De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar

Chapter 2

Chapter 23,832 wordsPublic domain

Ziehier wat er gebeurd was:

Een twaalftal Europeesche bewoners van Florida, die zich naar de kusten langs de Golf van Mexico wilden begeven, waren door een troep Indianen, behoorende tot den stam der Seminolen, overvallen geworden. Dat zij niet allen tot den laatsten man gedood werden, vond alleen daarin zijn oorzaak, dat zij hoegenaamd geen weerstand geboden hadden. Dat was trouwens volmaakt nutteloos geweest, daar zij een tegen tien gestaan hadden.

Die blanke reizigers werden derhalve op de meest nauwkeurige wijze aan den lijve onderzocht en van alles beroofd, wat zij bezaten, zelfs hunne kleederen. Maar nog meer, onder bedreiging van bij niet opvolging vermoord te zullen worden, werd hen bevolen, nimmermeer in die streken te verschijnen, waarvan de Indianen het grondbezit, met uitsluiting van iedere andere natie, voor zich opeischten.

En om hen te kunnen herkennen, wanneer zij het in het hoofd mochten krijgen aan dat bevel ongehoorzaam te zijn, bezigde het opperhoofd dier Indianen een eenvoudig middel. Hij liet hun een bijzonder teeken op den arm tatoueeren. Dat geschiedde op de navolgende wijze: met eene fijne naald werden wondjes in de huid geprikt, die naast elkander den vorm van het gewilde teeken vertoonden. Die wondjes werden met heet water gewasschen, om een overvloedige verbloeding te veroorzaken, waarna zij met het scherpe sap eener kleurafgevende plant werden ingewreven, waardoor het werk onuitwischbaar werd.

Die Floridasche reizigers, die zich overigens over geene mishandelingen te beklagen hadden, werden daarna naar hunne woonplaatsen teruggezonden. Zij kwamen daar op de plantages der noordelijke graafschappen van den Staat in vrij berooiden toestand aan, gemerkt als zooveel stuks vee met het wapen van den Indiaanschen stam, en toonden, zooals wel te begrijpen is, zeer weinig lust om andermaal dien Seminool-Indianen in handen te vallen, die hen alsdan zonder het minste mededoogen zouden vermoorden, al ware het maar om hunne handteekening, door dat merk vertegenwoordigd, gestand te doen.

In ieder ander tijdperk zouden de militie-troepen van het graafschap Duval een zoodanigen misdadigen aanslag niet ongestraft hebben gelaten. Zij zouden onmiddellijk uitgetrokken zijn, om de Indianen te vervolgen en te tuchtigen. Maar in het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, was er wel wat anders te verrichten, dan een krijgstocht tegen die zwervende volksstammen te ondernemen.

De vrees, dat het land door de federale troepen bezet zoude worden, overheerschte alles. Het grootste belang werd er in gesteld dat deze zich niet meester maakten van de mondingen van de Sint John en zoo het stroomgebied in hunne macht kregen. En nu kon men niets van de krijgsmacht der Zuidelijken, die van Jacksonville af tot aan de grens van den Staat Georgië opgesteld was, afnemen, om elders Indianen te gaan tuchtigen.

Later zou tijd genoeg gevonden worden, om tegenover dien Seminolen-stam op te treden, die thans ten gevolge van den burgeroorlog stoutmoedigheid genoeg aan den dag legden, om het grondgebied in het noorden van Florida, vanwaar men ze voor altijd verjaagd dacht, onveilig te maken.

Men zou zich dan niet vergenoegen hen terug te dringen naar de moerassen der Everglades-streek; maar men zou dan pogen hen tot den laatsten man uit te roeien.

Maar intusschen was het zeer gevaarlijk, zich op het terrein, gelegen in het westen van Florida, te wagen; en wanneer master James Burbank zijne nasporingen ooit naar dien kant uitstrekte, dan zou dat een nieuw gevaar zijn, hetwelk de reeds zoovele zoude vermeerderen, door eene zoodanige expeditie teweeggebracht.

