De Strijd Tusschen Noord En Zuid Deel 1 Overrompeling Eener Pla

Chapter 2

Chapter 23,645 wordsPublic domain

»Die gedachte is toch ontmoedigend," sprak Walter Stannard. »Zoowel te Jacksonville als op andere punten van Florida, bevinden zich verscheidene edele kolonisten, die eenstemmig met ons over het vraagstuk van de slavernij denken. Zij zijn evenwel te weinig talrijk, om zich tegen de buitensporigheden der secessionnisten te kunnen verzetten. Voor onze veiligheid mogen wij slechts op de aankomst van het federalistisch leger rekenen, waarbij gerust de wensch mag gevoegd worden dat, wanneer tot militaire interventie besloten is, zij zoo spoedig mogelijk uitgevoerd worde."

»Ja, waarlijk," antwoordde master James Burbank, »ik deel hetzelfde gevoelen, en met u uit ik den wensch: dat zij komen! dat zij spoedig mogen komen, master, om ons van dat slechte gespuis te verlossen!"

Men zal weldra zien, of die mannen van het noorden, welker familie- of vermogen-belangen hen noodzaakten, wilden zij te midden eener slavengezinde bevolking kunnen leven, zich naar de zeden van het land te schikken, redenen hadden om zoo te spreken, redenen hadden om alles te duchten.

Alles wat James Burbank en zijne vrienden van den oorlog dachten, was zuiver waar. Het federalistisch gouvernement bereidde eene expeditie voor, die de onderwerping van Florida in opdracht zoude hebben. Het gold niet zoozeer zich van dien Staat meester te maken of hem door de militaire macht te doen bezetten, dan wel om alle toegangen tot dat gewest te sluiten voor de smokkelaars, welker handwerk daarin voornamelijk bestond om de maritieme blokkade te verbreken, zoowel om de binnenlandsche producten uit te voeren, als om wapenen en munitie in te voeren.

De Shannon waagde zich er dan ook niet meer aan, om de zuidelijke kusten van Georgië, die in de macht der troepen van de Noordelijken waren, aan te doen. Het vaartuig ging uit voorzichtigheid niet verder dan de grens, dat wil zeggen weinig buiten de riviermonding van de Sint John, tot bij de noordelijke punt van het eiland Amalia, tot bij de havenplaats Fernandina, alwaar de spoorwegbaan van Cedar Keys een aanvang neemt en het Floridasche schiereiland in schuine richting doorsnijdt, om bij de golf van Mexico te eindigen. Wanneer de Shannon verder dan het eiland Amalia en de rio Sint Mary gestevend ware, zou zij gevaar geloopen hebben, door de schepen genomen te worden van het federalistische smaldeel, hetwelk dat gedeelte van het kustland onverpoosd bewaakte.

Uit het medegedeelde volgt derhalve, dat de passagiers der stoomboot voornamelijk uit Floridianen bestonden, die door hunne zaken niet genoodzaakt werden zich buiten de grenzen van Florida te begeven. Allen waren inwoners van de steden, dorpen en gehuchten, welke op de oevers van de Sint John verrezen of op de oevers van hare bijrivieren. Voor het meerendeel behoorden zij te huis hetzij te Sint Augustijn, hetzij te Jacksonville. Bij die verschillende plaatsen konden zij op de landhoofden ontschepen, die bij de aanlegplaatsen opgericht waren, of konden zich van die houten staketsels bedienen, van die »piers", welke volgens Engelsch model gebouwd waren, en de ontschepingsvaartuigen der rivier noodeloos maakten.

Een der passagiers van de stoomboot zou haar evenwel middenstrooms verlaten. Zijn voornemen was het vaartuig te verlaten, zonder te wachten, totdat het een der voorschriftmatige aanlegplaatsen zou aangedaan hebben. Hij wilde ontschepen op een gedeelte van den oever, alwaar geen dorp, geen gehucht, zelfs geen enkele alleenstaande woning, zelfs geen jagers- of visschershut in het gezicht was.

Die passagier was Texar.

Tegen zes uren in den avond liet de Shannon drie scherpe stooten van hare stoomfluit vernemen. Hare raderen werden bijna onmiddellijk daarop gestopt, terwijl het vaartuig zich met den stroom liet mededrijven, die op dit gedeelte van de rivier volstrekt niet snel is.

Het bevond zich toen dwars van de Zwarte Kreek.

