten, waaronder de ranken van de passiebloem en te midden waarvan duizenden colibri's, die vliegende juweel-vogeltjes, fladderden. Geheele boschjes van oranjeboomen, olijfboomen, vijgeboomen, granaatboomen, pontederiaplanten met hare azuren bloembouquetten, geheele groepen van magnolia's, welker kelken met hunne tint van oud ivoor de heerlijkste geuren verspreidden, geheele struiken van sabal-palmen, welker waaiervormige bladeren door de bries bewogen werden, geheele festoenen van coboca's met hare violetkleurige bloemen, geheele boschjes van tupea's, met groene rosetvormige bloemen, van yukka's, welker zaaddoozen een geklikklak als van gescherpte sabels doen hooren, van rooskleurige rododendrons, van myrten en van pompelmoezen, in één woord: van alle gewassen, die in eene luchtstreek voortgebracht kunnen worden, welke aan de keerkringslanden grenst, waren dan ook in die tuinen, in die perken, in die bloembedden, tot streeling zoowel van den reuk als van het oog, aanwezig.
Bij de grens van de omheining, onder het loofgewelf der cypressen en der baobabs, waren de stallen, de rijtuigloodsen, de hondenhokken, de melkinrichting en de hoenderhokken verscholen. Dank zij de ver uitgespreide takken en het dichte loof van die boomen, waardoor de dagvorstin zelfs op deze breedte niet vermocht door te dringen, hadden de huisdieren niets te lijden van de zonnehitte, terwijl daarenboven stroomend water, afgeleid uit naburige beken en riviertjes, er eene aangename en gezonde frischheid onderhield.
Zooals men ziet, was dit particulier eigendom, geheel en al ten gebruike van de bewoners van Camdless-Bay, een bewonderenswaardig geënclaveerd gedeelte van de uitgestrekte onderneming van master James Burbank. Noch het spektakel der katoenmolens, noch het geknars der houtzaagmolens, noch het gebons van de bijlslagen op de boomstammen, noch een enkel der geluiden, zoo eigen aan eene zoo belangrijke onderneming, konden zich aan de binnenzijde der palissadeering doen hooren.
Slechts de duizenden vertegenwoordigers van de Floridasche vogelenwereld konden over die omheining heen vliegen. Maar die gevleugelde zangers, waarvan het gevederte met de schitterende bloemen van deze zone wedijverden, werden even gulhartig welkom geheeten als de geuren, waarmede de bries bezwangerd werd, als zij de weilanden en de wouden met haren adem kuste.
Zoo was Camdless-Bay, de plantage van James Burbank. En inderdaad, zij mocht onder de rijkste ondernemingen van oostelijk Florida gerekend worden.
III.
HOE HET MET DEN SECESSIE-OORLOG STAAT.
Eenige woorden zijn noodig over den secessie-oorlog, waarmede deze geschiedenis zoo innig samenhangt.
Laten wij eerst en vooraf als uitgemaakt vaststellen, dat, zooals de Graaf van Parijs, vleugel-adjudant van den generaal Mac Clellan, in zijne merkwaardige Geschiedenis van den burger-oorlog in de Vereenigde Staten van Noord Amerika geschreven heeft, deze oorlog veroorzaakt werd noch door eene tarievenquaestie, noch door eene veete gesproten uit een verschil van afkomst tusschen de Noordelijken en de Zuidelijken. Het Anglo-Saksische ras regeerde tegelijkertijd over het geheele grondgebied der Vereenigde Staten. Een handelsquaestie heeft ook geene aanleiding tot dien vreeselijken strijd tusschen broeders gegeven. »Niet anders dan de slavernij, die in de eene helft der republiek bloeide en in de andere helft afgeschaft was, heeft twee groepen in het leven geroepen, die elkander vijandig waren. Die slavernij had ten zeerste de zeden der bewoners gewijzigd, alwaar zij voortheerschte, hoewel zij daarbij voor het uiterlijke den regeeringsvorm onaangetast liet. Zij was het, die niet het voorwendsel of de gelegenheid aan de hand gaf, maar de eenige oorzaak was van de tweespalt, die den burger-oorlog tot onvermijdelijk gevolg had."