Zoodanig was de gedachtengang van Squambo, terwijl hij de kleine Dy en Zermah ontvoerde.

Intusschen had het vaartuig den linker oever bereikt, en nu de Indiaan wist, dat hij zich ter hoogte van de Zwarte Kreek bevond, die toegang aan de wateren van de Sint John, in de uitgestrekte lagune-vorming verleent, zoo vreesde hij niet meer met zijne sloep op de eene of andere ondiepte te geraken.

Vijf minuten later gleed het vaartuig onder het sombere gewelf van de boomkruinen, te midden eener duisternis, die nog zwarter was dan de oppervlakte van de rivier.

Hoe gewoon Squambo ook was te varen, te midden van dit doolhof van kanalen tot deze lagune behoorende, zoo zou hij er thans evenwel van hebben moeten afzien, zoo donker was het. Maar daar hij van buiten af niet meer bespeurd kon worden, was de reden vervallen, waarom hij zijn pad niet zou verlichten. Hij hakte een harsachtigen tak van een boom op den oever af, ontstak dien en plaatste hem op de voorplecht van de sloep. Die walmende vlam was voor het geoefende oog van den Indiaan voldoende, om de verschillende doorvaarten te kunnen verkennen.

Zoo werd gedurende ruim een half uur voortgestevend en volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek, totdat het eindelijk het eilandje bereikte, waarop zich het blokhuis verhief.

Zermah moest toen aan wal stappen. Het kleine meisje, door vermoeienis uitgeput, was in de armen van de kleurlinge in slaap gevallen. De kleine Dy ontwaakte zelfs niet, toen Zermah de poterne van het fortje doorstapte, ook niet, toen zij in eene kamer, die aan het centraal reduit grensde, opgesloten werd.

Het kleine meisje werd in een deken gewikkeld, die in een hoek van het vertrek lag, en daarna op een hoop stroo neergelegd, die tot bed voor beiden moest dienen. Zermah zou evenwel niet slapen; zij zou bij hare lieveling waken.

II.

EENE ZONDERLINGE BEWERKING.

Den volgenden ochtend, op den 3den Maart, trad Squambo tegen acht uren het vertrek, waarin Zermah den nacht doorgebracht had, binnen. Hij bracht voedingsmiddelen--wat brood, een stuk koud wildbraad, vruchten, een kruik vrij sterk bier en een karaf met water, alsook eenige tafelbenoodigdheden, als borden, lepels, vorken, messen, glazen enz. Ter zelfder tijd plaatsten een paar negers een oudachtig meubelstuk in een hoek, dat als toilettafel en kastje dienst moest doen en waarin eenig linnengoed, als beddelakens, handdoeken, servetten en andere kleine benoodigdheden besloten waren, die de mestische vrouw zoowel voor haar als voor de kleine Dy zou kunnen gebruiken.

Het kleine meisje sliep gelukkig nog. Zermah had Squambo met een gebaar gesmeekt, haar toch niet wakker te maken.

Toen de negerslaven het vertrek verlaten hadden, vroeg Zermah den Indiaan met fluisterende stem:

»Wat wil men toch met ons?"

»Dat weet ik niet," antwoordde Squambo.

»Weet gij dat niet?"

»Waarlijk niet!"

»Welke bevelen hebt gij van Texar ontvangen?"

»Waarom moest ik juist bevelen van Texar ontvangen?" was de wedervraag van den Indiaan.

»Och, die drijft hier te lande alles. Dat weet iedereen."

»Toch zoudt ge u kunnen vergissen."

»Om het even van wien ge uwe bevelen hebt," antwoordde Zermah, »zeg mij wat zij betreffen?"

»Juist, die zal ik u mededeelen, in de verwachting dat gij ze stipt zult opvolgen."

»Ik luister."

»Zoolang gij hier zult vertoeven, zal deze kamer de uwe zijn en zult gij des nachts in het reduit van het fortje opgesloten zijn."

