De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar
Chapter 8
Juist in dit oogenblik was aan boord der flottilje-kanonneerbooten eene proclamatie van den Commodore Dupont ontvangen. Zij was aan de bewoners van de hoofdplaats Jacksonville gericht en hield in hoofdzaak in, dat niemand ter zake zijner staatkundige meeningen vervolgd of ook maar gezocht zoude worden; ook niet ter zake van feitelijkheden, die den tegenstand van den Staat Florida sedert het uitbreken van dien noodlottigen burgeroorlog gekenmerkt, ja daaraan het recht van bestaan ontleend hadden. De onderwerping aan de vlag met de sterren zou aller verantwoordelijkheid uit een staatsrechtelijk oogpunt dekken.
Die maatregel, klaarblijkelijk in zich zelve doeltreffend, was in soortgelijke omstandigheden door den president Lincoln toegepast. Hij kon evenwel niet bij private of personeele feiten gelden. En dat was hier toch ten opzichte van de handelingen van Texar het geval.
Dat hij aan de wettige autoriteiten de macht om te regeeren ontwrongen had en dat hij van die macht gebruik gemaakt had om den tegenstand te organiseeren, dat was heel eenvoudig eene quaestie, die de Zuidelijken alleen aanging. Daarmede wilde het federalistische gouvernement niets te doen hebben. De aanslagen evenwel op de personen, de inval op Camdless-Bay, welke tegen een man, afkomstig uit het Noorden, gericht waren, de vernieling van zijn eigendom, de ontvoering van zijne dochter en van nog eene vrouw behoorende tot zijn dienstpersoneel, dat waren misdaden, die onder het bereik van het algemeen recht vielen, zoodat derhalve de gerechtigheid haren gewonen loop moest hebben.
Zoo luidde het advies van den commandant Stevens en zoo ook luidde dat van den Commodore Dupont, toen de aanklacht van master James Burbank en de inbeschuldiging-stelling van den Spanjaard ter hunner kennis waren gekomen.
Den volgenden dag--den 15den Maart--werd dan ook eene ordonnantie uitgevaardigd, die Texar voor de militaire rechtbank daagde onder de dubbele beschuldiging van strooperij en van ontvoering.
De beschuldigde zou zich deswege voor den Krijgsraad, die te Sint Augustijn zitting hield, te verantwoorden hebben.
VI.
SINT AUGUSTIJN.
Sint Augustijn is een der oudste steden van Noord-Amerika en dagteekent reeds van de vijftiende eeuw.
Zij is de hoofdplaats van het graafschap Sint Jan, hetwelk van luttele beteekenis is, daar het, hoe uitgestrekt zijn grondgebied ook al is, geen drie duizend inwoners telt.
Sint Augustijn is van Spaanschen oorsprong en is nagenoeg hetzelfde gebleven, wat zij weleer was, althans zij heeft er al het uiterlijke van behouden.
De stad verheft zich op het uiteinde van een der kust-eilanden. De oorlogsvaartuigen en de koopvaardijschepen vinden in hare haven, die uitmuntend tegen windvlagen uit volle zee, die zoo veelvuldig op die gevaarlijke kust van den Staat Florida bulderen, gedekt is, een veilige toevlucht. Intusschen moet erkend worden, dat om binnen die haven te komen, de schepen het gevaarlijke vaarwater moeten doorstevenen, hetwelk door de kolken en wielingen van den golfstroom bij haren ingang gevormd wordt.
De straten van Sint Augustijn zijn, evenals dat bij andere steden in de heete zone gelegen en derhalve aan het loodrecht invallen der zonnestralen blootgesteld, aangetroffen wordt, zeer smal. Door de richting dier straten en door de zeebries, die er geregeld des ochtends en des avonds den dampkring komt verfrisschen, bezit deze stad, die voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, wat Nizza of Mentone, onder den liefelijken hemel van Provence gelegen, voor Frankrijk is, een uiterst gematigd klimaat.
Het is voornamelijk in het havenkwartier en in de straten die er aan grenzen, dat de bevolking zich het dichtst saamgepakt heeft.
De voorsteden met hare weinige woningen, die slechts eene dakbedekking van palmbladeren hebben, met hare ellendige hutten, verkeeren in een staat van verlatenheid en eenzaamheid die volmaakt zou kunnen heeten, zonder de honden, de varkens, de koeien en de geiten, die er voortdurend zwervende aangetroffen worden.
