De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar
Chapter 9
En inderdaad, Texar bleef, in weerwil van het aandringen door den voorzitter der rechtbank, bij zijne bewering volharden, dat hij geen vast verblijf had. Hij gaf te verstaan, dat hij een nomaad, een rondzwerver was, een woudlooper in de onmetelijke bosschen van het grondgebied van den Staat Florida, een vertrouweling van de cypressenwouden, die daarin onder het dak der hutten sliep, van het wild leefde, dat hem zijn geweer en ook zijne valstrikken opleverden, en nu eens overvloed had en dan weer gebrek leed.
Iets anders was er in waarheid niet uit hem te halen, hoeveel moeite er ook aangewend werd.
»Het zij zoo," antwoordde kolonel Gardner eindelijk in arrenmoede. »Wat kan het ons trouwens, alles wel beschouwd, ook schelen."
»Inderdaad, wat kan het u schelen?" antwoordde Texar stoutmoedig en uittartend.
»Met uw verlof," meende Gilbert Burbank te moeten inbrengen. »Volgens mij..."
Hij kon evenwel niet verder, want de Spanjaard vervolgde onverstoorbaar:
»Laten wij aannemen, kolonel Gardner, als u dat bevredigen kan, dat ik thans in het fort Marion, waar ik wederrechtelijk opgesloten ben en van mijne vrijheid beroofd word, gedomicilieerd ben. Dat is dus uitgemaakt, niet waar?"
De voorzitter van den krijgsraad trok de schouders ongeduldig op, maar antwoordde niet.
»Waarvan word ik beschuldigd, als je blieft?" ging Texar voort, alsof hij zich reeds van het begin van het geding tot taak stelde het verhoor te willen leiden. »Het schijnt dat men met twee maten meet."
»Texar," hernam kolonel Gardner, »gij wordt niet vervolgd wegens de staatkundige gebeurtenissen, die te Jacksonville voorgevallen zijn."
»Niet?" zei Texar hoonend. »Het heeft er toch allen schijn van."
»De Commodore Dupont heeft eene proclamatie uitgevaardigd," vervolgde de voorzitter van den krijgsraad, »waarbij uitdrukkelijk verklaard wordt, dat het gouvernement van Washington geenszins zijne tusschenkomst omtrent de plaatselijke omwentelingen, waardoor de regelmatige autoriteiten door andere magistraten, welke ook, werden verdrongen, wenscht uit te breiden. De Staat Florida is weer onder de federalistische vlag teruggebracht, en het gouvernement der Vereenigde Staten zal zich weldra onledig houden met eene nieuwe organisatie voor de heronderworpen landstreek."
»Maar, wanneer ik niet vervolgd word wegens het omverwerpen van de regeering van Jacksonville, waarbij ik eenstemmig gehandeld heb met het grootste gedeelte der bevolking," vroeg de Spanjaard, »om welke reden word ik dan voor dezen krijgsraad terechtgesteld?"
»Weet gij dat niet?"
»Neen."
»Dat is slechts eene rol, die gij speelt, Texar. Kunt gij de reden niet gissen?"
»Neen, nogmaals neen."
»Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik zal tegemoet komen aan uwe volgens mij voorgewende onwetendheid."
»Ik luister, kolonel."
»Er zijn misdaden gepleegd," vervolgde de voorzitter van den krijgsraad, »misdaden tegen het gemeene recht, gedurende het tijdvak, dat gij de functie van eersten magistraat waarnaamt."
»Welke zijn die misdaden?"
»Men beschuldigt u," ging kolonel Gardner voort, »het schuim der bevolking tot het bedrijven dier misdaden aangezet te hebben."
»Maar welke misdaden, kolonel?"
»Vooreerst geldt het de plundering van de plantage Camdless-Bay, die door eene bende boosdoeners aangevallen en overrompeld is."
»Meent ge?" vroeg Texar leuk.
»Me dunkt, dat dit feit vaststaat," antwoordde de voorzitter van den krijgsraad.
