De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar

Chapter 18

Chapter 183,937 wordsPublic domain

Het was ongeveer negen uur in den ochtend, toen de troep aftrok en zich naar den rand van het bosch begaf. Het vereischte evenwel eenigen tijd alvorens dien te bereiken, daar de pont, welke hen overvoeren moest, slechts vijf of zes man te gelijk kon overzetten. Zermah zag hen met kleine groepen in het vaartuig afdalen en tegen den anderen oever opklimmen. Van haar standpunt achter de gevlochten omwanding, kon zij niet bemerken hetgeen op de oppervlakte van het kanaal, dat veel lager dan het maaiveld van het eiland gelegen was, voorviel.

Texar, die tot het laatst achtergebleven was, verdween op zijne beurt, gevolgd door een zijner honden, welks instinct hij bij de expeditie wenschte te benutten. De andere waakhond keerde op een wenk van zijn baas naar de wigwam terug, alsof hij alleen met de bewaking daarvan belast ware.

Een oogenblik later zag Zermah Texar den tegenovergestelden oever beklimmen, alwaar hij zich voor een oogenblik ophield om zijn troep behoorlijk op te stellen.

Daarna verdwenen allen met Squambo, de Indiaan, die door den speurhond vergezeld was, aan het hoofd, achter de reusachtige rietstengels van den oever en tusschen de struiken en onder de kruinen van het bosch.

Een der negers had voorzeker de pont naar de overzijde teruggevoerd, om te beletten dat iemand naar het eiland zou kunnen oversteken. De mestiesche vrouw kon het vaartuig evenwel niet ontwaren en moest in de meening verkeeren, dat het den oever van het kanaal gevolgd had.

Toen aarzelde zij niet meer.

De kleine Dy was zooeven wakker geworden. Haar vermagerd lichaampje was pijnlijk om aan te zien onder hare kleertjes, die ten gevolge der doorgestane vermoeienissen zeer veel geleden hadden en op vele plaatsen deerlijk versleten waren.

»Kom, lieve," zei Zermah.

»Waarheen?"

»Kom maar."

»Ik wou toch weten waarheen, goede Zermah," herhaalde het meisje met zachte stem, maar toch met een soort van eigenzinnigheid, aan kinderen zoo eigen.

»Daarheen... daar in het bosch... Daar zullen wij waarschijnlijk uw vader en uw broeder aantreffen."

»O, dat is heerlijk!" kreet Dy.

»Shut!... Zachter!... Maar Dy, zult ge niet bang in dat bosch zijn?"

»Zeker niet! Als ik bij u ben, goede Zermah, ben ik nooit bang."

»Kom dan."

De zelfopofferende vrouw opende toen met de meest mogelijke voorzorgen de deur. Daar zij geen gerucht in het belendende vertrek vernomen had, kon zij veronderstellen, dat Texar niet in de wigwam was.

En inderdaad, er was niemand.

Al dadelijk keek Zermah naar eenig wapen uit, dat zij gebruiken kon, en waarvan zij ook vast besloten was gebruik te maken, wanneer iemand haar het vluchten zou willen beletten. Op de tafel bespeurde zij een van die dolken met breed lemmet, waarvan de Indianen zich bij hunne jachtpartijen bedienen. Zij greep dien dolk en verborg hem onder hare kleeding. Zij nam ook eenige reepen gedroogd vleesch mede, die hare voeding gedurende eenige dagen moesten uitmaken.

Thans kwam het er op aan om de wigwam te verlaten. Zermah tuurde door de reten van de gevlochten omwanding in de richting van het kanaal. Geen enkel levend wezen bewoog zich op dat gedeelte van het eiland; zij zag zelfs den speurhond niet, die tot bewaking van de woning achtergelaten was.

Eenigermate gerustgesteld poogde toen de mestiesche vrouw de buitendeur te openen. Deze evenwel bood aan die poging weerstand; zij was aan den buitenkant gegrendeld.

Zermah keerde toen dadelijk met het kind naar hare kamer terug. Er bleef haar toen niets anders te doen over dan het gat te benutten, dat reeds in de omwanding bestond en onder hare vingeren reeds eenigszins verwijd was.

Die arbeid was niet moeielijk. De koene vrouw kon den dolk gebruiken om de bindrotting door te snijden, welke het vlechtwerk te zamen bond. Zij vorderde dan ook spoedig, zonder merkbaar gerucht te maken.