De eigenlijke stad--het werd reeds gezegd--heeft een bepaald Spaansch uiterlijk, de huizen hebben vensters, die door zwaar traliewerk verdedigd worden; zij bezitten in hun binnengedeelte de traditioneele patio. De patio is eene binnenplaats, die door slanke zuilenrijen omgeven, met grillige luifels en gebeeldhouwde balkons, fraai en sierlijk alsof zij altaarkasten moeten voorstellen, versierd is.
Somwijlen, bij voorbeeld des Zondags of bij andere feestelijke gelegenheden, ontsnapt de inhoud van die huizen en stort zich op de straten der stad uit. Dan ontwaart het oog een zonderling mengelmoes van senoras, van negerinnen en mulatinnen, van Indiaansche vrouwen, van vrouwen met gemengd bloed; van negers, van negerkinderen, van Engelsche dames, van gentlemen, van eerwaarde predikanten, van monniken en van Roomsche priesters. En bijna allen hebben een sigarette in den mond, zelfs als zij zich naar den Calvarieberg begeven. En dit is toch de naam van de hoofd-parochie-kerk van Sint Augustijn, welker klokkengelui zich bijna onafgebroken, sedert het midden der zeventiende eeuw, het tijdperk van de voltooiing van die Godswoning, doet hooren.
Wij mogen hier niet overslaan, maar moeten wel degelijk aan de vergetelheid ontrukken de marktplaatsen, die zeer rijkelijk voorzien zijn, van groentewaren, van visch, van pluimvee, van varkens, van lammeren--die men op verlangen van den kooper, zoo maar zonder omslag ten aanschouwe van de marktgangers afmaakt, slacht en vilt--van eieren, van rijst, van gekookte bananen, van »frijolen," eene soort kleine boonen, die gekookt gevent worden, eindelijk van alle keerkringsvruchten als: ananassen, dadels, olijven, manga's, granaatappelen, goyaven, vijgen, oranjeappelen, citroenen, perziken, maranons en zoo voort, en dat alles zoo goedkoop als maar mogelijk en denkbaar is, en waardoor het leven zoo veraangenaamd en vergemakkelijkt wordt op dit gedeelte van het Floridasche grondgebied.
Wat den dienst der openbare reiniging betreft, deze werd gewoonlijk niet door benden straatvegers, zooals in onze Nederlandsche steden geschiedt, maar door geheele vluchten valken verricht, die onder de bescherming der wet staan; want er worden groote boeten bedreigd tegen hen, die het durven bestaan, die nuttige vogels te dooden. Deze verslinden alles, zelfs adders en slangen, en het moet erkend worden, dat het aantal van dat ongedierte, in weerwil van de vraatzucht dier valken, nog maar al te aanzienlijk in Florida is.
Het groen ontbreekt niet bij de huizenblokken, die het geheel der stad uitmaken. Bij de kruispunten der niet al te talrijke straten, erlangt de blik veelal een meer uitgestrekt waarnemingsveld, alwaar boomgroepen zich verheffen, die met hare breeduitgespreide takken en hare dichte loofkruinen de daken der woningen beschaduwen en waarin geheele scharen van veelkleurige wilde papegaaien en lorries bijna onophoudelijk snateren.
Onder die gewassen zijn de palmboomen het rijkst vertegenwoordigd. Op hunne hooge en slanke stammen wiegelt hunne bladerenkruin in de bries, niet ongelijk aan de waaiers in de hand der senora's of aan de Hindoesche panka's, die heen en weer bewogen worden, teneinde door een verfrisschenden luchtstroom, koelte en levenslust te verspreiden.
Hier en daar verheffen zich eenige eiken, die door de lianen- en glycinen-ranken als met festoenen omgeven worden. Hier en daar worden ook geheele boschjes van die reusachtige cactus-soorten ontwaard, welker voet en welker stammen als het ware eene ondoordringbare terreinafscheiding vormen.
Dat alles is vroolijk, opwekkend, verrukkelijk voor het oog, en zou dat nog meer zijn, wanneer het den valken believen mocht, den openbaren reinigings-dienst meer nauwgezet waar te nemen en te volbrengen; want het moet erkend worden, dat die dieren niet met de werktuigkundige straatveegborstels kunnen vergeleken worden.