»Behoudens dat die bende boosdoeners, zooals gij ze noemt," hernam Texar, »vergezeld was door eene afdeeling soldaten, die door een officier van de militie-troepen aangevoerd werd."
»Het is mogelijk, Texar; maar er is gewapenderhand geplunderd, er heeft brandstichting plaats gehad, en dat alles is geschied ten opzichte van de woning van een planter, die het recht had en daarvan dan ook gebruik gemaakt heeft, om zich tegen dergelijke geweldenarijen te verzetten."
»Het recht?" vroeg de Spanjaard heftig en toornig.
»Ja zeker, het recht," antwoordde kolonel Gardner.
»Het recht kon niet gerekend worden aan den kant te zijn van hem, die weigerde aan de bevelen te gehoorzamen van eene regeering, die wettig ingesteld was," hernam Texar.
»Hoe? Ge durft?"...
»James Burbank--daar het hem geldt--had zijne slaven in vrijheid gesteld," vervolgde de Spanjaard, »en had daardoor de openbare meening die in Florida heerscht, en die evenals in het meerendeel der Zuidelijke Staten van de Unie voor het behoud der slavernij gestemd is, aanstoot gegeven, ja haar getart."
»Maar, Texar...."
»Die daad," ging deze voort, »kon de grootste rampen op de andere plantages ten gevolge hebben, daar zij de negers als het ware tot opstand verlokte. Het bestuur van Jacksonville besloot toen, dat het in de gegeven omstandigheden tusschenbeiden moest treden. Indien het de akte van invrijheidstelling, zoo onvoorzichtig door master James Burbank uitgevaardigd en afgekondigd, niet met nietigheid heeft geslagen, zoo wilde het toch de noodlottige gevolgen daarvan voorkomen, door de vrijgestelde slaven buiten het grondgebied van den Staat te zetten. Toen master James Burbank weigerde dat bevel op te volgen, was het bestuur verplicht zijn toevlucht tot geweld te nemen, en ziedaar de reden waarom de militie-troepen, waarbij zich een gedeelte van de bevolking aansloot, gezonden werden, om de vroegere slaven van Camdless-Bay uit elkander te jagen."
»Texar," antwoordde kolonel Gardner, »het oogpunt waaruit gij de gepleegde daden van geweld schijnt te beschouwen, kan door den krijgsraad niet gedeeld worden."
»Ja, dat was wel te verwachten," sprak de Spanjaard met smadelijken glimlach, »maar gij zult mij toch moeten toegeven, dat dit het ware oogpunt is, waaruit de handeling dient beschouwd te worden."
»Volstrekt niet, Texar," hernam de voorzitter van den krijgsraad.
»Ik zou uw argument wel eens willen hooren, kolonel Gardner, om uw gevoelen te staven."
»Ziehier. Master James Burbank, die afkomstig is uit de Staten van het Noorden, heeft volkomen van zijn recht gebruik gemaakt, toen hij aan het personeel zijner plantage de vrijheid schonk. Niets kan dus ter verontschuldiging dienen of aanleiding geven om ten aanzien der uitspattingen, die op zijn landgoed gepleegd zijn, verzachtende omstandigheden aan te voeren of te bepleiten."
»Ik begin in te zien," hernam Texar, »dat ik mijn tijd zoude verbeuzelen, wanneer ik poogde mijne denkwijze dienaangaande voor den krijgsraad uiteen te zetten."
»Dat is mijne meening ook," antwoordde de kolonel.
»Het bestuur van Jacksonville heeft gemeend goed te handelen met te bevelen zooals geschied is."
»Dat is mogelijk, maar...."
»Is men nu voornemens mij als voorzitter van dat bestuur te vervolgen, en wil men de verantwoordelijkheid zijner daden op mij doen neerkomen?"
»Ja, op u, Texar!"
»Dat is niet billijk. Vergun mij dat ik dat openlijk betuig."
»Ja, op u," herhaalde kolonel Gardner, »op u, die niet alleen voorzitter van dat bestuur geweest zijt, maar u bovendien in persoon aan het hoofd gesteld hebt van de bende plunderaars, stroopers en brandstichters, die over Camdless-Bay losgelaten werden."