»Des nachts?... Alleen des nachts?"

»Ja, des nachts."

»Maar overdag?"

»Dan zult ge binnen de omheinde ruimte kunnen rondwandelen, zooveel gij zult willen."

»Rondwandelen?"

»Ja."

»Zoolang als wij hier zullen vertoeven,... zeidet gij straks," hernam Zermah. »Waar zijn wij hier eigenlijk?"

»Waar gij zijt?... Wel op de plek, waarheen ik u voeren moest."

Zermah keek hem doordringend aan. Zij begreep dat de Indiaan niet praten wilde. Toch waagde zij nog eene vraag:

»En zullen wij er lang blijven?"

»Gij zijt nog al nieuwsgierig uitgevallen, dunkt me," grinnikte de Indiaan.

»Nieuwsgierig of niet, antwoordt mij," bad de kleurlinge.

»Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd," antwoordde Squambo. »Wat ik kan mededeelen, heb ik u medegedeeld. Het is verder onnoodig mij te vragen, want ik zal niet meer antwoorden."

»Gij vertrouwt u zelven niet, naar ik vermeen."

»Wel mogelijk."

En inderdaad, Squambo, die niet meer wilde zeggen dan hij gezegd had, verliet na die korte woordenwisseling het vertrek en liet Zermah bij het kleine kind alleen.

Deze bekeek toen de kleine Dy, die voortging met zoo gerust mogelijk te slapen. Een paar tranen pinkte de brave vrouw tusschen de oogwimpers. Zij veegde ze onmiddellijk af, want het kind mocht bij het ontwaken niet bespeuren, dat zij geweend had. Het was toch van het grootste belang, dat de kleine meid langzamerhand aan haren nieuwen toestand gewende.

Die toestand vertoonde zich evenwel zeer dreigend, daar men met een vijand als dien ellendigen Spanjaard, op alles voorbereid moest zijn.

Zermah dacht na over al hetgeen sedert den vorigen dag geschied was.

Zij had goed en wel gezien, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard langs den oever der Sint John voortstapten, terwijl het vaartuig naar het midden der rivier stevende en zich dus van hen verwijderde. Hun wanhopig geroep, hunne hartverscheurende kreten hadden wel degelijk haar oor bereikt. Maar zouden zij Castle House weer bereikt hebben, zouden zij weer langs den tunnel in het belegerde heerenhuis hebben kunnen geraken, om aan master James Burbank en zijne metgezellen bericht te kunnen geven van de nieuwe ramp die hen getroffen had? Zouden zij niet in handen van de handlangers van den Spanjaard gevallen zijn? Zouden zij dan niet ver van Camdless Bay gevoerd zijn? Misschien waren zij wel gedood!

O, als dat het geval was, dan zou master James Burbank niet bekend worden met de afschuwelijke misdaad, dat zijn dochtertje met Zermah ontvoerd was. Hij zou dan natuurlijk in de meening verkeeren, dat zijne echtgenoote, dat miss Alice Stannard, dat de kleine Dy en dat de mestische zich in de Marino Kreek hadden kunnen inschepen, dat die vluchtelingen de schuilplaats bij de Ceder-rots hadden kunnen bereiken, alwaar hij haar in veiligheid moest wanen. Hij zou dan even natuurlijk geen onmiddellijke nasporingen instellen om de ontvoerden weer te vinden!...

En.... al nam men ook al aan, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard binnen Castle House hadden kunnen geraken, ook dat master James Burbank thans op de hoogte van alles was, was het dan nog niet te duchten dat het heerenhuis bedwongen, dat het door de aanvallers bij storm genomen, dat het uitgeplunderd, in brand gestoken, in een woord vernietigd was?

Wat zou er in dit geval van de moedige en vastberaden verdedigers geworden zijn?

Zouden zij krijgsgevangen gemaakt of in den verwoeden strijd omgekomen zijn?