Men vindt te Sint Augustijn slechts eene sigarenfabriek en een of twee houtzaagmolens, en eene fabriek van terpentijn. De stad bezit meer een handeldrijvend dan een industrieel karakter. Van daar worden uit- of ingevoerd: melasse of stroopsuiker, granen, katoen, indigo, harssoorten, timmer- en schrijnwerkershout, gezouten, gerookte en versche visch, zout, rottan- en gomsoorten.
In gewone tijden heeft de haven een vrij levendig verkeer door het binnenkomen en uitstevenen der stoombooten, die de kustvaart uitoefenen, en tot overvoer der koopmanswaren en der reizigers gebezigd worden, tusschen de verschillende havenplaatsen van den Atlantischen Oceaan en de Golf van Mexico.
Sint Augustijn is de zetel van een der zes rechtbanken, die in den staat Florida gevestigd zijn.
Wat haar verdedigings-vermogen betreft, tegen eene aanranding van de landzijde of tegen een aanval van de zeezijde, dat bestaat slechts uit eene versterking, het fort Marion of Sint Markus genaamd. Dit was eene militaire inrichting, die van de zeventiende eeuw dagteekende en geheel en al in Castiliaanschen stijltrant gebouwd was. Vauban, Cormontaigne, Coehoorn, de Roo van Alderwerelt, of Todtleben zouden er voorzeker den neus voor opgetrokken hebben, dat is waar; maar van een anderen kant wekte dat fort met zijnen toren, zijne bastions, zijne halve manen, zijne courtinen, zijne ravelijnen, zijne reduits, zijne escarpen en contrescarpen, zijne glacis en zijne in- en uitspringende wapenplaatsen, zijne machicoulis, zijne verzameling van antiek wapentuig, zijne oude mortieren en kanonstukken, die oneindig gevaarlijker waren voor hunne bedieningsmanschappen dan voor de vijanden, toch de bewondering op van de archeologen en de zoo dwaze oudheidkundigen.
Het was juist dat fort, hetwelk het garnizoen der geconfedereerden bij het naderen der federalistische flottilje van den Commodore Dupont in allerijl ontruimd had, hoewel het Floridasche gouvernement ettelijke jaren vóór het uitbreken van den oorlog er niet voor teruggedeinsd was nogal gelden te besteden om het in beter verdedigbaren toestand te brengen.
Na den aftocht van de militie-troepen hadden de bewoners van Sint Augustijn niet geaarzeld, om de sterkte aan de zeemacht van den Commodore Dupont over te geven, die er zoodoende zonder slag of stoot bezit van nam.
Intusschen had de rechtsvervolging, die tegen den Spanjaard Texar ingesteld was, nogal opzien in het graafschap Sint Jan gebaard. Het scheen dat zijne gevangenneming het laatste tafereel zoude zijn in den strijd tusschen dien kerel van verdachte zeden en verdachten oorsprong, met de familie Burbank.
De ontvoering van het kleine meisje en van de mestische vrouw Zermah was wel geschikt voorwaar, om de openbare meening te verontrusten en hartstochtelijk in beweging te brengen. Daarenboven, diezelfde openbare meening was zeer ten gunste van de eigenaren van de plantage Camdless-Bay geneigd.
Niemand twijfelde er aan, dat Texar de ontwerper, zoo niet de uitvoerder van dien aanslag was. Hij wekte zelfs de nieuwsgierigheid der meest onverschilligen op, om te vernemen hoe die kerel zich uit die netelige zaak zou trekken en of hij thans zijne straf niet erlangen zoude voor al de misdrijven, waarvan men hem sedert lang betichtte.
De ontvoering der bevolking te Sint Augustijn zou dus waarschijnlijk zeer belangrijk wezen. De eigenaren der rondom gelegen plantages stroomden er heen. De gerezen quaestie was wel van dien aard, om hen onmiddellijk belang in te boezemen, daar een der hoofdpunten van de acte van beschuldiging den overval en de plundering van het domein van Camdless-Bay gold.
Andere etablissementen waren ook verwoest geworden door gewapende benden der Zuidelijken, en het zou nu moeten blijken uit welk oogpunt het federalistische gouvernement die misdaden, tegen het gemeene recht onder bescherming van de partij der afscheidingsstaatkunde gepleegd, zoude beschouwen.