»Ik?"
»Ja, gij!"
»Bewijs dat!" antwoordde Texar koel.
»Geduld," zei de voorzitter.
»Is er een getuige aan te voeren," vroeg de Spanjaard, »die mij gezien heeft te midden der burgers en der militie-troepen, die afgezonden waren om de bevelen van het bestuur ten uitvoer te leggen?"
»Geduld!" herhaalde de president van den krijgsraad.
Hij noodigde toen master James Burbank uit, om mededeeling te doen van hetgeen hij wist.
Deze verhaalde de feiten, gepleegd sedert het oogenblik dat Texar en zijne partijgenooten de rechtmatige regeeringsleden van Jacksonville verjaagd en zich van hunne zetels meester gemaakt hadden. Hij wees met nadruk op de houding en de gedraging van den beschuldigde, die alles in het werk gesteld had, om het schuim der bevolking tegen de plantage op te hitsen.
Toen hem evenwel kolonel Gardner de pertinente vraag stelde, of hij Texar persoonlijk gezien had onder de aanvallers van Camdless-Bay, was hij verplicht een ontkennend antwoord te geven.
De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat inderdaad, toen John Bruce, de afgezant van master Harvey, er in geslaagd was binnen Castle House te geraken en door master James Burbank ondervraagd werd, hij niet kon zeggen of de Spanjaard zich aan het hoofd van die bende boosdoeners gesteld had.
»In ieder geval," ging de eigenaar van Camdless-Bay voort, »bestaat er bij niemand twijfel, dat op hem de geheele verantwoordelijkheid voor die misdaad komt. Hij heeft de onderste lagen der bevolking aangezet, om de plantage te verwoesten, en het heeft van hem niet afgehangen dat Castle House, mijn eigen woning, niet in brand gestoken en een prooi der vlammen geworden is, waarbij dan al de verdedigers omgekomen zouden zijn. Ja, hij had de hand in dat alles; en wij zullen hem ook weervinden bij een nog misdadiger misdrijf."
Master James Burbank zweeg toen.
Alvorens toch tot het feit der ontvoering te kunnen overgaan, was het betamelijk, dat eerst dit gedeelte der beschuldiging, die op den aanval van Camdless-Bay betrekking had, afgehandeld werd.
»Dus," hernam kolonel Gardner, terwijl hij het woord tot den Spanjaard richtte, »gij zijt van meening, dat u slechts een gedeelte van de verantwoordelijkheid behoort, welke in haar geheel ten aanzien der gegeven bevelen op het bestuur moet drukken?"
»Juist. Dat is geheel en al mijne meening."
»En gij blijft volhouden, dat gij niet aan het hoofd der aanvallers stondt, die Camdless-Bay aangetast hebben?"
»Ja, dat houd ik vol," antwoordde Texar.
»Dat is niet vol te houden!" riep master James Burbank uit.
»Geen enkele getuige," ging de Spanjaard voort, »kan bevestigen dat hij mij daar gezien heeft."
»O!" kreet Mars.
»Neen, ik bevond mij destijds niet te midden van de moedige burgers, die toen hun bloed veil hadden om de bevelen van hun bestuur ten uitvoer te doen leggen."
»Maar waar...?" wilde kolonel Gardner vragen.
Maar Texar liet hem daartoe den tijd niet. Hij vervolgde opgewonden maar met allen nadruk:
»Laat mij er bij voegen, dat ik dien dag zelfs afwezig van de hoofdplaats Jacksonville was."
»Ja!..." antwoordde master James Burbank, »dat is mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk."
De eigenaar van Camdless-Bay meende het middel gevonden te hebben, om het eerste gedeelte der beschuldiging tegen Texar aan de tweede vast te knoopen.
»Dat is niet alleen mogelijk, dat is niet alleen waarschijnlijk," antwoordde de Spanjaard met de meeste klem; »maar dat is onwraakbaar zeker."
