De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar

Chapter 17

Chapter 173,809 wordsPublic domain

Toen de beide broeders zoo hun levensdoel vastgesteld hadden, vertrokken zij naar Florida, waar geen hunner bekend was. Wat hen daarheen lokte, dat waren de talrijke gelegenheden om in een Staat, alwaar de Indianen, de oorspronkelijke bewoners des lands, een hardnekkigen oorlog tegen de indringers, de Amerikanen en de Spanjaarden voerden, in troebel water te visschen.

Het was in het jaar 1850 of 1851, dat de beide Texars voor het eerst op het Floridasche schiereiland verschenen. Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars; dat zou juister geweest zijn. Want overeenkomstig hun programma, werden zij nooit te zamen gezien. Nimmer ontmoette men hen beiden op denzelfden dag en op dezelfde plaats. Nimmer vernam iemand, dat twee personen van dienzelfden naam bestonden.

Daarenboven, terwijl zij hunne personen aldus door een stipt volgehouden geheimzinnig waas omringden, hadden zij ook met veel zorg eene geheimzinnige verblijfplaats opgespoord, die hen op een gegeven oogenblik tot schuilplaats kon dienen.

Zooals de lezer weet, hadden zij die in de Zwarte Kreek gevonden. Het centrale eiland in die halfvorming en het verlaten fortje ontdekten zij bij hunne nasporingen, welke zij langs de oevers der Sint John volvoerden. Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. Alleen Squambo de Indiaan was volledig ingelicht omtrent hun dubbel bestaan. Hij was vervuld met eene toewijding jegens de beide broeders, die elke beproeving tartte; daarenboven was hij bescheiden en wist te zwijgen, omtrent alles wat de beide Texars aanging; zoodat hij een uitmuntende vertrouweling was en ook als onverbiddelijke uitvoerder hunner wilsuitingen kon aangemerkt worden.

De lezer zal wel begrepen hebben, dat de twee broeders zich nimmer te zamen in de Zwarte Kreek vertoonden. Wanneer zij de een of andere zaak te bepraten hadden, dan waarschuwden zij elkander schriftelijk. En men heeft kunnen bemerken, dat zij bij zulke gelegenheden zich niet van de post bedienden. Een briefje werd in een blad gerold, dat blad werd aan een tak van een tulpboom bevestigd, die in een naburig moeras van de Zwarte Kreek groeide; meer was niet noodig.

Squambo begaf zich iederen dag, evenwel niet dan na de grootste voorzorgen genomen te hebben, naar die plek. Wanneer hij overbrenger was van een brief van diengeen der Texars, die in de Zwarte Kreek verblijf hield, dan bevestigde hij hem aan den tulpboom; wanneer het de andere tweeling was, die geschreven had, dan nam hij den brief van de vooraf besproken plaats en bracht hem naar het blokhuis.

Die beide ellendelingen waren nog niet lang in Florida, of zij waren in gemeenschap getreden met het liederlijkste gedeelte van de bevolking van het schiereiland. Vele boosdoeners werden hunne medeplichtigen bij tal van diefstallen, welke in dat tijdperk gepleegd werden. Die dieven en helers werden later hunne partijgenooten, toen de twee broeders besloten eene rol in den gruwelijken secessie-oorlog te spelen.

Nu eens stelde zich de een, dan weer de ander aan het hoofd van den misdadigen troep, waarvan niemand in het minst vermoedde, dat twee personen dien naam van Texar voerden.

Thans zal de lezer wel begrijpen, hoe bij de vervolging van zoo verscheidene misdaden, de beide Texars steeds zeer gevat zich op onwraakbare alibi's konden beroepen, en waarom die als onweerlegbaar in de gedingen aangenomen moesten worden. Het was evenzoo gegaan met misdaden, die gedurende het tijdperk vóór het begin van deze geschiedenis bij het gerecht aangegeven waren, waar onder meer anderen de brandstichting eener pachthoeve moest gerekend worden.

Hoewel master James Burbank en de mestiesche vrouw Zermah den Spanjaard bepaald als den dader van de brandstichting herkend hadden, was deze toch door de rechtbank van Sint Augustijn vrijgesproken, toen hij bewezen had, dat hij zich op het oogenblik dat de misdaad gepleegd werd, te Jacksonville in de tienda van Torillo bevonden had. Dat werd toch door een groot aantal getuigen onder eede bevestigd.

Zoo was het ook gegaan met betrekking tot de verwoesting van de plantage Camdless-Bay.