Die kreek is zeer diep in den linkeroever van de Sint John ingesneden, terwijl een kleine rio, welke geen naam draagt, maar den voet van het fort Steilman bespoelt, er in uitwatert. Deze rivierarm vormt de grensscheiding tusschen de graafschappen Putnam en Duval. Hare smalle monding wordt geheel en al bedekt door een gewelf van zware takken, welker loof zich als een dicht netwerk ineenstrengelt. Die sombere lagune is als het ware geheel en al onbekend aan de lieden van de omstreken. Niemand heeft ooit gepoogd daarin door te dringen, en niemand wist derhalve, dat zij tot verblijfplaats strekte aan dien Texar. Die onbekendheid werd veroorzaakt, doordat de oever van de Sint John bij de monding der Zwarte Kreek geene opening vertoont, zoodat hij zich als onafgebroken voordoet.

Bij zoo'n staat van zaken, moest men dan ook uiterst bekend met het vaarwater van die donkere kreek zijn, om er zich bij het vallen van den nacht, die in deze gewesten zeer spoedig intreedt, met eene sloep in te wagen.

Op het eerste schrille gefluit van de Shannon was dadelijk een kreet, die tot drie malen toe herhaald werd, tot antwoord gegeven. Daarop werd men eerst het flikkerend licht van een vuur tusschen de biezen van den oever gewaar, hetwelk evenwel spoedig in beweging geraakte.

Dat was het bewijs dat eene sloep vooruitstevende, om bij de boot aan te leggen.

Toen dat vaartuig dichterbij gekomen was, bemerkte men dat het slechts een »squif" was, een kleine notendop van boomschors vervaardigd, die door een enkele pagaai voortbewogen en bestuurd werd. Het vaartuigje naderde snel en weldra was het nog slechts op eene halve kabellengte van de Shannon verwijderd.

Texar naderde toen de valreepsopening in de verschansing van het voorschip, en van zijn hand een soort scheepsroeper makende:

»Aoh!" praaide hij.

»Aoh!" kreeg hij tot antwoord terug.

»Ben jij het, Squambô?"

»Ja, meester!"

»Leg aan boord!"

De squif schoot langs zijde. Bij het schijnsel van de seinlantaarn, welke aan den voorsteven vastgehecht was, kon men den man zien die het vaartuigje stuurde. Het was een Indiaan met verward zwart haar, die tot aan het middel naakt was. Het was, te oordeelen naar den romp, die daar onder de lichtstralen van de seinlantaarn zichtbaar was, een stevige pootige vent.

Texar keerde zich in dit oogenblik tot zijne makkers en drukte hen de hand, terwijl hij hen een beteekenisvol »tot weerziens" toeriep. Daarna daalde hij, na nog een dreigenden blik naar de zijde van master Burbank geworpen te hebben, de valreeptrap af, welke achter de kast van het bakboordrad geplaatst was en vervoegde zich bij den Indiaan Squambô.

Na weinige omwentelingen harer raderen, had de stoomboot zich van de squif verwijderd, en niemand aan boord kon gissen, dat het lichte vaartuigje eene toevlucht zou gaan zoeken onder het donkere loof van den oever.

»Een schurk minder aan boord!" zei toen Edward Carrol, zonder er zich in het minst om te bekreunen, of hij door de makkers van Texar gehoord werd.

»Ja," antwoordde James Burbank, »een schurk, die tevens een gevaarlijk boosdoener is."

Zijne reisgenooten keken hem vragend aan.

»Dienaangaande bestaat bij mij niet de geringste twijfel, hoewel de ellendeling er altijd in geslaagd is, zich door inderdaad onverklaarbare alibi's uit den pekel te redden."

»In ieder geval," zei master Walter Stannard, »wanneer dezen nacht eene misdaad in de omstreken van Jacksonville bedreven wordt, dan zal men hem niet kunnen beschuldigen, niet waar? daar hij de Shannon verlaten heeft!"

»Ik wil er geen eed op doen, dat hij onschuldig zoude zijn!" antwoordde master James Burbank. »Wanneer men mij verzekerde, dat men hem op dit oogenblik, waarin wij te zamen spreken, heeft zien stelen en moorden op vijftig mijlen hiervandaan, bij voorbeeld in het noorden van Florida, zou ik waarachtig niet verwonderd zijn."

»Dat is sterk!" riepen eenige der omstanders.