»Maar, als het waar is, dat gij u niet bij de plunderaars van Camdless-Bay bevondt," hernam master James Burbank, »dan vond dat zijne reden in de omstandigheid, dat gij u in de Marino-Kreek bevondt, om daar de gelegenheid af te wachten eene andere misdaad te kunnen uitvoeren."
»Een andere misdaad?"
»Ja, een andere misdaad, Texar!"
»Ik ben evenmin bij de Marino-Kreek geweest," antwoordde Texar onverstoorbaar kalm, »als ik bij den aanval op Camdless-Bay, evenmin als ik toen te Jacksonville geweest ben!"
»Dat is boud gesproken," zei master James Burbank toornig.
»Zeer boud, dat weet ik," hernam de Spanjaard, »maar ik tart ieder het tegendeel te bewijzen."
De lezer heeft voorzeker niet vergeten, dat John Bruce insgelijks bij de gemelde gelegenheid aan master James Burbank verklaard had, dat, hoewel Texar zich niet bij de aanvallers van de plantage bevonden had, hij zich evenmin gedurende de laatste tweemaal vier-en-twintig uren, dat wil zeggen van den tweeden tot den vierden Maart, te Jacksonville vertoond had.
Die omstandigheid bracht den kolonel Gardner, als voorzitter van den krijgsraad er toe, den beschuldigde de navolgende vraag te stellen:
»Als gij dien dag niet te Jacksonville geweest zijt, wilt gij ons dan mededeelen waar gij wèl geweest zijt?"
»Zeker wil ik dat."
»Welnu, wij luisteren."
»Ja, maar dat zal ik nu niet mededeelen," hernam Texar. »Alles op zijn tijd."
»Gij weigert dus?"
»Alles op zijn tijd, kolonel," antwoordde de Spanjaard eenvoudig en op rustigen toon. »Het komt mij voor het oogenblik voldoende voor, dat ik aangetoond heb, dat ik persoonlijk aan den aanval op de plantage niet deelgenomen heb. Is dat uw oordeel ook niet?"
»Ja, maar..."
»En thans, kolonel, wenschte ik te weten, waarvan ik nog beschuldigd word?"
Texar stond daar met de armen over de borst gekruist, wierp een nog onbeschaamder blik dan ooit op zijne beschuldigers, en scheen hen in het aangezicht te tarten.
De beschuldiging evenwel liet zich niet lang wachten. Het was kolonel Gardner, die haar uitsprak, en het scheen ditmaal dat het den Spanjaard moeite zou kosten om haar te ontzenuwen.
»Gij zijt dus niet te Jacksonville geweest?" vroeg hij.
»Neen, kolonel."
»Ook niet te Camdless-Bay?"
»Ook niet, kolonel."
»Maar dan zal de openbare aanklager gerechtigd zijn om te beweren, dat gij toen in de Marino-Kreek waart."
»In de Marino-Kreek?"
»Ja."
»Wat zou ik daar uit te voeren hebben gehad, mag ik wel vragen?"
»Gij hebt er ontvoerd of doen ontvoeren een meisje, een kind, Diana Burbank, de dochter van master Burbank, en hare kindermeid, de mestische vrouw Zermah, de echtgenoote van den mesties Mars, hier tegenwoordig, die dat kleine meisje vergezelde."
»O! beschuldigt men mij van die ontvoering?..." vroeg Texar op hoonend spotachtigen toon.
»Ja!... U!..." riepen master James Burbank, Gilbert Burbank en Mars, die zich niet meer bedwingen konden, tegelijkertijd uit.
»En waarom zou ik dat gedaan hebben," hernam Texar, »en niet iemand anders?"
»Omdat gij er belang bij hadt die misdaad te bedrijven," antwoordde de voorzitter van den krijgsraad.
»Maar welk belang?"
»Welk belang?"
»Ja, ik vraag, welk belang ik bij die ontvoering kon hebben?"
»Gij meendet u op de familie Burbank te moeten wreken."
»Mij te moeten wreken?"