In City Hôtel, de voornaamste inrichting van dien aard te Sint Augustijn, hadden een groot aantal bezoekers, die hunne sympathieke gevoelens voor de familie Burbank niet onder stoelen of banken verborgen, hunnen intrek genomen.
Dat hôtel zou een nog grooter aantal gasten hebben kunnen bevatten. Want inderdaad, er kon niets meer doelmatigs ingericht of uitgedacht worden, dan dit uitgestrekte huis, gebouwd in den stijl der zestiende eeuw. Het was de oude woning van den corrégidor en prijkte nog met hare puerta of voornaamste deur, die rijkelijk met beeldhouwwerk versierd was, met hare breede »sala," of eersalon, met hare binnenplaats, door eene colonade omgeven, welker zuilen met festoenen van passiebloemen omgeven waren, met hare ruime verandah, waartoe men van uit verschillende smaakvol en degelijk gemeubileerde kamers toegang erlangde; terwijl die binnenplaats, welker lambriseeringen onder smaragd en goudgeelkleurige schakeeringen verdwenen, volgens Spaansche mode met miradoren versierd was, die tegen de muren aangebracht waren en allerwege springende fonteinen lieten ontwaren, die frischheid aanbrachten en de fijne graszoden onderhielden en drenkten en zoo eene patio daarstelde, die eene vrij uitgestrekte oppervlakte besloeg en rondom door hooge muren omgeven was. Het was in een woord een soort van caravanserail, die slechts door vermogende lieden betrokken werd.
Het was daar in dat City Hôtel dat master James Burbank, zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard en zijne dochter Alice hunnen intrek sedert den vorigen dag genomen hadden.
Het spreekt van zelf, dat de mulat Mars hen vergezelde.
Na hunne vruchtelooze poging bij Texar in de gevangenis te Jacksonville, waren master James Burbank en zijn zoon Gilbert naar Castle-House teruggekeerd.
Toen de familie vernam, dat de Spanjaard hardnekkig weigerde eenige inlichting te geven met betrekking tot de verdwijning van de kleine Dy en van Zermah, begreep zij dat de laatste hoop verdwenen was.
Intusschen bracht toch de tijding, dat Texar ter zake van het voorgevallene op de plantage Camdless-Bay voor eene militaire rechtbank zoude verschijnen, leniging bij de opgelegde smarten en angsten aan. Wanneer de aterling zich onder het gewicht van eene veroordeeling zoude gevoelen--en die kon toch volgens ieders meening niet uitblijven--dan zou hij zich wel tot spreken genoopt gevoelen, daar hij dan noodzakelijk zou moeten begrijpen, dat zijne vrijheid, ja zijn leven van zijne openhartigheid zoude afhangen. Ja, bekennen zou hij dan wel. Zoo troostte men zich op Castle-House.
Miss Alice Stannard zou in dat geding als de voornaamste bezwarende getuige voor den Spanjaard optreden.
En inderdaad, zij bevond zich bij de Marino-Kreek juist op het oogenblik toen Zermah den naam van Texar uitriep. Daarenboven had het jonge meisje den ellendeling bepaaldelijk in het schuitje, waarmede de ontvoering plaats had, herkend. Miss Alice Stannard bereidde zich dan ook voor, om naar Sint Augustijn te vertrekken. Haar vader, master Walter Stannard, zou haar met zijn vrienden master James Burbank en den zee-officier Gilbert Burbank, die door den Auditeur militair voor den krijgsraad gedagvaard waren, derwaarts vergezellen.
Mars had verzocht met hen te mogen gaan. Als echtgenoot van Zermah wilde hij tegenwoordig zijn, wanneer men den Spanjaard dat geheim zou ontwringen, dat hem alleen bekend was.
En wanneer dat gelukt zoude zijn, dan zouden master James Burbank, zijn zoon Gilbert en hij Mars niets anders meer te verrichten hebben, dan de twee gevangenen in ontvangst te nemen uit de handen van hen, die hen op bevel van Texar achter slot hielden.
In den namiddag van den 16den Maart vertrokken master James Burbank met zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard, zijne dochter miss Alice Stannard en Mars van Castle-House, na afscheid van mevrouw Burbank en van master Edward Carrol genomen te hebben.