In de Slavenstaten bestonden drie klassen. Geheel op de laagste sport vier millioen negers, die hunne vrijheid kwijt waren; maar het derde gedeelte der bevolking uitmaakten. Op de bovenste sport stond de kaste der eigenaars, die betrekkelijk weinig onderwezen, maar rijk en van zelfgenoegzaamheid doortrokken waren. Dezen hadden het bestuur der openbare zaken geheel en al tot zich getrokken. Tusschen die twee bestond de rumoerige, de luie, de ellendige klasse der half-blanken. Dezen verklaarden zich, tegen alle verwachting in, voor het behoud der slavernij, grootendeels uit vrees dat de negerklasse bij invrijheidstelling tot hun peil zou kunnen stijgen.
Het Noorden moest dus als vijandig beschouwen niet alleen de rijke grondbezitters, maar ook de half-blanken, die vooral buiten de steden te midden der slavenbevolking woonden.
De strijd, welke zich ontspon, was dan ook vreeselijk. Hij verwekte zelfs te midden der huisgezinnen zoodanige oneenigheden, dat men broeders zag strijden, de een onder de vanen der geconfedereerden, de andere onder die der federalisten. Om het even, een groot volk mocht en kon niet aarzelen, om de slavernij met wortel en tak uit te roeien. Reeds in de vorige eeuw had de beroemde Franklin de afschaffing van die mensch-onteerende instelling geëischt. In 1807 had Jefferson het congres aanbevolen »om een handel te verbieden, welks verdwijning door de moraliteit, door de eer en door de dierbaarste belangen van het land gevorderd werd."
Het Noorden had dus recht, toen het tegen het Zuiden oprukte, om het ten onder te brengen. Daarenboven, een meer innige band zou tusschen al de elementen der republiek geboren worden, door de vernietiging van de zoo noodlottige en zoo bedreigingsvolle leer, dat ieder burger eerst en vooral gehoorzaamheid verschuldigd was aan den Staat waartoe hij behoorde en eerst daarna en dus eerst in de tweede plaats aan het algemeen belang der Amerikaansche federatie.
Nu was het juist in den Staat Florida, dat de eerste quaestiën betreffende de slavernij en den slavenhandel geopperd werden. In het begin der XIXde eeuw had een Indiaansch opperhoofd, een mesties van oorsprong, Oscéola genaamd, eene boschnegerin, of duidelijker uitgedrukt: eene voortvluchtige negerslavin, tot vrouw genomen. Deze was geboren in dat moerassige gedeelte van het Floridasche grondgebied, hetwelk Everglades geheeten wordt. Deze vrouw werd op een vroegen morgen als voortvluchtige slavin gevat en met geweld weggevoerd. Oscéola, die niet verkoos zich bij zulk een handeling neer te leggen, riep zijne Indianen te wapen en begon met hen den eersten veldtocht tegen het slavenstelsel. Hij delfde evenwel het onderspit, werd gevangen genomen en stierf in de kasematten van de versterking, waarin men hem opgesloten had. Maar de oorlog was daarmede niet uit, hij werd integendeel met de meeste verbittering voortgezet, en, zooals de geschiedschrijver Thomas Higginson zich uitdrukt: »de somme gelds welke tot het voeren van dien strijd benoodigd was, overtrof ruim driemalen die, welke in vroegere jaren aan Spanje voor den aankoop van Florida betaald was."
Ziedaar de beginpunten van dien secessie-oorlog. Wij deelen ook den staat van zaken mede gedurende de maand Februari van het jaar 1862, het tijdstip waarop James Burbank en zijn huisgezin zóó schrikkelijk den weeromstuit dier gebeurtenissen zouden ondervinden, omdat wij het belangrijk genoeg achten daarvan het onderwerp van dit verhaal te maken.