»Ja, zoo denk ik. Master James Burbank heeft u verscheidene malen aangeklaagd. Het is u wel is waar telkenmale gelukt, u door middel van onverklaarbare alibi's vrij te pleiten, waardoor gij eene veroordeeling ontgaan zijt; maar herhaaldelijk hebt gij openlijk het voornemen te kennen gegeven, u over uwe beschuldigers te zullen wreken."
»Ja, dat is zoo," viel Texar den voorzitter van den krijgsraad in de rede. »Ja, er bestaat tusschen James Burbank en mij een innige haat, dat ontken ik geenszins. Dat ik er belang bij had hem het hart te verscheuren, door zijn geliefd kind te doen verdwijnen, dat ontken ik evenmin. Maar tusschen den wensch en de uitvoering der daad bestaat een zeer groot verschil."
»Jawel, Texar, maar..." wilde kolonel Gardner zeggen.
De Spanjaard vervolgde evenwel spoedig, als ware hij gejaagd:
»Is er een getuige, die mij gezien heeft?"
»Ja!" antwoordde de voorzitter van den krijgsraad.
»En die is?" was de vraag van den onverlaat.
De kolonel verzocht toen miss Alice Stannard hare getuigenis onder eede af te leggen.
Miss Alice Stannard deed den eed en verklaarde daarbij de waarheid, niets dan de waarheid en de geheele waarheid te zullen zeggen, waarna zij het verhaal leverde van hetgeen bij de Marino-Kreek in den bewusten nacht voorgevallen was. Zij was daarbij zeer ontroerd, en verscheidene malen was zij, door hare gevoelens overmand, genoodzaakt het relaas af te breken. Maar zij was ondubbelzinnig duidelijk en bevestigend in hare verklaringen.
Toen zij en mevrouw Burbank buiten de onderaardsche gang traden, had zij Zermah een naam hooren roepen en die naam was die van Texar. Beiden hadden zich, nadat zij op de lijken der vermoorde negers gestuit waren, in allerijl naar den waterkant begeven. Twee sloepen verlieten toen den rivieroever. In de eene lagen de slachtoffers gekneveld, in de andere stond Texar rechtop op de achterplecht. En bij den weerschijn van de brandende gebouwen van Camdless-Bay, die zich tot aan de Sint John uitstrekte, had miss Alice Stannard den Spanjaard herkend.
»Is dat zoo?" vroeg kolonel Gardner. »Hebt gij Texar duidelijk herkend?"
»Ja, duidelijk."
»Denk er om dat gij een eed gedaan hebt."
»Ja, ik heb hem herkend, ik ben gereed dat andermaal onder eede te bevestigen!"
Na die zoo afdoende verklaring, kon er geen twijfel meer bestaan omtrent Texar's schuld. Duidelijker had niet kunnen getuigd worden. En toch konden master James Burbank, zijne vrienden en het geheele talrijke publiek, dat de zitting van den krijgsraad bijwoonde, waarnemen, dat de beschuldigde volstrekt niet uit het veld geslagen was, ja dat hij zijne geheele onbeschaamdheid behouden had.
»Wat hebt gij tegen deze getuigenis in te brengen, Texar?" vroeg de voorzitter van de militaire rechtbank.
»Wat ik daartegen in te brengen heb?..." vroeg de Spanjaard met een minachtenden glimlach.
De kolonel knikte met het hoofd.
»Wel eenvoudig dit," vervolgde de beschuldigde. »Wel verre van mij de gedachte, om miss Alice Stannard te beschuldigen van het afleggen van valsche getuigenis. Ik zal haar evenmin ten laste leggen, dat zij zich dienstbaar stelt aan de gevoelens van haat der familie Burbank jegens mij, door onder eede te bevestigen, dat ik de bewerker zoude zijn van die ontvoering, waarvan ik eerst sedert mijne inhechtenisneming heb kennis gekregen. Ik verklaar daartegenover, dat zij zich vergist als zij getuigt dat zij mij rechtop staande in een der vaartuigen gezien heeft, die toen den oever van de Marino-Kreek verlieten."