»Ik moet er bijvoegen," ging James Burbank voort, »dat, wanneer hij er in slaagde het bewijs te leveren, dat hij niet de bedrijver der misdaad was, mij dat, na alles wat met hem gebeurd is, evenmin zoude verwonderen. Maar wij doen dien kerel te veel eer aan, door ons zoolang met hem bezig te houden."

»Dat is waar."

»Keert gij naar Jacksonville terug?"

»Dezen zelfden avond."

»Wacht uwe dochter u?"

»Ja, en ik ben inderdaad ongeduldig om bij haar te zijn."

»Dat begrijp ik," antwoordde James Burbank. »Maar tegen wanneer denkt gij bij ons te Camdless Bay te komen?"

»Over eenige dagen."

»Kom zoo gauw als gij zult kunnen, waarde Stannard."

»Dat zal ik voorzeker doen, master James Burbank."

»Gij weet, wij staan aan den vooravond van zeer ernstige gebeurtenissen, die bij de nadering der federalistische troepen nog ernstiger zullen worden. Ik vraag mij dan ook vol bezorgdheid af, of uwe dochter Alice en gij niet beter in veiligheid bij ons in onze woning te Castle-House zoudt zijn, dan te midden van die stad, alwaar de Zuidelijken in staat geacht kunnen worden tot de ergste uitspattingen over te slaan."

»Mooi gezegd; maar, waarde Burbank, gij vergeet dat ik zelf een Zuidelijke ben."

»Ongetwijfeld zijt gij dat, Stannard, maar gij denkt en handelt, alsof gij een Noordelijke waart!"

»Ik zal uwe woorden in gezette overweging nemen, master Burbank. Eene dadelijke beslissing kan ik evenwel niet nemen."

Een uur later stevende de Shannon onder den aandrang der eb, die al sneller en sneller doorstond, het kleine gehucht Manderijn, hetwelk op een kleinen steeds groenen heuvel gelegen was, voorbij. Ongeveer vijf of zes mijlen lager hield het stoomschip bij den rechter-oever der rivier stil.

Daar was eene inschepings-kade aangelegd, waaraan de schepen vastmeeren konden, om zoo op de gemakkelijkste wijze te kunnen lossen en laden. Iets meer bovenstrooms was een bevallige pier van hout gebouwd, die in de buiging van twee gebogen ijzeren stangen door middel van twee metalen kabels opgehangen was.

Dit was de ontschepingsplaats van Camdless Bay.

Aan het uiteinde van de pier stonden twee zwarten te wachten. Zij waren van brandende lantaarns voorzien, want de nacht was zeer donker.

James Burbank nam afscheid van master Walter Stannard, en besteeg, gevolgd door Edward Carrol, de pier.

Achter hem kwam de mestische vrouw Zermah, die reeds van uit de verte eene fijne kinderstem beantwoordde:

»Daar ben ik, Dy!... Daar ben ik!"

»Waarlijk?" riep het kind.

»Ja, waarlijk!" antwoordde Zermah.

»En is papa er ook?"

»Ja, papa is er ook!"

De lantaarns verwijderden zich en de Shannon stoomde verder en stak de rivier naar den linker-oever over. Drie mijlen voorbij Camdless Bay, maar bij den anderen oever der rivier, stopte zij bij het landhoofd van Jacksonville, om daar het meerendeel harer passagiers te ontschepen.

Daar stapte ook Walter Stannard, tegelijkertijd met drie of vier van die lieden, welke Texar, die anderhalf uur vroeger, toen de Indiaan Squambô hem met zijne squif van boord afhaalde, verlaten had, aan wal. Toen bleef er hoogstens nog een dozijn reizigers aan boord van de stoomboot over. Een gedeelte daarvan had tot bestemmingsplaats een klein gehucht, Pablo genaamd, hetwelk bij den vuurtoren verrezen was, die bij de mondingen der Sint John opgericht was. Een ander gedeelte zoude zich naar het eiland Talbot begeven, hetwelk in volle zee, dwars van de bedoelde mondingen gelegen is. Een ander gedeelte eindelijk zou de reis tot de havenplaats Fernandina voortzetten.

De Shannon ging dus voort met de wateren van den stroom met hare schepraderen te zweepen. Een uur later was zij zonder ongevallen over de bank gestoomd en weldra bij de bocht van de Trout-Kreek, alwaar de Sint John hare reeds sterk bewogen wateren in de deininggolven van den Atlantischen Oceaan stort, verdwenen.

II.

CAMDLESS-BAY.

Camdless Bay, zoo heette de plantage, welke aan master James Burbank toebehoorde.