Op den 16den October 1859 maakte de heldhaftige kapitein John Brown aan het hoofd van een kleinen troep voortvluchtige slaven, zich meester van Harpers-Ferry in den Staat Virginia. De bevrijding uit het slavenjuk van de kleurlingen was zijn doel. Dat beleed hij, dat verkondigde hij openlijk. Eindelijk werd hij door de militie-compagnieën, welke tegen hem afgezonden waren, overwonnen, gevangen genomen en op den 2den December 1859 te Charlestown met zes zijner makkers opgehangen.
Een conventie kwam op den 20sten December 1860 in Zuid-Carolina bijeen, verklaarde zich permanent en nam het besluit van secessie, of van afscheiding van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika met geestdrift aan.
In het daarop volgende jaar werd Abraham Lincoln op den 4den Maart 1861 tot president van de republiek benoemd. De Zuidelijke Staten beschouwden die verkiezing als eene bedreiging tegen de slaven-instelling.
Op den 11den April 1861 viel het fort Sumter, een der sterkten, die den toegang tot de reede van Charlestown verdedigden, in handen der Zuidelijke troepen, die door generaal Beauregard aangevoerd werden.
Noord-Carolina, Virginia, Arkansas en Tennessee schonken onmiddellijk na dat wapenfeit hunne adhaesie aan het besluit tot afscheiding.
Het federalistisch Gouvernement riep toen een leger van vijf-en zeventig duizend vrijwilligers onder de wapenen.
Maar in de allereerste plaats hield men zich onledig, met Washington, de hoofdstad der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, tegen een onverhoedschen aanslag vanwege de geconfedereerden te beveiligen.
Men vulde de arsenalen van het Noorden, die zich in berooiden toestand bevonden, terwijl die van het Zuiden onder het bestuur van den president Buchanan overvloedig voorzien waren. Het oorlogsmaterieel werd ten koste van de grootste geldelijke opofferingen en dank zij der grootste inspanning gecompleteerd.
Eindelijk verklaarde Abraham Lincoln de havenplaatsen der Zuidelijken in staat van blokkade.
De eerste oorlogsfeiten vielen in Virginia voor. Mac Clellan drong de opstandelingen in westelijke richting terug. Maar op den 21sten Juli werden de federalistische troepen onder de bevelen van Mac Dowel te Bull Run geslagen en zetten zij hunne bandelooze vlucht tot bij Washington voort.
Waren de Zuidelijken niet meer voor de veiligheid van Richmond, hunne hoofdplaats, beducht, thans was het de beurt der Noordelijken, om voor het behoud der hoofdplaats van de Amerikaansche republiek te vreezen.
De federalistische troepen werden weinige maanden later andermaal bij Ball's Bluff geslagen.
Gelukkig werd aan deze noodlottige voorvallen een tegenwicht verschaft door verschillende krijgstochten, waardoor het fort Hatteras en Port-Royal-Harbour in handen der Noordelijken geraakten.
Op het einde van het jaar 1861 werd de algemeene bevelvoering over de troepen der Unie opgedragen aan den Generaal-majoor Georges Mac Clellan.
Intusschen hadden gedurende dit jaar zich kapers, door de Zuidelijke Staten uitgerust, in alle zeeën der beide halfronden vertoond. Deze kapers genoten eene welwillende ontvangst in de havenplaatsen van Frankrijk, Engeland, Spanje en Portugal. Dit kon als een grove misslag aangerekend worden; want het toekennen aan de secessionnisten van de rechten eener oorlogvoerende partij had tot uitslag, dat de kaapvaart aangemoedigd en de duur van dien vreeselijken burgeroorlog verlengd werd.
Alsnu volgden de oorlogsfeiten ter zee, die eene merkwaardige plaats in de geschiedenis dier dagen verworven hebben.