Hoe zou het toch mogelijk geweest zijn, tegelijkertijd de plunderaars bij den stormaanval op Castle House aan te voeren en de kleine Dy en Zermah te ontvoeren, terwijl hij zich toen onder de krijgsgevangenen bevond, die de Federalisten te Fernandina gemaakt hadden en aan boord van een der oorlogsschepen van het noordelijk eskader in verzekerde bewaring gebleven waren?

De krijgsraad was dus genoodzaakt geweest hem, in weerwil van de vele bewijzen, in weerwil van de getuigenis, door miss Alice Stannard onder eede afgelegd, vrij te spreken.

En zelfs, al neemt men aan dat de beide Texars als dubbelgangers erkend werden, dan nog zou men zeer waarschijnlijk nimmer te weten komen, wie hunner persoonlijk de bedoelde misdaden pleegde of daaraan deelnam. Maar, waren zij, alles wel beschouwd, beiden niet evenzeer schuldig aan, evenzeer medeplichtig aan, evenzeer de voornaamste bewerkers van alle die aanslagen, die sedert zoovele jaren op het Floridasche grondgebied ten uitvoer gelegd werden?

Voorzeker, en de straf, waartoe de een of de ander, of wel beiden verwezen zouden worden, zou wel verdiend zijn.

Wat de gebeurtenissen aangaat, die onlangs te Jacksonville voorgevallen waren, het was zeer waarschijnlijk, dat de beide broeders beurtelings dezelfde rol gespeeld hadden, nadat het rechtmatige gezag door den opstand van het gepeupel omvergeworpen was. Als Texar I de stad verliet, om een andere vooraf beraamde onderneming ten uitvoer te leggen, dan verving Texar II hem bij de uitoefening zijner waardigheid, en dat zonder dat hunne medeplichtigen of partijgangers omtrent die persoonsverwisseling eenige gissing koesterden.

Hieruit mag dus besloten worden, dat zij beiden evenveel schuld hadden aan de uitspattingen, welke zoowel tegen de planters, die van de Noordelijke Staten afkomstig waren, als tegen hen, die in de Zuidelijke Staten geboren, den slavenhandel gunstig gestemd waren, gepleegd werden.

Beiden waren, zooals de lezer wel zal begrijpen, steeds behoorlijk op de hoogte van hetgeen in de centrale Staten van de Unie voorviel. Zij hadden daardoor dan ook een zekeren invloed op de halfblanke bevolking, zoo ook op het schuim der bevolking verkregen. In de gegeven omstandigheden hadden zij veel briefwisseling, en herhaalde geheime samenkomsten met elkander moeten houden, ten einde omtrent de leiding hunner ondernemingen te beraadslagen. Daarna waren zij weer van elkander gegaan, ten einde hunne toekomstige alibi's voor te bereiden.

En zoo gebeurde het, dat terwijl de een op een oorlogsschip der Noordelijken krijgsgevangen zat, de ander op hetzelfde oogenblik den verwoestingstocht tegen Camdless-Bay aanvoerde. De lezer vernam hoe hij deswege door den krijgsraad van Sint Augustijn wegens het gestelde alibi van iedere vervolging ontslagen werd.

Hiervoren werd reeds gezegd, dat die verwonderingbarende gelijkenis der twee broeders, door het vorderen in leeftijd ongeschonden was gelaten. Toch was het zeer goed mogelijk, dat een toeval van physieken aard, eene verwonding of iets dergelijks die gelijkenis zou kunnen verstoren, doordat den een of ander een merkbaar teeken zoude bedeeld worden. Zoo iets zou voldoende geweest zijn, om het welslagen hunner zaakbetrekkelijke spitsvondigheid in gevaar te brengen. En bij het avontuurlijke leven, hetwelk zij leidden, waarbij zij aan zoovele kwade kansen blootgesteld waren, liepen zij veel gevaar hier of daar eene verwonding op te doen, die, wanneer zij onherstelbaar ware, hen de mogelijkheid ontnomen had, voor elkander op te treden.

Waren echter die toevallen herstelbaar, dan zou natuurlijk de gelijkenis daardoor niet te lijden hebben.

Zoo gebeurde het eens dat een der Texars, korten tijd nadat zij in Florida aangekomen waren, diens baard door een geweerschot, hetwelk rakelings op hem afgevuurd was, verbrand werd. Dadelijk schoor zich de andere tweeling de kin kaal, om baardeloos als zijn broeder te zijn.