»Maar aangenomen," viel kolonel Gardner hier den beschuldigde in de rede, »aangenomen, dat miss Alice Stannard zich op dat punt vergist, dan kan zij toch niet dwalen bij de verklaring, dat zij Zermah gehoord heeft, die uitriep: »te hulp... het is Texar!"" De Spanjaard glimlachte hatelijk.
»Welnu, wat hebt gij daarop te antwoorden?" vroeg de voorzitter van den krijgsraad.
»Eenvoudig, dat wanneer miss Alice Stannard zich niet vergist heeft, dan is het Zermah, die het deed. Ziedaar alles. Voor mij is dat duidelijk als de dag."
»Zermah zou geroepen hebben: »het is Texar!" en gij zoudt het niet geweest zijn, die bij de ontvoering tegenwoordig waart? Dat is ongeloofelijk!"
»En toch is het zoo."
»Ik zeg u dat gij iets onaanneembaars beweert. Hoort ge: iets onaanneembaars!"
»En ik herhaal: toch is het zoo. Ik ben niet in het vaartuig geweest; ik ben zelfs niet in de Marino-Kreek geweest. Ik kan niet anders verklaren."
»Maar dat moet gij bewijzen."
»Mij dunkt, dat is de verkeerde wereld!"
»Hoe meent gij?"
»Niet de beschuldigde moet zijne onschuld, maar de beschuldigers moeten hunne aanklacht bewijzen."
»In ieder ander geval, hebt ge gelijk; maar in het tegenwoordige..."
»Kom-aan," zei de Spanjaard luchthartig. »Ik wil u uwe taak verlichten, kolonel."
»Wat bedoelt gij?"
»Ik zal het bewijs leveren, wat gij van mij verlangt. Niets zal mij gemakkelijker vallen."
»Weer een alibi?"
»Zooals ge zegt," antwoordde Texar koeltjes.
Bij dit antwoord klonk een spotachtige lach in de zaal; een gemurmel, dat twijfel verried, werd vernomen. De openbare meening was niet gunstig voor den beschuldigde.
»Texar," vroeg kolonel Gardner, »daar gij u andermaal op een alibi beroept, vraag ik u of gij het bewijs daarvan kunt leveren?"
»Ja, gemakkelijk," antwoordde de Spanjaard, »en tot dat einde behoef ik u, kolonel Gardner, slechts ééne vraag te stellen. Meer niet."
»Aan mij?"
»Ja, aan u."
»Spreek, ik luister."
»Kolonel Gardner, waart gij het niet, die tijdens de inname van Fernandina en van het fort Clinch door de Noordelijken, het bevel voerdet over de debarkementstroepen?"
»Wat heeft die vraag met deze zaak te maken?"
»Antwoord, ik verzoek er u om."
»Ja, inderdaad, ik voerde dat bevel."
»Dan hebt gij voorzeker niet vergeten, dat een spoortrein, die naar Cedar Keys vluchtte, op de brug, die het eiland Amelia met den vasten wal verbindt, door de kanonneerboot Ottawa aangevallen werd?"
»Ja, dat herinner ik mij zeer goed," antwoordde de kolonel na een oogenblik nadenken.
»Welnu, de achterste wagen van dien trein kreeg op die brug een ongeval. Of een kanonskogel de koppelschroef en de verbindingskettingen verbrijzelde, weet ik niet. Dat ben ik nimmer te weten gekomen. Maar genoeg zij het, dat die wagen achterbleef en met zijn inhoud, altemaal vluchtelingen, in handen der federalistische troepen viel."
»Maar wat doet dat alles ter zake?" riep de voorzitter van den krijgsraad ongeduldig uit.
»Dat zult gij dadelijk zien, kolonel. Geduld dus."
»Ga voort."
»En aan die vluchtelingen, welke toen krijgsgevangen gemaakt werden en wier namen en signalement men toen zorgvuldig opgeteekend heeft, werd eerst tweemaal vier-en-twintig uren later de vrijheid hergeven."