Daar woonde die rijke planter met zijne geheele familie. De naam Camdless was ontleend aan den naam eener kreek of inham van de Sint John, welker monding iets boven Jacksonville, maar op den tegenovergestelden oever der rivier gelegen was. Ten gevolge van die nabijheid kon men zeer gemakkelijk met de Floridasche hoofdplaats gemeenschap onderhouden.

Een goede zeilsloep, eene flinke noorder- of zuiderbries, het voordeel van de eb bij het heenvaren of van den vloed bij het terugkomen, ziet, met al die gegevens was er niet meer dan één uur noodig om de drie mijlen af te leggen, die Camdless-Bay van genoemde hoofdplaats scheiden.

James Burbank bezat daar een der fraaiste eigendommen van den geheelen Staat. Hij was rijk, zoowel uit zich zelven als vanwege zijne verwantschap. Zijn vermogen bestond daarenboven ook nog in uitgestrekte bezittingen en landerijen, gelegen in den Staat New-Jersey, welke aan den Staat New-York grenst.

De plaats, op den rechteroever van de Sint John, was zeer gelukkig gekozen, om er eene onderneming van zeer groote waarde te stichten. Aan de uiterst voordeelige gesteldheid van den bodem, door de natuur in het leven geroepen, had de hand des menschen niets te veranderen of te verbeteren gehad. Dat terrein was uit zich zelf geschikt voor de meest uiteenloopende behoeften eener uitgestrekte onderneming.

De plantage van Camdless-Bay werd door een ijverig en kundig man, in de volle kracht des levens, bestuurd. Hij werd in zijne taak ter zijde gestaan door een talrijk en ontwikkeld personeel. Het geld, om de onderneming te drijven en in de behoeften van werkkapitaal te voorzien, ontbrak niet. Geen wonder dus bij al die elementen van slagen, dat de onderneming in bloeienden staat verkeerde.

Zij had een omvang van twaalf mijlen en besloeg eene oppervlakte van vierduizend Amerikaansche bunders, gelijkstaande met drieduizend hectaren. Ja, er bestonden grootere ondernemingen in de Zuidelijke Staten der Unie, maar eene beter bestuurde voorzeker niet. Het woonhuis, de verblijven voor de bedienden, de stallen, zoowel voor de paarden als voor het overige vee, de woningen voor de slaven, de pakhuizen, bestemd tot opberging der producten, de magazijnen, de gebouwen benoodigd voor de exploitatie, de keeten voor de manipulatie, de werkplaatsen, de machinekamer, de railways, die van den omtrek van het landgoed naar de kleine havenplaats uitstraalden, de karrenwegen,--dat alles was uit een practisch oogpunt bewonderenswaardig gebouwd en aangelegd.

Met een enkelen oogopslag zag men, dat een Amerikaan van het Noorden die werken uitgedacht, overwogen en uitgevoerd had. Slechts de voornaamste etablissementen van Virginia of van Noord- of Zuid-Carolina hadden met de onderneming te Camdless-Bay kunnen wedijveren.

Daarenboven, de bodem van de plantage bevatte "high hummocks" of hooge terreinen, die zich bijzonder voor het telen van granen eigenden, "low hummocks" of lage terreinen, die meer in het bijzonder voor de koffie- en cacao-cultuur geschikt waren, en "marshes" of eene soort van gezouten savanen of vlakten, waar de rijst en het suikerriet zeer voordeelig gedijen. [1]

Zooals men weet, zijn de katoensoorten van Georgië en Florida de meest gewilde op de stapelmarkten van dat product in Europa en in Amerika. Dat hebben zij te danken aan de lengte en het zijdeachtige van hunnen vezel. De katoenvelden, met hunne regelmatig in rijen en op bepaalde afstanden geplante struiken, welker loof van eene zachtgroene kleur is en welker gele bloemen eene maluwachtige tint verraden, stelden dan ook een der voornaamste inkomsten van de onderneming daar.

Tegen het tijdstip van den oogst, overdekten die velden, welke ieder eene oppervlakte van een paar bunders hadden, zich met hutten, waarin dan de slaven met vrouwen en kinderen woonden, wien het binnenbrengen van het product opgedragen was.

Die arbeid bestond vooreerst in het plukken der zaaddoozen, om dezen daarna te ontdoen van haren wolligen inhoud. Dit laatste was een zeer teedere arbeid, daar vooral de vezel niet mag verbroken worden.