Een ander feit, dat ook wel een nadere verklaring verdient. Men heeft voorzeker niet vergeten, dat Zermah op een nacht, terwijl zij nog in de Zwarte Kreek gevangen was, den Spanjaard zich den arm zag tatoueeren. Dat geschiedde omdat zijn tweelingbroeder eens bij een tocht door een bende Seminool-Indianen opgelicht en toen zoo met dat onuitwischbaar merk op den linkerarm geteekend was geworden. Deze had dadelijk eene nauwkeurige teekening van die tatoueering naar het fortje gezonden, waar Squambo haar even nauwkeurig had kunnen overbrengen. De identiteit onderling der beide tweelingen bleef dus ongeschonden.

En waarlijk, het zou niet gewaagd zijn te verzekeren, dat wanneer Texar I een arm of een been kwijt raakte, Texar II niet aarzelen zou, zich het overeenkomstige lichaamsdeel te laten afzetten.

Om kort te gaan, gedurende een groot tiental jaren gingen de gebroeders Texar voort dat dubbelgangersleven te voeren, maar zij gingen daarbij met zulke behendigheid, met zulke voorzichtigheid te werk, dat zij er in geslaagd waren aan alle vervolgingen van de Floridasche rechterlijke macht te ontkomen.

Hadden de beide tweelingen met hunne bedrijven eenig vermogen verworven? Binnen zekere grenzen, ja. Eene vrij aanzienlijke som gelds, welke zij van de opbrengsten hunner diefstallen en plunderingen bespaard hadden, was in een geheim hoekje van het blokhuis in de Zwarte Kreek zorgvuldig opgeborgen. Dat geld was evenwel bij wijze van voorzorgsmaatregel door den Spanjaard medegenomen geworden, toen hij besloot naar het eiland Garneral af te reizen, en men kan er zeker van zijn, dat hij het niet in de wigwam zou achterlaten, wanneer hij genoodzaakt zoude worden, naar de overzijde van het Bahama-kanaal te vluchten.

Dat vermogen scheen hen evenwel onvoldoende toe. Zij trachtten het dan ook te vermeerderen, alvorens er zonder gevaar hier of daar in Europa of Noord-Amerika van te gaan genieten.

Daarenboven, toen zij vernamen dat de Commodore Dupont voornemens was om Florida weldra te ontruimen, was het den beiden broeders duidelijk geworden, dat de gelegenheid geopend zoude worden om zich nog meer te verrijken; want dan zouden zij de planters, die voor de Noordelijken gezind waren, die bezetting van weinige weken van Florida door de federalistische troepen, duur laten betalen. Zij besloten dus op zien komen te spelen. Wanneer zij maar eenmaal te Jacksonville terug zouden zijn, zouden zij met behulp van hunne partijgenooten en met behulp van allen, die zich door hunne sympathieën voor de Zuidelijken gecompromitteerd hadden, weldra den toestand weten te beheerschen en de standplaats hernemen, die zij bij een volksoploop veroverd hadden en die een volksoploop hen weergeven kon.

De beide Texars hadden daarenboven nog een middel in hun bezit, een beproefd middel, om datgene te erlangen wat hen nog ontbrak om rijk te kunnen heeten, en zelfs rijker dan zij ooit gedroomd hadden.

En inderdaad, waarom leenden zij het oor niet aan de voorstellen, welke Zermah aan een hunner gedaan had? Waarom haastten zij zich niet, de kleine Dy aan hare wanhopige ouders weer te geven? Master James Burbank zou voorzeker zijn geheele vermogen willen opofferen, om zijn arm kind terug te krijgen. Hij zou zich voorzeker wel willen verbinden, geen klacht in te brengen, geene vervolging jegens den Spanjaard uit te lokken.

Maar bij de beide Texars had de haat grooter macht dan het eigenbelang. En waren zij er op uit om zich te verrijken, dan werd die wensch overheerscht door de gedachte, dat zij zich over de familie Burbank gewroken zouden hebben alvorens Florida te verlaten.

De lezer weet thans alles wat hij nopens de broeders Texar weten moet. Wij kunnen thans tot de ontknooping van deze geschiedenis overgaan.

Het zal onnoodig zijn mede te deelen, dat Zermah alles begreep, toen zij zich plotseling in tegenwoordigheid van die twee mannen bevond. Al het gebeurde van vroeger kwam haar oogenblikkelijk voor den geest. Zij stond daar ontzet, terwijl zij hen aankeek. Zij stond daar bewegingloos met het kleine meisje in hare armen, alsof hare voeten in den bodem wortel geschoten hadden. Gelukkig dat de meer frissche lucht in die kamer, ieder gevaar van verstikking van het kind verwijderd had.