Vooreerst het kaperschip Sumter, waarover de beroemde kapitein Semmes het bevel voerde. Dan de verschijning van het ramschip Manassas. Op den 12den October 1861 werd het zeegevecht bij den ingang tot de vaarwaters van de Mississippi-mondingen geleverd. Op den 8sten November daarop volgende werd de Trent, welk vaartuig de commissarissen der geconfedereerden aan boord had, door den kapitein Wilkes der Noordelijken genomen. Maar de Trent was een Engelsch schip, voer onder Engelsche vlag, zoodat dit feit de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in die kritieke tijdsomstandigheden in groot gevaar bracht in een oorlog met Groot-Brittanje gewikkeld te worden.
Middelerwijl leverden de tegenstanders en de aanhangers der slavernij elkander bloedige gevechten met afwisselend geluk en ongeluk. Het terrein van den oorlog werd tot in den Staat Missouri uitgebreid.
Lyon, een der voornaamste Generaals van de Noordelijken, sneuvelde, hetgeen den terugtocht der federalistische troepen op Rolla en het voortdringen van Price aan het hoofd van het leger der geconfedereerden in noordelijke richting ten gevolge had. Op den 21sten October leverde men slag te Frederictown, op den 25sten te Springfield en op den 27sten bezette Generaal Fremont aan het hoofd van de federalistische troepen laatstgenoemde stad.
Op den 19den December bleef het gevecht te Belmont, waar de wederzijdsche troepen door de Generaals Grant en Polk aangevoerd werden, onbeslist. Eindelijk kwam de winter, welke in die streken van Noord-Amerika zoo gestreng kan wezen, een einde aan de krijgsverrichtingen maken.
De eerste maanden van het jaar 1862 werden besteed tot het treffen van maatregelen om den veldtocht te vervolgen en werden daarbij aan weerskanten de grootste ijver en de verreikendste inspanning aan den dag gelegd.
In het Noorden nam het congres een wetsvoorstel aan, waarbij eene lichting van vijfmaal honderd duizend vrijwilligers onder de wapenen geroepen werd. Men zou het later daarbij niet laten, daar het getal strijders der abolitionnisten vóór het einde van den reuzenstrijd het cijfer van een millioen te boven gingen. Men schreef daarenboven eene leening uit van vijf honderd millioen dollars. Groote legers werden in het leven geroepen, waaronder dat der Potomac. De Generaals, die aan het hoofd van die legers geplaatst werden, waren: Banks, Butler, Grant, Sherman, Mac Clellan, Meade, Thomas, Kearney en Halleck. Dit zijn slechts de namen van de voornaamsten en van de meest beroemden. Alle wapens en diensten werden voltallig gemaakt. De infanterie, de cavalerie, de artillerie, de genie werden allen nagenoeg op dezelfde wijze in divisiën ingedeeld. Met eene onbeschrijfelijke voortvarendheid werd er allerwege gewerkt, om het benoodigde oorlogs-materieel te vervaardigen, zooals: Minié- en Colt-karabijnen, getrokken kanonnen volgens de stelsels van Parrot en Rodman, kanonnen met gladde ziel en Columbiads-geschut volgens het stelsel Dahlgren, houwitser-kanonnen, revolver-kanonnen, Shrapnel-granaten, belegeringsparken, enz. enz. Men regelde de diensten der militaire telegraphie en der militaire luchtvaart, ook den reporters-dienst der groote dagbladen, de transportdienst, welke door twintig duizend karren, door vier en tachtig duizend muildieren getrokken, verricht zou worden. Men bracht de noodige hoeveelheden levensmiddelen te zamen, die onder het bestuur van den directeur der intendance gesteld werden. Men vervaardigde nieuwe grondvormen van ramschepen, die de »rams" van kolonel Ellet genoemd werden; ook »gun-boats," die den naam van kanonneerbooten van den Commodore Foote erlangden. Deze laatstgenoemden verschenen voor de eerste maal bij een zeeoorlog.
Bij de Zuidelijken werd niet minder ijver en geestdrift ontwikkeld.