Maar al bespeurde Zermah den waakhond thans niet, zou dat ook zoo blijven, wanneer zij naar buiten zou treden? Zou het dier dan niet toeijlen, om zich op haar en op het kind te werpen? Als zij daaraan dacht, dan scheen het haar verkieselijker toe, een tijger te ontmoeten.

Toch mocht zij niet aarzelen. Toen het gat in de omwanding groot genoeg was, trok zij het kind tot zich en drukte het met eene hartstochtelijke beweging aan de borst. Wederkeerig kuste en liefkoosde het meisje haar met innigheid. Zij had begrepen dat zij vluchten moesten, vluchten door dat gat.

Zermah kroop door de gemaakte opening. Eerst keek zij scherp links en rechts uit, en luisterde aandachtig. Geen enkel geluid werd vernomen. Toen kroop de kleine Dy door het gat.

In dit oogenblik liet het hondengeblaf zich hooren. Het scheen zeer verwijderd van den westkant van het eiland te komen. Zermah had het kind gegrepen. Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. Zij begreep dat aan geene betrekkelijke veiligheid te gelooven viel, alvorens zij achter de rietbosschen op den anderen oever zoude verdwenen zijn.

Maar het moeielijkste en gevaarlijkste van de geheele onderneming was, de ruimte van ongeveer honderd pas zee over te steken, welke de wigwam van het kanaal scheidde. Men liep er groote kans om door Texar of door een der slaven, die op het eiland achtergebleven waren, bespeurd te worden.

Gelukkig verhief zich rechts van de wigwam een dicht boschje van boomachtige struiken, met biezen vermengd, hetwelk zich tot op den oever van het kanaal, tot op weinige meters slechts van de plek waar de pont moest liggen, uitstrekte.

Zermah besloot, zich te midden van den dichten plantengroei van dat boschje te begeven, en weldra had zij dat voornemen uitgevoerd. De meer dan twee meter hooge gewassen verleenden doortocht aan de beide vluchtelingen, en hun gebladerte sloot zich achter haar aan elkander. Van hondengeblaf werd niets meer vernomen.

Dat sluipen door die struiken geschiedde evenwel niet zonder moeite en inspanning. De arme schepsels moesten zich soms tusschen de dunne stammen en takken der boompjes, die slechts eene betrekkelijke ruimte aanboden, als het ware wringen. Weldra waren de kleeren van Zermah aan flarden gescheurd en waren hare handen vol bloed. Maar wat kon haar dat schelen! Als zij er maar in slaagde het kleine kind te vrijwaren voor de scherpe lange doornen, welke die gewassen in groote menigte overdekten. Die prikken, die verwondingen konden der moedige vrouw geen kreet, zelfs geen gebaar van pijn afdwingen. Toch gebeurde het dat, in weerwil van hare opoffering, in weerwil van hare zorgen, de kleine Dy aan handjes en armpjes verwond werd. Maar het lieve kind liet geen klacht hooren.

Hoewel de af te leggen afstand slechts kort was, een zestig meter ongeveer, was er toch een vol half uur noodig om den oever van het kanaal te bereiken.

Zermah hield toen halt en tuurde tusschen de biezenstengels door, eerst in de richting van de wigwam, daarna in de richting van het woud.

Niemand werd onder het hoog geboomte van het eiland ontwaard. Ook op den anderen oever werd niets bespeurd van Texar en zijne makkers, die zich toen op een afstand van een of twee mijlen in het innerlijke van het bosch moesten bevinden. Wanneer zij geene ontmoeting met de Noordelijken hadden, dan zouden zij niet dan over ettelijke uren naar het eiland wederkeeren.

Intusschen kon Zermah nog maar niet gelooven, dat zij in de wigwam alleen achtergelaten was. Het was toch ook niet te veronderstellen, dat die der beide broeders Texar, welke daags te voren met een troep partijgenooten aangekomen was, het eiland dienzelfden nacht verlaten had, noch dat de hond hem gevolgd was. Daarenboven, de arme vluchtelinge had het geblaf duidelijk gehoord en was dat voor haar een bewijs, dat de speurhond nog tusschen de struiken ronddoolde. Ieder oogenblik kon zij den een of den ander zien te voorschijn komen; misschien was het mogelijk, wanneer zij zich haastte, het Cypressenbosch te bereiken.