Maar de verschijning van de arme vrouw in tegenwoordigheid van de beide broeders, dat geheim hetwelk zij daar onverwachts ontdekt had, was een doodvonnis voor haar.

XIV.

ZERMAH AAN HET WERK.

Hoezeer de beide Texars zich ook in gewone omstandigheden wisten te beheerschen, zoo was het hun thans onmogelijk om zich te bedwingen. Sedert hunne kindsheid als het ware, was het de eerste maal dat zij door een derde persoon te zamen gezien werden. En die persoon was hun ergste vijandin. Zij stoven dan ook in het eerste oogenblik van hunnen toorn op, zij wilden zich op haar werpen om haar te dooden, ten einde het geheim van hunnen dubbelgang te redden...

Het kind had zich in de armen van Zermah opgericht en riep, terwijl het de kleine handjes uitstak:

»Ik ben bang!... Ik ben bang!"

Op een gebaar der beide broeders stapte Squambo vol ijver op de mestiesche vrouw toe, pakte haar bij de schouders en drong haar in hare kamer terug, waarvan de deur achter haar dichtklapte.

Squambo keerde toen bij de beide Texars terug. Zijne houding duidde genoeg aan, dat hij slechts bevelen wachtte, dat hij uitvoeren zou wat men hem zou gelasten. Maar het onverwachte van dat tooneel had de beide broeders meer geschokt, dan men wel veronderstellen zou, wanneer men hun stoutmoedig en gewelddadig karakter in aanmerking nam. Zij raadpleegden elkander met den blik.

Zermah was intusschen in een hoek van hare kamer gekropen, nadat zij het kind op de bladeren legerstede had neergelegd. Hare koelbloedigheid kreeg weer de overhand. Zij sprong op, naderde de deur om te kunnen hooren, wat thans gesproken zoude worden. Haar lot zou ongetwijfeld binnen weinige oogenblikken beslist zijn. Maar de beide Texars en Squambo waren buiten de wigwam getreden, zoodat hunne woorden haar oor niet meer konden bereiken.

Ziehier evenwel welke gesprekken die drie aterlingen voerden:

»Zermah moet sterven!"

»Ja, dat moet!"

»Wanneer zij er in slaagde te ontsnappen, of wanneer de Federalisten haar bevrijdden, dan waren wij reddeloos verloren. Zij sterve dus!"

»Dadelijk!" antwoordde Squambo.

En hij wilde reeds met een dolk in de hand op de wigwam toetreden, toen een der beide Texars hem tegenhield.

»Laten wij nog wachten," zei deze.

»Wachten?"

»Ja, wij zullen altijd Zermah kunnen doen verdwijnen, niet waar? Thans zijn hare zorgen noodig voor het kind; ten minste tot zoolang wij haar niet door eene andere vervangen zullen hebben... Laten wij beginnen met ons rekenschap van den toestand te geven. Volgens een bevelschrift van den Commodore Dupont doorkruist thans een detachement der Noordelijke marinetroepen het cypressenbosch. Welnu, laten wij eerst de omstreken van het eiland en van het meer doorzoeken. Niets bewijst dat die troepenafdeeling, welke naar het zuiden marcheert, herwaarts zal komen. Wanneer het hierheen komt, dan is het tijd om te vluchten. Richt het zijn marsch niet naar dezen kant, dan blijven wij stil hier en laten hen de moeraslanden van Florida verder binnentrekken. Daar zal het aan onze genade of ongenade overgeleverd zijn; want wij zullen dan den tijd hebben om het grootste gedeelte der militie-troepen, die op het grondgebied ronddolen, bijeen te verzamelen. Wij zullen hen, in plaats van te vluchten, dan vervolgen; wij zullen dat met goed gevolg kunnen, want wij zullen dan verreweg de overmacht hebben. Wij zullen hen den terugtocht afsnijden en... zijn er ettelijke zeelieden aan het bloedbad van Kissimmee ontsnapt, hier in de Everglades zal geen enkele Noordelijke den noodlottigen dans ontkomen."

In de gegeven omstandigheden was dat wel de beste partij die te kiezen was. Een groot aantal aanhangers der Zuidelijken waren thans in de streek vereenigd en wachtten slechts op eene gelegenheid om tegen de Federalisten op te treden. Wanneer een der Texars met zijne makkers de omstreken zoude verkend hebben, dan zou besloten kunnen worden, of zij het eiland Garneral zouden kunnen blijven bezetten, of dat zij naar de omstreken van de Zandkaap zouden terugtrekken. Dat zou men den volgenden dag reeds weten.