De verkregen katoen werd dan eerst in de zon gedroogd, daarna door middel van getande raderen en rollen in molens gezuiverd en eindelijk onder hydraulische persen te zamen geperst, om in balen met ijzeren banden omgeven, verpakt en zoo in de magazijnen opgeschuurd te worden. Het product was dan geheel tot verzending gereed. De zeilschepen of stoomvaartuigen konden dan die katoenbalen bij de kaden van de haven van Camdless-Bay komen inladen.

Met de katoen, teelde James Burbank ook koffie en suikerriet. Hier ontwaarde men tuinen, die duizend tot twaalfhonderd koffiestruiken bevatten, die vijftien tot twintig voet hoogte bereikten. Hun bloesem heeft wel iets van de Spaansche jasmijn, maar hun geur is zachter en oneindig fijner. Hunne vruchten of beter bessen, die wel ietwat op kleine kersen gelijken, zijn in rijpen toestand donkerrood van kleur en bevatten de beide zaden of welbekende boonen, met de platte zijden tegen elkander gedrukt. Die bessen behoeven slechts gedroogd, daarna van de roode en vervolgens van de hoornschil ontdaan te worden, waarna de boonen in zakken verpakt worden en zoo ter verzending gereed zijn. Elders zag men uitgestrekte velden, die met moerassen konden vergeleken worden, welke met duizenden en duizenden van die rietstengels overdekt waren, welke van negen tot achttien voeten hoog worden en welker bloempluimen zich onder den invloed van den wind als de vederbossen van een op marsch zijnd cavalerie-korps bewegen. Dat suikerriet was het voorwerp van bijzondere zorg te Camdless-Bay; want de geoogste stengels leverden de suiker onder den vorm van eene vloeistof, welke in de raffinaderijen, die in de Zuidelijke Staten groote vorderingen gemaakt hebben, tot de meest volmaakte geraffineerde suiker herschapen werd. Als bijproducten werden stroopsoorten gewonnen, die tot het vervaardigen van tafia, of van rum, of van rietwijn gebezigd werden. Eene andere likeur werd verkregen door het suikervocht te vermengen met het sap van ananassen of oranjeappels.

Hoewel die koffie-teelt en die suikerfabricatie, bij den katoen-aanplant vergeleken, slechts eene tweede plaats innamen, zoo leverden zij toch belangrijke inkomsten op.

Verder bestonden nog op de onderneming te Camdless-Bay eenige bunders, beplant met cacaoboomen, anderen beplant met Turksche tarwe, met jamswortelen, met pataten, met indisch koren, met tabak; terwijl eene vrij aanzienlijke uitgestrektheid aan de rijstteelt afgestaan was. Dit alles bij elkander leverde ook nog een belangrijk contingent aan de inkomsten van James Burbank.

Maar eene andere exploitatie geschiedde naast de opgenoemde die niet minder winsten afwierp dan de katoen-teelt. Dat was de ontginning van de onuitputtelijke wouden, waarmede het grootste gedeelte van de oppervlakte der plantage overdekt was. Zonder te gewagen van de opbrengst der kaneelboomen, peperstruiken, oranjeboomen, citroenboomen, olijfboomen, vijgeboomen, mangaboomen, broodboomen, zonder ook te spreken van de opbrengst van de Europeesche vruchtboomen, die in Florida uitstekend gedijen, wenschen wij hier meer de aandacht te vestigen op de houtsoorten, die in de wouden voortkwamen en geregeld uitgekapt werden. Welk een rijkdom aan campèchehout, aan gazuma's, aan Mexicaansche olmen, welke thans voor zoo verschillende zaken gebezigd worden, aan baobab's, aan koraalhout met zijn bloedroode takken en bloemen, aan altijd groenende eiken, aan pijnboomen der zuidelijke streken, die zoo geschikt zijn zoowel voor timmerwerk als voor scheepsmasten en ra's, aan pavieren, eene soort van geelbloeiende kastanjeboom, aan zwarte notenboomen, aan pachirieren, welker zaaddoozen de zonnewarmte doet openbarsten met een ratelend geluid, alsof vuurpijlen uit elkander springen, aan zonneschermvormige pijnboomen, aan tulpboomen, aan dennensoorten, aan ceders, maar vooral aan cypressen, eene boomsoort, die zoo talrijk op het Floridasche schiereiland voorkomt, dat zij er bosschen vormt, die eene lengte van zestig tot honderd mijlen bereiken.