De lezer zal voorzeker niet vergeten hebben, dat Zermah, terwijl zij den overtocht van het kanaal door de makkers van den Spanjaard bespiedde, zij door de hoogte van de biezen, die op de oevers groeiden, en ook door de verhevenheid der oevers zelven, de pont niet had kunnen zien, wanneer die overvoer.

Nu twijfelde Zermah er niet aan, dat die pont door een der slaven naar het eiland teruggebracht was. Dat kwam haar voor de veiligheid van de wigwam noodzakelijk voor, voor het geval dat de soldaten van kapitein Howick er in slaagden de Zuidelijken om te trekken.

En toch was het ook mogelijk, dat de pont bij den tegenovergestelden oever gebleven was. Dat kon voorzichtig heeten, om den terugtocht van Texar en de zijnen te verzekeren, wanneer zij door de Federalisten op den voet achtervolgd werden. De arme vrouw bedacht dat thans ook.... Maar wat zou zij in dat geval moeten doen, om den anderen oever te bereiken? Zou zij dan eene schuilplaats te midden van de wildernis zoeken? En zou zij daar moeten wachten totdat de Spanjaard verjaagd werd en naar de Everglades zoude vertrekken, om zich daar te bergen?

Maar al besloot hij daartoe ook, dan zou hij niet daartoe overgaan zonder al het mogelijke in het werk gesteld te hebben, om Zermah en het kind weer te vinden. Alles zou dus daarin alleen eene oplossing vinden, indien de vluchtelinge de pont vond, om daarmede het kanaal over te steken.

Zermah sloop over eene uitgestrektheid van vijf of zes meters tusschen de biezen door. Bij den oever gekomen, bleef zij staan....

De pont bevond zich aan de overzijde.

XV.

DE BEIDE BROEDERS.

De toestand was voorwaar wanhopig. Hoe toch dat kanaal over te steken? Een koene zwemmer zou zich niet te water kunnen begeven zonder gevaar te loopen twintig malen het leven er bij in te schieten. Ja, het is waar, het kanaal was slechts een honderd voet breed, van den eenen oever tot den anderen gemeten. Maar toch was de overtocht zonder vaartuig onmogelijk. Hier en daar toch staken driekante koppen boven het water uit en men kon de waterplanten onder den druk der kruipende dieren zien bewegen.

De kleine Dy, schier waanzinnig van angst, sloot zich dicht tegen Zermah aan. O, wanneer het voldoende geweest ware om het kind te redden, dat de mestiesche vrouw zich te midden van die monsters te water begaf, die haar als eene reusachtige poliep met hare duizenden vangarmen zouden aangevat en omkronkeld hebben, inderdaad zij zou geen oogenblik geaarzeld hebben!

Maar om hier redding aan te brengen, zou waarlijk de tusschenkomst der Voorzienigheid noodig zijn. Ja, der Voorzienigheid; want hier kon God slechts helpen! Zermah zag geen heil meer dan in en door Hem. Zij knielde neer op den oever en smeekte de Almacht, die alles en dus ook het toeval in zijne hand heeft en waarvan Hij zich meestal bedient als uitvoerder van zijn Goddelijken wil.

Intusschen konden van het eene oogenblik tot het andere eenige der makkers van Texar uit den rand van het woud te voorschijn treden. Ook kon die Texar, welke op het eiland achtergebleven was, naar de wigwam terugkeeren. Hij zou Dy en Zermah missen en dadelijk zijne nasporingen beginnen....

»O God..." zuchtte de rampzalige vrouw. »Mijn God hebt toch medelijden."

Hare blikken zwierven zoekend rond, terwijl zij zoo bad.... Plotseling vestigde haar oog zich naar den rechter-oever van het kanaal.

Het water stroomde zachtkens naar het noordelijk gedeelte van het meer, waar eenige spruiten vlieten van de Caloosahatchee, een der riviertjes, die in de Golf van Mexico uitmonden, maar waardoor het meer Okee-cho-bee, bij de groote maandelijksche springvloeden watertoevoer krijgt.

Een boomstam, die met den stroom afdreef, was met een tak aan den wal blijven haken. Zou die stronk niet dienen kunnen om het kanaal over te steken? Door den invloed van een bocht, zette de stroom toch naar de overzijde en zou hen tot bij het Cypressenwoud voeren. Dat was te beproeven. In ieder geval, al dreef die boomstam ook weer naar het eiland terug, dan zou de toestand niet erger kunnen worden dan hij reeds was.