Wat Zermah betreft, daaromtrent was men het eens. Onverschillig welken uitslag de verkenningstocht zoude hebben, Squambo zou de opdracht ontvangen, zich door middel van een dolkstoot van hare stilzwijgendheid te verzekeren.

»Wat het kind betreft," ging een der tweelingen voort, »het is van het grootste belang voor ons, dat het in het leven blijft. Het meisje heeft onmogelijk gevat, wat Zermah begrepen heeft. Zij kan den prijs van ons losgeld worden, voor het geval wij in handen van kapitein Howick vallen. Om zijn dochtertje terug te hebben, zou master James Burbank ieder voorstel aannemen, dat ons in het hoofd zoude komen om hem op te leggen; niet alleen zijne borgstelling; voor onze straffeloosheid, maar ook de prijs waarop wij de invrijheidstelling van zijn kind zouden bepalen."

»Maar is het niet te vreezen," vroeg de Indiaan, »dat wanneer Zermah dood zal zijn, het kleintje bezwijken zal?"

»Neen," antwoordde een der Texars.

»Waarom niet?"

»Omdat het kind geene zorgen zullen ontbreken."

»Hoe zoo? Verklaar u nader."

»Wel, ik zal gemakkelijk eene Indiaansche vinden, die de mestiesche wel zal vervangen."

»Het zij zoo. Waar het vooral op aan komt, is, dat wij niets meer van Zermah te duchten hebben."

»Juist."

»Welnu, wat er ook gebeure, zij zal weldra den laatsten snik gegeven hebben."

Met die woorden werd het gesprek der tweelingen besloten.

Zermah hoorde hen binnen de wigwam wederkeeren.

Maar welken nacht bracht de rampzalige vrouw door!

Zij wist dat zij veroordeeld was; maar zij dacht aan zich zelve niet. Omtrent haar lot bekommerde zij zich al heel weinig; zij was met de gedachte vertrouwd, steeds gereed te zijn haar leven voor hare meesters veil te hebben.

Maar dacht zij niet aan zich zelve, dan dacht zij des te meer aan de kleine Dy. Wat zou van het teere schepseltje worden, wanneer zij verlaten achterbleef te midden van die meedoogenlooze kerels. En al nam zij ook al aan, dat die ellendelingen er belang bij hadden, dat het kind bleef leven, zou het tengere meisje niet bezwijken, wanneer Zermah er niet meer zou zijn, om haar hare zorgen te wijden?

Die gedachte, of wel die vraag werd eene ware marteling voor haar. Zij kon haar niet verdrijven. Zij keerde steeds hardnekkig weder. Onbewust werd zij ten gevolge van die hardnekkigheid door eene andere gedachte ingenomen, als het ware bezeten, namelijk deze: dat zij vluchten wilde, vóórdat Texar haar van het kind zoude gescheiden hebben.

De rampzalige mestiesche vrouw dacht gedurende dien eindeloozen nacht aan niets anders dan aan de uitvoering van dat plan.

Intusschen, van het afgeluisterde gesprek was haar bijgebleven, dat een der beide Texars den volgenden ochtend de omstreken van het meer met zijne metgezellen zou gaan verkennen. Klaarblijkelijk was men van meening, het federalistisch detachement weerstand te bieden, wanneer men het ontmoette. Maar de mogelijkheid moest daartoe bestaan. En om die mogelijkheid bestaanbaar te maken, zou Texar zich doen vergezellen zoowel door zijn geheele personeel als door de partijgangers zijns broeders. Deze laatste zou alleen op het eiland achterblijven ongetwijfeld, zoowel om niet herkend te worden en het geheim van den dubbelgang niet te verraden, als om de wigwam te bewaken.

Dan zou Zermah pogen te ontvluchten. Misschien zou zij er in slagen, een of ander wapen te vinden of te bemachtigen, en was dat het geval... dan zou zij bij voorkomende gelegenheid, wanneer de nood daartoe dwong, niet aarzelen er gebruik van te maken.

De nacht spoedde onder deze overdenkingen en bij het beramen van deze plannen ten einde.

Tevergeefs had Zermah beproefd eenige gevolgtrekking te bouwen op de verschillende geluiden, welke op het eiland vernomen werden. En onbestemd werkte de hoop daarbij mede, welke zij koesterde, dat de troep van kapitein Howick kon aankomen om zich van Texar meester te maken.