Aan de pier van Camdless-Bay waren zij aan boord van een dier stoomvaartuigen gegaan, die den dienst op de Sint-Johnrivier verrichtten, en waren vervolgens bij de aanlegplaats van Piccolata aan wal gestapt, vandaar waren zij met een »stage", een soort van tweespannig maar hoogst eenvoudig rijtuig, langs een bochtigen weg, die voerde door een hoog opgaand woud van eikenboomen, van cypressen en van plataanboomen, die op dit gedeelte van het grondgebied van den Staat Florida aangetroffen worden, afgereden. De weg was slecht onderhouden en veroorloofde dus eene snelle reis niet.
Zij kwamen evenwel vóór het middernachtsuur te Sint Augustijn aan, alwaar zij eene behoorlijke gastvrijheid in de vertrekken van City Hôtel vonden.
De lezer mag zich evenwel niet verbeelden, dat Texar door alle zijne partijgangers verlaten was. In geenen deele. Hij telde nog vele volgers onder de mindere kolonisten van het graafschap. Deze waren nog steeds doldriftige en hartstochtelijke slavenhoudersgezinden.
Toen die partijgangers daarenboven bemerkten, dat zij ter zake van de oproerige tooneelen te Jacksonville niet zouden vervolgd worden, hadden zij weer moed gevat en besloten hun opperhoofd niet in den steek te laten. Velen hunner hadden dan ook onder elkander afgesproken, te Sint Augustijn bijeen te komen.
Het is waar, dat men hen in het patio van City Hôtel niet moest gaan zoeken. Maar het ontbrak in de stad niet aan kroegen, ook niet aan »tiendas", waar de Spaansche mestiezen en de Creeks zoo wat alles wat eetbaar, drinkbaar en rookbaar is, te koop aanbieden. Daar schoolden die lieden, welke het uitschot der bevolking vormden en niet veel aan achtbaarheid te verliezen hadden, te zamen en brachten den tijd door met luidruchtige gesprekken ten gunste van Texar te houden.
Op dat tijdstip bevond de Commodore Dupont zich niet te Sint Augustijn. Hij had waarlijk wel wat anders te doen. Hij hield zich toch onledig met de toegangs-vaarwaters tot de kust, die voor den sluikhandel in oorlogsbenoodigdheden gesloten moesten blijven, te blokkeeren.
De troepen, die hij evenwel na de overgave van het fort Marion ontscheept had, waren sterk genoeg om de stad nadrukkelijk in bedwang te houden. Geen aanvallende beweging van den kant der zuidelijke legermacht of van den kant der militie-troepen van het graafschap, die op den anderen oever van de Sint John overgegaan en in vollen aftocht waren, was te duchten.
En wanneer de partijgangers van Texar zouden gepoogd hebben om de bevolking van Sint Augustijn in opstand te brengen, om de stad aan de macht der federalistische autoriteiten te ontrukken, dan zou de beweging in hare geboorte dadelijk gesmoord kunnen worden.
Wat den Spanjaard betreft, deze was aan boord van een der kanonneerbooten van den commandant Stevens van Jacksonville naar Piccolata vervoerd geworden.
Van Piccolata was hij onder geleide van een sterke dekking naar Sint Augustijn overgebracht en daar in een der bomvrije cellen van het fort opgesloten, waaruit eene ontvluchting tot de onmogelijkheden moest gerekend worden.
Daarenboven, daar hij zelf verzocht had om terecht te staan, dacht hij waarschijnlijk niet aan eene ontsnapping. Zijne partijgenooten waren daaromtrent niet onkundig gelaten.
Wanneer hij evenwel ditmaal veroordeeld mocht worden, dan zouden zij in overweging nemen, wat zij ten gunste van zijne ontvluchting te doen hadden.
Tot dien tijd moesten zij zich rustig houden. Daarop kwam het voorshands op aan. Dat begrepen zij.
Bij afwezigheid van den Commodore Dupont, vervulde de kolonel Gardner, een oud beproefd krijgsman, de functie van plaatselijken militairen commandant der stad. Deze was ook aangewezen om den zetel van voorzitter te bekleeden in den Krijgsraad, die geroepen was recht over Texar in een der zalen van het fort Marion te spreken.