Zonder verder nadenken en als bij instinct ijlde Zermah op den drijvenden boomstam toe. Wanneer zij tijd tot overwegen had genomen, dan ware zij waarschijnlijk teruggedeinsd bij de gedachte, dat waterplanten dat vervoermiddel konden weerhouden in het midden van het kanaal, waarin slangen en ander ongedierte als het ware krioelden. Jawel! Jawel! maar alles, hoe vreeselijk ook was te verkiezen boven het verblijven op het eiland! Zermah greep dan ook Dy, tilde haar op, en na zich goed met de eene hand aan de takken vastgegrepen te hebben, werkte zij den boomstam van den oever los.

Deze volgde onmiddellijk den stroomdraad en toonde neiging naar den anderen oever over te trekken.

Zermah poogde intusschen zich te midden der takken van den gevallen woudreus te verbergen. Dat was zoozeer niet noodig, daar de beide oevers van het kanaal eenzaam en verlaten waren. Geen geluid, noch van den kant van het eiland, noch van den kant van het Cypressenwoud, werd vernomen. De mestiesche vrouw zou, wanneer zij maar eenmaal het kanaal overgetrokken was, wel eene schuilplaats tot het vallen van den avond vinden, totdat zij zonder gevaar van ontdekt te worden, het bosch zou kunnen binnendringen. De hoop was in haar hart weergekeerd. Zij dacht ternauwernood meer aan de slangen, welker koppen ter weerszijden van den boomstronk gezien werden en die tot in de lage takken kropen en wiemelden. Het kleine kind had van angst de oogen gesloten. Zermah klemde haar met de eene hand tegen hare borst, met de andere hield zij zich gereed op die monsters toe te steken. Maar, hetzij dat die ondieren verschrikt op het gezicht van den dolk, die hen dreigde, hetzij dat zij slechts onder water te duchten waren, zij klommen niet tegen den boomstam op.

Eindelijk bereikte de drijvende stronk het midden van het kanaal, vanwaar de stroom schuins naar het Cypressenwoud overstak. Wanneer hij niet in de waterplanten verward raakte, dan zou hij, alvorens een kwartier verloopen zoude zijn, den anderen oever bereikt hebben. En dan... dan... hoe groot en menigvuldig de gevaren dan ook nog waren, dan waren zij, volgens berekening van Zermah, buiten het bereik van Texar.

Plotseling klemde de arme vrouw het kind steviger in hare armen.

Verwoed geblaf werd plotseling op het eiland vernomen. Bijna onmiddellijk daarop verscheen een hond op den oever van het kanaal, dien hij in vollen ren volgde.

Zermah herkende den speurhond, die door den Spanjaard ter bewaking van de wigwam achtergelaten was.

Ter gewilde hoogte gekomen, scheen de hond met overeindstaande haren, met van woede flikkerende oogen, gereed te zijn, in het water te springen, in weerwil van de slangen, die aan de oppervlakte wiemelden.

In dat oogenblik verscheen een man op den oever van het eiland.

Dat was die der twee Texars, die achter gebleven was. Door het geblaf van den hond gewaarschuwd, kwam hij aangeloopen.

Welke woede hem bezielde, toen hij Dy en Zermah op dien boomstam drijvende zag, is onmogelijk te beschrijven. Hij kon hen niet achtervolgen, omdat de pont aan de overzijde van het kanaal vastgemaakt lag. Om haar weer in handen te krijgen, bestond maar één middel, namelijk Zermah te dooden, op gevaar af ook het kind op te offeren. Texar had bij het vernemen van het hondengeblaf in der haast een geweer gegrepen. Dat wapen bracht hij thans aan den schouder en mikte op de mestiesche vrouw, die het kleine kind met haar lichaam poogde te dekken.

Plotseling sprong de hond, die aan eene doldriftige opwinding ten prooi was, in het kanaal. Texar was van meening, dat hij dien maar al vast moest laten begaan.

De hond zwom met spoed naar den boomstam. Zermah hield het gevest van den dolk in hare vastklemmende hand en was gereed toe te stooten... Dat was evenwel niet noodig.

In een ondeelbaar oogenblik hadden de slangen den hond, in weerwil dat hij hunne giftige beten met zijne machtige tanden poogde te beantwoorden, omkronkeld en verdween hij weldra onder de waterplanten.