Maar gevangen of dood, Zermah gevoelde het, dat zij dan geen bijstand van hunne zijde te wachten had. Zelfs wanneer de Noordelijken meester van de Sint John geworden zouden zijn, rekende zij zich verloren. Want noch Gilbert Burbank, noch Mars zouden vernemen, de eene dat zijn zusje, de andere dat zijne wederhelft op dat schier onbekende eilandje van de Zwarte Kreek gevangen gehouden en ten nauwkeurigste bewaakt werden.

Welnu, wanneer dat het geval mocht zijn, wanneer Zermah op niemand anders dan op haar eigen persoon kon rekenen, dan zou haar hare geestkracht toch niet begeven. Zij zou alle mogelijke pogingen aanwenden om dat kleine kind te redden, dat wellicht niemand meer dan hare trouwe min op de wereld bezat.

Haar geheele bestaan zou zich op een eenig doel richten, haar geheel denkvermogen zou slechts eene eenige gedachte koesteren, namelijk: de vlucht! Geen uur, geene minuut zou zij laten voorbijsnellen, zonder dat zij daadwerkelijk of met den geest bezig zoude zijn om de middelen tot die vlucht voor te bereiden.

En toch, zou het mogelijk zijn, gadegeslagen als zij werd door den Indiaan Squambo en door zijne negerslaven, het fortje te kunnen verlaten? Zou het mogelijk zijn aan de woeste speurhonden, die rond de afgesloten ruimte omdoolden, te kunnen ontsnappen? Zou het mogelijk zijn, dat eilandje, hetwelk als verloren te beschouwen was te midden van de duizenden kronkelingen van het doolhof dier lagune, te kunnen ontvluchten?

Ja, mogelijk zou dat zijn, mits zij in het geheim door een der negerslaven van den Spanjaard, die de doorvaarten van dit labyrint behoorlijk kende, geholpen werd.

Waarom zou het uitzicht eener groote belooning niet een dier mannen verlokken tot het verleenen van hulp aan Zermah bij die ontvluchting?...

Ziet, het is daaraan, dat ze al haar krachten ging wijden.

Intusschen was de kleine Dy ontwaakt. Het eerste wat zij deed, nadat zij hare oogjes uitgewreven had, was hare moeder te roepen. Daarna liet zij den blik door het vertrek waren. De herinnering aan het gebeurde daags te voren doemde op. Zij bespeurde Zermah, sprong van hare legerstede op en liep naar de mestische toe.

»Zermah!... Goede, beste Zermah!..." fleemde het kind.

»Wat is er Dy?" vroeg de goede vrouw.

»O, ik ben zoo bang!"

»Bang?"

»Ja, zeer bang!"

»Gij moet niet bang zijn, Dy!"

»Toch ben ik het."

»Ik ben immers bij u, lieve!"

»Waar is mama?..."

»Die komt... straks..."

»Straks, Zermah?"

»Wij zijn genoodzaakt geweest te vluchten..."

»Te vluchten, Zermah?..." vroeg het meisje.

»Ja, te vluchten, Dy... Dat herinnert gij u toch nog?"

»Maar, mama?..."

»Die kon niet mede!"

»Niet?"

»Neen, die moest op Castle House blijven..."

»Maar, waar zijn wij hier, goede Zermah?"

»O, wij zijn hier in veiligheid!... Hier is niets te duchten..."

»Maar, mama... en papa?..."

»Zoodra master James Burbank hulp zal erlangd hebben, zal hij ons komen afhalen..."

Dy keek Zermah met een doordringenden blik aan, alsof zij wilde zeggen:

»Is dat wel waar?"

Zermah werd verlegen onder den drang dier kinderlijke vragen. Maar vóór alles wilde zij het lieve meisje geruststellen. Daarom antwoordde zij:

»Ja, Dy, ja, dat is waar! Master Burbank heeft mij aanbevolen hem hier te wachten."