»Ja, dat alles weet ik," antwoordde kolonel Gardner, »maar ik zie niet in wat die episode uit den oorlog met uwe tegenwoordige zaak te maken heeft?"
»Niet?"
»Neen!"
»Wel, het is toch dood-eenvoudig."
»Laat hooren."
»Ik behoorde onder die krijgsgevangenen, kolonel."
»Gij?"
»Ja, ik!"
Een nieuw gemor, dat nog meer afkeuring kenteekende, liet zich bij het vernemen van die zoo onverwachte verklaring in de zaal andermaal vernemen.
»Dus," ging de Spanjaard onverstoorbaar kalm voort, alsof het zijn persoon niet gold. »Dus, daar de krijgsgevangenen van den 2den tot den 4den Maart scherp bewaakt en niet uit het oog verloren zijn, en de overval van de plantage Camdless-Bay in den nacht van den 3den Maart heeft plaats gehad, zoo is het daadwerkelijk onmogelijk, dat ik er de aanvoerder van ben geweest."
»Maar hoe verklaart gij dan de stellige herkenning van miss Alice Stannard?" vroeg de kolonel.
»Moet ik die verklaring leveren, kolonel?" vroeg de Spanjaard niet zonder aanmatiging.
»Neen, maar toch...."
»Volgens mij, als gij op mijne meening staat," ging Texar onverstoorbaar kalm voort, »volgens mij kan miss Alice Stannard onmogelijk gehoord hebben, dat Zermah mijn naam geroepen heeft. Volgens mij kan zij mij niet op het vaartuig gezien hebben, dat zich van de Marino-Kreek verwijderde."
»En waarom niet?" vroeg master James Burbank, trillende van woede.
Hij begreep dat hier de justitie weer een rad voor de oogen gedraaid werd.
»Hebt gij het dan niet gehoord?" vroeg Texar verwonderd. »Ik zei toch straks, dat ik in die oogenblikken krijgsgevangen door de Noordelijken gemaakt was en in verzekerde bewaring gehouden werd."
»Dat is onwaar," riep master James Burbank uit. »Dat kan onmogelijk zoo zijn!..."
»En toch is het zoo," grinnikte de Spanjaard.
»En ik zweer," zei miss Alice Stannard, »ik zweer dat ik dien man in eigen persoon gezien en dat ik hem behoorlijk herkend heb!"
»Mij dunkt," zei Texar, »dat dit gemakkelijk uit te maken is."
»Hoe bedoelt gij?" vroeg kolonel Gardner.
»Mijn neen staat tegenover het ja van mejuffrouw Alice Stannard, niet waar?"
De voorzitter van den krijgsraad knikte toestemmend.
»Welnu, raadpleeg de sterktestaten der krijgsgevangenen."
»Zeer juist," antwoordde de kolonel.
Onmiddellijk deed hij de stukken halen, die betrekking hadden op de krijgsgevangenen, welke dien dag van de inneming van Fernandina, in den spoortrein naar Cedar-Keys gevangen genomen waren.
Gelukkig waren die ter beschikking van den Commodore Dupont gesteld. Men bracht ze in de gerechtszaal, en toen kon geconstateerd worden, dat de naam Texar en ook zijn signalement op de bedoelde sterktestaten voorkwamen.
Er bleef dus geen twijfel meer over.
De Spanjaard kon onmogelijk de ontvoering van de kleine Dy en van Zermah, waarvan men hem beschuldigde, gepleegd hebben. Miss Alice Stannard had zich vergist, toen zij gemeend had hem te herkennen. Hij kon onmogelijk dien avond in de Marino-Kreek geweest zijn. Zijne afwezigheid gedurende tweemaal vier en twintig uren van de hoofdplaats Jacksonville, vond thans hare natuurlijke verklaring, daar hij zich juist gedurende dien tijd als krijgsgevangene aan boord van een der oorlogsvaartuigen van het smaldeel der Noordelijken bevond.
Het was om in vertwijfeling te geraken!