Texar had den dood van zijn hond moeten aanzien zonder hem hulp te kunnen bieden... Zermah was op het punt te ontsnappen.

»Sterf dan, verwenscht wijf!" gromde hij.

Andermaal bracht hij het geweer aan den schouder, mikte gedurende een zeer korte poos en vuurde, maar de boomstam raakte juist in dat oogenblik den overoever en schokte hevig, waardoor de kogel der mestiesche vrouw slechts licht aan den schouder kwetste.

Weinige seconden later lag de boomstam zoo dicht langs den oever, dat Zermah met het kind in hare armen op den oever sprong en te midden van de dichte bergen verdwenen was. Natuurlijk was het geheel overbodig, haar een tweeden kogel na te zenden. Die zou haar toch niet geraakt hebben. In weinige oogenblikken had zij het uitgestrekte cypressenwoud bereikt.

Intusschen, al had de mestiesche vrouw niets meer te vreezen van diengeen der twee Texars, die op het eiland achtergebleven was, zoo sloot dat de mogelijkheid niet uit, dat zij diens broeder ontmoeten en in zijn handen vallen kon.

Hare eerste zorg was dan ook, om zich zoo spoedig en zoo ver mogelijk van het eiland Garneral te verwijderen. Wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, zou zij hare schreden naar het Washington-meer richten. En te baat nemende alles wat zij aan lichamelijke kracht en zedelijke geestkracht bezat, liep, vloog zij eerder dan dat zij voortstapte, waarbij zij, terwijl zij het kind, dat haar niet zou kunnen volgen zonder haar te vertragen, op de armen droeg, op goed geluk de een of andere richting insloeg. De kleine en nog zwakke beentjes van Dy zouden haar lichaam niet hebben kunnen torsen, wanneer zij over dien ongelijken bodem had moeten voortstappen, te midden van de moeraskuilen, die allerwege aangetroffen werden en die, als waren het wolfskuilen voor het oog verborgen, zeer gevaarlijk waren, te midden van die boomstronken en wortelknoesten, die wild en woest door elkander gegroeid, even zoovele onuitwarbare hinderpalen vormden.

Zermah stapte dus voort met haren dierbaren last op hare armen, waarvan zij de zwaarte niet scheen te achten. Soms stond zij stil--niet zoozeer om weer bij adem te komen, dan wel om het oor te spitsen, ten einde al de geluiden van het woud waar te kunnen nemen.

Nu eens meende zij geblaf te hooren en zou dat van geen ander dier afkomstig zijn, dan van den anderen speurhond, die door Texar medegenomen was; dan weer vernam zij in de verte geweerschoten. Zij vroeg zich dan af, of de partijgangers der Zuidelijken niet handgemeen waren met het federalistisch detachement. Maar wanneer zij dan later inzag, dat al die geluiden slechts veroorzaakt werden òf door den een of anderen nabootsenden vogel, òf door het knappen van droge takken, die door het afbreken hunner vezels een knal als van een pistoolschot lieten vernemen, dan hervatte zij haren slechts voor een poos gestoorden marsch.

Thans nu zij met hoop bezield was, wilde zij, vóórdat zij de bronnen der Sint John-rivier bereikt had, geen der gevaren zien, die haar bedreigden.

Zoo stapte zij gedurende een vol uur moedig en vastberaden in oostelijke richting voort, waarbij zij zich van het meer Okee-cho-bee verwijderde, ten einde dichter bij den Atlantischen Oceaan te geraken. Zij redeneerde alzoo en met reden: dat de vaartuigen van het smaldeel van den Commodore Dupont op de kusten van Florida zouden kruisen, om het detachement af te wachten, hetwelk onder de bevelen van kapitein Howick naar den wal gezonden was. En zou het nu onder die omstandigheden onmogelijk geacht kunnen worden, dat eenige sloepen langs die kust op brandwacht lagen?...

Zermah bleef plotseling stil staan. Neen, ditmaal vergiste zij zich niet. Een woedend geblaf werd onder het geboomte van het woud vernomen en naderde, naar het geluid te oordeelen, zeer snel. Zermah herkende de stem van het dier, die zij zoo dikwijls gehoord had, wanneer de beide speurhonden rondom het blokhuis in de Zwarte Kreek doolden.

»O God," dacht zij, »die hond is ons op het spoor, en Texar kan thans niet meer ver af zijn."