»Maar, die mannen dan, Zermah?..."

»Welke mannen, lieve?"

»Die ons in hun vaartuig vervoerd hebben... Ik ken ze niet..."

»Wel, dat waren ondergeschikten van master Harvey..."

»Van master Harvey, Zermah?..."

»Ja, lieve, van master Harvey, gij kent hem toch wel... de vriend van uw papa, die te Jacksonville woont..."

»Maar, waar zijn wij hier?"

»Op zijne villa Hampton Red!..."

»Dit eene villa?.... Dit Hampton Red?...." vroeg het kind, wantrouwend rondkijkende.

Zermah wist niet meer wat te antwoorden. Jokken gaat niet iedereen gemakkelijk af.

»En mama... en Alice, die bij ons waren..." ging Dy met kinderlijke vasthoudendheid voort. »En mama... en Alice, waarom zijn die niet hier?"

»Master Burbank, uw papa heeft ze teruggeroepen... Herinnert gij u dat niet, Dy?"

»Neen, goede Zermah, daarvan herinner ik mij niets."

»Hij heeft ze teruggeroepen, juist op het oogenblik, toen ze bij ons in het vaartuig wilden stappen..."

»Hoe jammer, niet waar?"

»Zoodra die booze lieden van Camdless-Bay verjaagd zullen zijn, zal men ons komen afhalen..."

»God geve het, Zermah... O, ik ben zoo bang!..."

»Kom, niet huilen, lieve... En wees niet meer bang!... Zelfs al moesten wij hier nog eenige dagen verblijven."

»Eenige dagen?" vroeg het kind.

»Ja, wij zijn hier goed verborgen, wees gerust!... En kom, laat ik mijn lieveling nu aankleeden."

De kleine Dy vestigde steeds haren doorborenden blik op Zermah, en niet zonder reden; want deze had een diepen zucht niet kunnen beletten zich baan te breken. Helaas, die goede vrouw had het lieve kind bij haar ontwaken niet kunnen toelachen, zooals zij steeds gewoon was te doen. Thans kwam het er evenwel vóór alles op aan om haar bezig te houden en hare gedachten te verstrooien.

Daarop legde zich Zermah met de meeste teederheid en de meeste zorgvuldigheid toe.

Zij kleedde het meisje met evenveel zorg, alsof zij zich nog in hare fraaie kamer van Castle-House bevond en tegelijkertijd poogde zij haar met vertellingen bezig te houden.

Daarna at de kleine Dy een weinig van het brood en vleesch, dat door Squambo binnen gebracht was, terwijl Zermah dat eerste ontbijt van het meisje deelde.

»En nu, lieve Dy... als gij wilt zullen wij buiten... in de afgeschoten ruimte... eene wandeling gaan doen," sprak de mestische.

»Is de villa van master Harvey mooi?" vroeg het kind.

»De villa van master Harvey?..." vroeg Zermah.

»Ja, de villa, waarin wij ons bevinden..."

»Mooi?... Neen dat niet!..." antwoordde de mestische. »Ik geloof zelfs dat het een oud krot is! Maar er zijn toch boomen, waterstroomen, wegen, in een woord alles wat verlangd kan worden, om eene aangename wandeling te maken."

»Een oud krot!..." pruilde het kind.

»Ja, maar... wij zullen er slechts weinige dagen blijven," stelde Zermah haar gerust. »Gedurende dat kort tijdperk zult gij geene gelegenheid hebben u te kunnen vervelen, en bovendien..."

»Wat, Zermah? Wat?"

»Wanneer gij zoet zult wezen, zal mama zeer tevreden zijn."

»Ja, goede Zermah... ja!... ik zal zoet zijn," antwoordde het meisje.

»Dan zal het goed zijn, Dy!"

De kamerdeur was niet op slot gesloten. Zermah nam het kind bij de hand en beiden traden naar buiten. Eerst bevonden zij zich in de binnenruimte van het centraal-reduit, die haar zeer somber toescheen. Maar een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte, waardoor de zonnestralen slechts spaarzaam vermochten door te dringen.