James Burbank had verscheidene belangrijke houtzagerijen op verschillende punten van zijne onderneming moeten oprichten. Afdammingen, opgeworpen in verscheidene beken, welke schatplichtig aan de Sint John zijn, hadden haren kalmen loop in watervallen veranderd, en die watervallen verleenden op breede schaal de noodige werkkracht om die zaagmolens in beweging te stellen, welke die boomstammen in balken, delen en planken moesten veranderen, en die jaarlijks aan honderden schepen bevrachting verschaften.

Bovendien moeten nog uitgestrekte vette weilanden vermeld worden, waarin paarden, muildieren en groote kudden runderen graasden, welker opbrengst in alle landbouwkundige benoodigdheden voorzag.

Wat het pluimgedierte betreft, hetwelk de bosschen bewoonde of in de velden en de vlakten rondhuppelde, dat behoorde tot de meest uiteenloopende soorten, en men zou zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van hunne voorttelingskracht daar op dat landgoed te Camdless-Bay, die evenwel in niets verschilde van die, welke door geheel Florida waargenomen werd.

Boven de bosschen zweefden arenden met witte koppen, die eene breede vlucht hadden, en wier scherpe kreet op het fanfaar-geschetter eener gebarsten trompet geleek; valken van eene buitengewone wreedaardige woestheid; reusachtige roerdompen met lange bekken, scherp als bajonetten.

Tusschen de hooge biezen van den rivieroever en onder het ineengestrengeld loof der reusachtige bamboestruiken leefden rose-roode of scharlakenroode flamingo's; geheel witte ibissen, die men zou meenen, dat van het een of ander Egyptisch monument weggevlogen waren; pelikanen van buitengewone grootte, duizenden en nog eens duizenden zeezwaluwen van allerhande soort; krabbenvangers, versierd met groene kuif en kleed; vuurroode pluvieren met bruin donzigen hals en met witte stippen gevlekt; Amerikaansche goudvogels; gevlekte ijsvogels met vergulden weerschijn; eene geheele wereld van duikereendjes, waterhoenders, »widgeons," eene soort van fluiteenden, van talinkjes, grauwe pluvieren, zonder nog te rekenen de ontelbare stormvogels, stormduikers, schaarbekken, marlpriemen, zeeraven, meeuwen en stroostaarten, die gewoonlijk door een windvlaag tot binnen de monding der Sint John gejaagd werden, waarbij dan zelfs vliegende visschen waargenomen werden, die door de lekkerbekken op hoogen prijs gesteld worden.

In de lage weilanden werden ontelbare troepjes van gewone snippen, watersnippen en rietsnippen aangetroffen, zoo ook wulpen, gemarmerde poelsnippen, sultane-kippen, met gevederte dat tegelijkertijd rood, blauw, groen, geel en wit is, »colins-ouis", eene patrijssoort, duiven met sneeuwwitte kopjes en vuurroode pootjes.

Eindelijk had men er natuurlijk ook viervoetige dieren, waarvan wij slechts eenige eetbare soorten zullen opsommen, zooals: vliegende eekhorentjes, langgestaarte tapijnen, eene diersoort, welke het midden houdt tusschen het konijn en den haas in Europa, geheele troepen damherten; eindelijk nog raccoons of Amerikaansche waschbeeren, schildpadden, en ichneumons of spoorwezels.

Dat waren de vertegenwoordigers van het dierenrijk op dat fraaie landgoed van Camdless-Bay.

Dat daar in die weelderige natuur de vergiftige slangen niet ontbraken, zal wel niet behoeven verzekerd te worden.

Wanneer wij van de vertegenwoordigers van het dierenrijk spraken, dan was dat natuurlijk ongerekend de negers, zoowel mannelijke als vrouwelijke, die op de plantage hunne diensten te verrichten hadden. En daarin hadden wij ongelijk; wij hadden hen onder de diersoorten moeten brengen; want wat maakte die monsterachtige instelling der slavernij toch van al die menschelijke wezens anders dan dieren, die als slachtvee of als trekossen gekocht of verkocht werden?

Hoe kwam het toch dat master James Burbank, die een aanhanger was der anti-slavenleerstellingen, die een Noordelijke was, die alles van de overwinning der Noordelijken verwachtte, aan de slaven zijner plantage de vrijheid nog niet gegeven had?

Zou hij aarzelen dit te doen, wanneer de omstandigheden zich daartoe gunstig voordeden? Neen voorzeker; dat niet!