Die kolonel was toevallig dezelfde chef, die de inname van de havenplaats Fernandina bestuurde, en hij was het, die de bevelen uitvaardigde, ten gevolge waarvan de vluchtelingen, die bij den aanval op den spoortrein door de kanonneerboot Ottawa krijgsgevangen gemaakt waren, gedurende acht-en-veertig uren van hunne vrijheid beroofd waren gebleven, alvorens in vrijheid gesteld te worden. Het is noodzakelijk die bijzonderheid hier in herinnering te brengen.
De zitting van den Krijgsraad begon tegen elf uren in den ochtend.
Eene talrijke menigte had in de gerechtszaal plaats genomen. En onder dat gedeelte daarvan, dat zich het luidruchtigst betoonde, kon men de vurigste vrienden en partijgangers van den Spanjaard tellen.
Master James Burbank, de luitenant Gilbert Burbank, master Walter Stannard, miss Alice Stannard en Mars zaten natuurlijk in de bank der getuigen.
Wat men toen reeds zag, was dat er aan den kant der verdediging geene getuigen waren. Het scheen alsof de Spanjaard het der moeite niet waard geacht had, om tegengetuigen te doen oproepen. Was dat werkelijk veronachtzaming of nalatigheid van zijn kant? Of had hij zich in de onmogelijkheid gesteld gezien om een enkelen getuige, die een woord in zijn voordeel kon doen hooren, te voorschijn te brengen? Dat zou men weldra vernemen.
In ieder geval, het scheen dat de uitslag van het geding onmogelijk betwijfeld kon worden.
Toch had een niet te omschrijven voorgevoel in het brein van master James Burbank post gevat. Had hij niet reeds eenmaal in diezelfde stad Sint Augustijn, een klacht tegen den Spanjaard Texar ingebracht? En was het hem toen niet gelukt door het opwerpen van een onverklaarbaar maar niet te wraken alibi aan het vonnis der gerechtigheid te ontkomen? De invloed van dat voorval moest zich onmiskenbaar op het aanwezige publiek doen gevoelen; want het was nog slechts weinige weken geleden, dat het voorgekomen was.
Texar werd, zoodra de leden van den Krijgsraad in de zaal verschenen waren en zitting genomen hadden, door agenten binnengebracht. Men bracht hem naar de bank der beschuldigden, waarop hij zonder trekken of blozen plaats nam.
Het scheen, dat geen enkele aangelegenheid of bijzonderheid in staat zoude zijn hem te dwingen zijne gewone onbeschaamdheid en zijne uittartende houding te laten varen. Hij had slechts een minachtende glimlach voor zijne rechters over; terwijl hij zijne vrienden, die hij in de gerechtszaal ontwaarde, met een stoutmoedigen blik begroette en master James Burbank met een beleedigend gebaar, dat van diepen haat getuigde, bejegende.
Zoo trad hij binnen, zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat kolonel Gardner tot het verhoor overging.
Master James Burbank, zijn zoon Gilbert en Mars konden tegenover den man, die hen zooveel onheil berokkend had, en die hen nog zooveel ongeluk en leed kon berokkenen, niet dan met moeite hunne verontwaardiging bedwingen. Dat is wel te begrijpen, niet waar?
Het verhoor begon met de gebruikelijke vragen volgens het rechterlijk formulier, om de identiteit van den beklaagde te constateeren.
»Hoe is uw naam?" vroeg kolonel Gardner.
»Texar."
»Hoe oud zijt gij?"
»Vijf en-dertig jaren."
»Waar zijt gij geboren?"
De beschuldigde antwoordde op die vraag niet. Hij scheen zich te bedenken of zich te beraden.
»Waar zijt gij geboren, Texar?" herhaalde kolonel Gardner met nadruk.
»Dat weet ik niet."
»Weet gij dat niet?"
»Neen."
»Gij kent dus uw vaderland niet?"
»Ik weet alleen, dat ik in Mexico geboren ben. Waar, is mij evenwel onbekend."
»Waar woont gij?"
»Te Jacksonville."
»Te Jacksonville?"
»Ja, in de tienda van Torillo."
»Ik vraag u waar gij thans woont?"
»Een ander verblijf heb ik niet."
Het zal onzen lezers voorzeker wel begrijpelijk voorkomen, dat master James Burbank en zijne vrienden het hart in de borstkas voelden kloppen, toen zij dat antwoord vernamen, dat op een toon gegeven werd, die genoegzaam aanduidde, dat de beschuldigde vast besloten was, zich volstrekt niet over de plaats zijns verblijfs uit te laten.