De oppervlakte van de omheinde binnenruimte was niet uitgestrekt--een bunder ongeveer, waarvan nog het blokhuis, dat er het grootste gedeelte van besloeg, moest afgetrokken worden. De palissadeering, die het geheel omgaf, belette Zermah om de ligging van het eilandje te midden van de lagune te gaan verkennen. Alles wat zij door de spaarzame ruimte der oude poterne daar buiten kon waarnemen, was dat een vrij breed kanaal met vuil troebel water het van de naburige eilandjes scheidde. Eene vrouw en een kind zouden dus slechts zeer moeilijk uit dat fortje en van dat eiland kunnen ontsnappen.

Voor het geval zelfs dat Zermah een vaartuig zoude kunnen bemachtigen, viel er niet aan te denken uit dit doolhof zonder gids te geraken. Wat de brave vrouw daarenboven onbekend bleef, was dat de Spanjaard Texar en de Indiaan Squambo de toegangs-vaarwaters tot die eilandengroep alleen kenden. De negers, die in het fortje aanwezig waren, verrichtten slavendiensten en verlieten het eilandje nooit. Zij waren nimmer daarbuiten geweest en wisten niet, waar hun meester hen huisvestte.

Om den oever der Sint John, zoowel als de grenzen van het moeras, hetwelk de lagune aan den westkant omgaf, te bereiken, zou Zermah zich geheel aan het toeval moeten overgeven. En onder dit vooruitzicht de vlucht te ondernemen, was het verderf voorwaar te gemoet rennen.

Bovendien bemerkte de mestische, die zich van den toestand rekenschap trachtte te geven, in de eerstvolgende dagen wel, dat zij zeer waarschijnlijk geen hulp of bijstand van de slaven van Texar te verwachten had. Dat waren voor het meerendeel half verdierlijkte negers, die hoegenaamd geen aanlokkelijk voorkomen hadden. Het is waar, zij waren door den Spanjaard niet aan den ketting geklonken; maar daarom misten zij toch op dat eilandje hunne vrijheid.

De voortbrengselen van den grond, welken die slaven bewerken moesten, voorzagen voldoende in hun onderhoud, zoodat zij over hunne voeding niet te klagen hadden. Zij waren verslaafd aan den sterken drank, waarvan Squambo hen een niet te spaarzaam ration uitdeelde. Zij hadden er volstrekt geen belang bij, hun toestand veranderd te zien, en waren dan ook bij uitstek geschikt om het fortje te bewaken en als het mocht voorkomen het te verdedigen. De slavernij-quaestie, die zich op weinige mijlen buiten de Zwarte Kreek ontwikkelde en daar alle gemoederen van hartstochten deed blaken, liet deze negers koud.

De vrijheid verkrijgen?... De vrijheid!... Waartoe?... En wat zouden zij er meê aanvangen?...

Texar zorgde voor hun bestaan en Squambo mishandelde hen niet, hoewel deze er toch wel de man voor was om ieder hoofd, dat zich tegenover hem zou willen verheffen, met woest gebaar te verbrijzelen.

De vrijheid!... Zij dachten er zelfs niet aan. Het waren verdierlijkte wezens, die op lageren trap stonden dan de speurhonden, die om het fortje ronddoolden. Het zou inderdaad geene overdrijving mogen genoemd worden, wanneer beweerd werd, dat die dieren hen in verstandelijk begrip overtroffen. Zij toch kenden het samenstel en den omvang der kreek. Zij zwommen ongehinderd de veelvuldige vaarwaters door en over. Zij bezochten al de eilandjes het eene na het andere, waarbij hen hun instinct zeer te stade kwam, om te beletten dat zij verdwaalden. Hun geblaf weerklonk soms tot op den linker oever van de Sint John. Maar hoe ver zij ook hunne tochten uitstrekten, de trouwe dieren keerden bij het vallen van den avond naar het blokhuis terug.