Weinige oogenblikken vóór het aanbreken van den dag, ontwaakte het kind, hetwelk een weinig rust genoten had. Zermah reikte haar wat drinkwater toe, hetgeen haar scheen te verkwikken. Daarna keek zij het kind met eene aandacht aan, alsof zij het niet meer zou weerzien en sloot het onstuimig aan hare borst. Wanneer iemand in dit oogenblik binnengetreden was, met het doel haar van het kind te scheiden, dan zou zij het met de verwoedheid van een wild dier, waaraan men zijne welpen ontnemen wil, verdedigd hebben.

»Wat is er toch, goede Zermah?" vroeg het kind.

»Niets... niets!" prevelde de arme vrouw.

»Jawel, er scheelt u iets. Kom zeg het mij, wat is het?"

»Neen, niets Dy, niets!"

»En mama..."

»Mama, vraagt ge?"

»Ja, Zermah, wanneer zullen wij die weerzien?"

»Weldra," antwoordde de mestiesche aarzelend.

»Weldra?" vroeg het kind met nadruk.

»Ja, weldra... misschien heden nog... Ja lieve... Ik hoop dat wij heden verre zullen zijn..."

»En die mannen, die ik hedennacht gezien heb?..."

»Hebt ge die mannen goed bekeken, Dy?" vroeg Zermah.

»Ja... maar o! wat was ik bang voor hen!"

»Maar gij hebt ze toch goed bekeken?"

»Ja zeker."

»Hebt gij opgemerkt, hoezeer ze op elkander geleken?"

»Ja, Zermah!"

»Welnu, onthoud dat goed. Vergeet niet aan uwen vader, aan uwen broeder te zeggen: dat het twee broeders zijn... hoort ge: twee broeders Texar, die zoodanig op elkander gelijken, dat men hen niet onderscheiden kan."

»Maar gij zult dat ook zeggen, niet waar?" vroeg het kind.

»Ja... ik zal dat ook zeggen... Maar, intusschen... mocht ik er niet zijn, dan moogt gij dat niet vergeten, hoort ge?..."

»En waarom zoudt gij er niet zijn?" vroeg het arme kind, terwijl zij hare armpjes om den hals der mestiesche vrouw sloeg. »Waarom zoudt gij er niet zijn?"

»Ik zal er ook zijn, ja, zeker zal ik er zijn, mijn lief kind," hernam Zermah met stokkende stem.

»Dan is het goed."

»Maar, daar wij, wanneer wij vertrekken, een langen weg af te leggen hebben... zult gij krachten moeten opdoen. Kom, ik zal uw ontbijt gereed maken. En dan moet gij u eens flink te goed doen."

»En gij?"

»O, ik heb ontbeten terwijl gij sliept, lieve. Waarlijk, ik heb geen eetlust meer."

De waarheid was, dat Zermah onmogelijk eten kon, al was het nog zoo weinig, in den toestand van opwinding, waarin zij zich bevond.

Na ontbeten te hebben, ging het kind weer op hare legerstede van bladeren liggen en sliep een poos in.

Zermah nam toen plaats bij eene opening of eene reet, welke in den hoek van het vertrek tusschen het riet van de gevlochten omwanding bestond. Van uit dien hoek sloeg zij gedurende een vol uur alles gade, wat daarbuiten voorviel. En dat zij dat met de grootste stiptheid volvoerde, is te begrijpen, daar dat voor haar van het grootste belang kon zijn.

Alras bemerkte zij, dat men daar voorbereidende maatregelen tot vertrek trof.

Een der broeders Texar--een enkele slechts--liet zich zien en gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep, die het cypressenbosch onder zijne leiding zoude onderzoeken. De andere, wien niemand gezien had, hield zich waarschijnlijk in de wigwam of op eene plek elders op het eiland verborgen.

Zoo dacht Zermah er ten minste over, nu zij met hun geheim bekend was en nu zij kon gissen, welke zorg zij aan den dag legden, om hun dubbelgang verborgen te houden. Zij begreep ten volle daarenboven, dat hem der beide broeders, die op het eiland achterbleef, de taak ten deel viel, om het kind en haar te bewaken.

Zermah vergiste zich niet, zooals de lezer weldra bemerken zal.

De partijgangers en slaven waren intusschen bijeen geroepen en stonden--een vijftigtal sterk--voor de wigwam, de bevelen van hun opperhoofd af te wachten.