Haar eerste zorg was dan ook, naar eenig dicht struikgewas uit te zien, om zich daarin met het kind te verschuilen. Maar zou zij aan het reukorgaan van een dier ontsnappen, dat zoo slim als wreedaardig en daarenboven op de jacht der gevluchte slaven gedresseerd was en hen dadelijk op het spoor kwam?

Het geblaf naderde al meer en meer, en weldra werd in de verte reeds geschreeuw vernomen.

Een oude cypresboom, welks stam door ouderdom uitgehold was en waaromheen de klimplanten en de banen een dik kleed van groen gevlochten hadden, verhief zich op een kleinen afstand van daar.

Zermah verborg zich in allerijl in die uitholling, welke ruim genoeg was, om haar en het meisje te bevatten. Toen zij er ingekropen waren, vielen de lianenstengels en klimopranken als een gordijn voor de opening neder.

Maar de speurhond was haar op het spoor. Slechts weinige minuten later ontwaarde Zermah hem voor de opening. Hij blafte met klimmende woede en ijlde met een sprong vooruit, om de opening binnen te dringen.

Een dolkstoot deed hem afdeinzen, terwijl hij verschrikkelijk jankte.

Bijna onmiddellijk daarna werd het geluid van voetstappen vernomen; herhaaldelijk geroep en het antwoord daarop weerklonk door het bosch, en onder de stemmen, die zich het meest deden gelden, kwamen die van Texar en van Squambo het duidelijkst uit.

Het waren inderdaad de Spanjaard en zijne makkers, die het meer trachtten te bereiken, om aan het federalistisch detachement te ontsnappen. Zij hadden dat plotseling in het cypressenbosch ontmoet; maar daar zij zich niet sterk genoeg gevoelden, hadden zij in allerijl den terugtocht aangenomen. Texar poogde het eiland Garneral langs den kortsten afstand te bereiken, om het breede kanaal tusschen hem en de federalisten te stellen. Daar deze dat breede vaarwater niet zonder vaartuig zouden kunnen oversteken, zouden zij door dien hinderpaal opgehouden worden. Dan zouden de partijgenooten van Texar van dat oogenblik van uitstel gebruik maken, om den anderen oever van het eiland te bereiken, om vandaar, wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, de pont te gebruiken, om op den zuidelijken oever van het meer te ontschepen.

Toen Texar en Squambo bij den cypressenboom waren aangekomen, waarvoor de hond nog steeds stond te janken, zagen zij bloedvlekken op den grond, en bij nader inzien bespeurden zij, dat het dier belangrijk in de zijde verwond was.

»Die hond is gekwetst," riep Texar.

»Ja, door een messteek, en dat nog slechts weinige oogenblikken geleden. Kijk, het bloed rookt nog."

»Wie zou dat...?"

In dit oogenblik sprong de hond weer op het gordijn van groen terug, dat Squambo met zijn geweer optilde.

»Zermah!" riep hij uit.

»En het kind!" schreeuwde Texar. »Hoe hebben zij kunnen ontvluchten? Ter dood, dat wijf ter dood!"

De uitgeputte vrouw werd door Squambo ontwapend op het oogenblik, dat zij op Texar toesteken wilde. Daarna werd zij zoo woest en wild uit hare schuilplaats gesleurd, dat het kind haar ontviel en te midden van die reuzen-paddestoelen rolde, te midden van die perisen, welke zoo overvloedig in de Amerikaansche cypressenbosschen voorkomen.

Bij den ondervonden schok barstte een dier paddestoelen los alsof het een vuurwapen ware geweest. Een fijn lichtgevend stof vermengde zich in de lucht. Op hetzelfde oogenblik sprongen andere perisen op hun beurt open. Het was een spektakel alsof daar in dat bosch een groot vuurwerk afgestoken werd, waarvan de vuurpijlen en voetzoekers elkander kruisten.

Texar, door die myriaden van sporen verblind, die plotseling de lucht vervulden, was verplicht geweest Zermah, die hij gegrepen en ter aarde gedrukt had en boven wie hij zijn dolk reeds opgeheven had, los te laten, terwijl Squambo zich in dezelfde noodlottige positie bevond en zich ook de oogen stond te wrijven. Gelukkig dat de mestiesche vrouw en het kind, welke op den grond uitgestrekt lagen, door die sporen, welke boven hunne hoofden uit de paddestoelen losbarstten, niet bereikt werden.