Geen vaartuig hoegenaamd zou de Zwarte Kreek kunnen binnendringen, zonder dat die geduchte bewakers het ontwaard en zijne nadering door hevig blaffen verkondigd zouden hebben. Niemand bovendien zoude, Squambo en Texar uitgezonderd, het fortje kunnen verlaten, zonder gevaar te loopen door die wilde nakomelingen van het Caraïbische hondengeslacht verscheurd te worden.

Toen Zermah opgemerkt had, welke waakzaamheid rondom het fortje betracht werd, welke maatregelen getroffen waren, om ontvluchting te voorkomen, was zij zeer bedroefd. Zij begreep, dat zij van hare bewakers hoegenaamd geen hulp te verwachten had. Iedere andere minder moedige en geestkrachtvolle vrouw zou der wanhoop ten prooi geworden zijn. Met haar was dit toch niet het geval.

Wanneer hulp van buiten zoude komen opdagen, dan kon die niet anders komen dan van master James Burbank, wanneer die in zijne handelingen onbelemmerd zoude zijn, en van Mars, wanneer de mesties vernemen zoude, onder welke omstandigheden zijne echtgenoote verdwenen was.

Maar, wanneer die hulp uitblijven zoude, dan moest de heldhaftige vrouw slechts op haar eigen persoon rekenen, om het kleine kind te redden. En bij die taak zou haar de moed niet ontzinken.

Zermah, die zich met de kleine Dy geheel geïsoleerd te midden van die lagune bevond, zag zich slechts omringd door woestuitziende gezichten. Toch meende zij op te merken, dat een der negerslaven, die nog jeugdig was, haar met eene zekere meewarigheid, ja met deernis beschouwde. Zou die omstandigheid reden tot hopen kunnen geven?

Zou zij hem kunnen vertrouwen? Zou zij hem de ligging van Camdless Bay mogen uitduiden, hem trachten over te halen om zich naar Castle House te begeven? Dat viel te betwijfelen. Daarenboven, Squambo scheen de belangstelling van den slaaf bemerkt of geraden te hebben; want deze werd eenvoudig ter zijde gehouden. Zermah ontmoette hem althans niet meer bij hare wandelingen in de omheinde ruimte.

Zoo gingen verscheidene dagen voorbij, zonder dat er verandering in den toestand kwam. Zermah en de kleine Dy genoten de meest mogelijke vrijheid om te gaan en te komen, zooals zij wilden. Zelfs des nachts werden zij niet opgesloten. Squambo wist toch maar al te goed, dat het haar niet mogelijk zoude zijn het centraal reduit te verlaten.

De Indiaan sprak haar nimmer aan, zoodat Zermah er dan ook van had moeten afzien hem te ondervragen en inlichtingen van dien botterik in te winnen. Hij verliet het eilandje geen enkel oogenblik. Men gevoelde dat hij ieder oogenblik van den dag en van den nacht waakzaam was.

Zermah's zorgen strekten zich dus alleen over het kind uit, dat helaas! onophoudelijk er op aandrong, om naar hare moeder gebracht te worden, of haar ten minste weer te zien.

»Mama?.. Waar is mama?" kreet de kleine Dy.

»Zij komt!" antwoordde Zermah.

»Maar wanneer?"

»Straks of morgen."

»Hoe weet gij dat, Zermah?"

»Ik heb tijding ontvangen, lieve."

»En papa?"

»Uw papa... Die zal ook komen, Dy. Die komt met miss Alice."

En als het rampzalige schepsel die antwoorden gegeven had, wist zij waarlijk niet meer wat te verzinnen. Dan poogde zij het meisje, dat meer nadenken en meer verstand aan den dag legde, dan wel met haren leeftijd overeenkwam, zooveel mogelijk te verstrooien, wat niet gemakkelijk was.

Zoo gingen de 4e, de 5e en de 6e Maart voorbij.