De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar

Chapter 16

Chapter 163,758 wordsPublic domain

»En het zal de laatste keer ook wel niet zijn. Maar wellicht weet gij niet welk doel de Federalisten met de bezetting van Sint Augustijn beoogden? Dat was niet zoozeer om de hoofdplaats van het graafschap Sint John te bedwingen, dan wel om de blokkade langs de kusten van den Atlantischen Oceaan effectief te maken."

»Dat heb ik hooren zeggen."

»Welnu, het kwam Dupont zeer onvoldoende voor, de kust van de Sint John-monding af tot de Bahama-eilanden in het oog te houden. Hij wilde de oorlogs-contrabande tot in de binnenlanden van Florida vervolgen. Daartoe zond hij twee sloepen af met een detachement zeelieden aan boord, die aangevoerd werden door twee officieren van het eskader. Waart gij in kennis gesteld van die expeditie?"

»Neen."

»Maar op welken datum hebt gij dan toch de Zwarte Kreek verlaten?... Eenige dagen na uwe invrijheidstelling?..."

»Ja, op den 22sten van deze maand."

»Inderdaad, het gebeurde viel op den 22sten voor."

Wij moeten doen opmerken, dat Zermah ook niets kon afweten van de hinderlaag te Kissimmee, waarover kapitein Howick met Gilbert Burbank, tijdens hunne ontmoeting in het woud, gesproken had.

Zij vernam dus toen evenals de Spanjaard voor het eerst, hoe die overval geschied was en dat slechts een twaalftal dier zeelieden aan den dood ontkomen waren en de tijding van die ramp aan den Commodore hadden kunnen overbrengen.

»Mooi!... Mooi zoo!..." riep Texar uit. »Dat is eene gelukkige weerwraak, genomen op de inname van Jacksonville. O, dat het ons nog meermalen gelukken moge die vervloekte Noordelijken in de binnenlanden van ons Florida te lokken. Zij zullen er dan van lusten! Tot den laatsten man zullen zij afgemaakt worden!"

»Ja, tot den laatsten!" herhaalde de ander, »vooral wanneer zij zich te midden van de moerassen van de Everglades zullen wagen. En juist, nu ik er aan denk... wij zullen ze weldra zien verschijnen."

»Wat wilt ge zeggen?"

»Luister: Dupont heeft gezworen, dat hij den dood zijner officieren en manschappen zou wreken. Eene nieuwe expeditie is dan ook naar het zuidelijk gedeelte van het graafschap Sint John gezonden."

»Dus de Federalisten komen herwaarts?"

»Ja; maar talrijker en goed gewapend. Zij marcheeren zeer omzichtig en omgeven hunne troepen met de meest mogelijke voorzorgsmaatregelen, ten einde de hinderlagen op te sporen en tijdig te kunnen ontgaan."

»Hebt gij eene ontmoeting met hen gehad?"

»Neen; want al had ik ook een zeker aantal onzer partijgangers bij mij, zoo waren wij niet sterk genoeg om het gevecht aan te gaan. Daarom moesten wij terugtrekken. Maar door dat wijken, lokten wij hen langzamerhand. Wanneer wij al de militie-troepen vereenigd zullen hebben, die in den omtrek rondzwerven, dan zullen wij hen overvallen en dan zal geen hunner ons ontkomen."

»Van welke uitgangspunten zijn zij vertrokken?"

»Van Mosquito Inlet."

»En langs welken weg komen zij?"

»Door het cypressen-bosch."

»Waar kunnen zij zich thans bevinden?"

»Op een afstand ongeveer van veertig mijlen van het eiland Garneral."

»Zoo?" zei Texar. »Men moet hen ongehinderd zuidwaarts laten trekken. Maar er valt geen tijd te verliezen, om de militie-troepen bijeen te brengen. Wanneer wij er toe gedwongen mochten worden, dan zullen wij reeds morgen vertrekken, om eene schuilplaats in de nabijheid van de zeeëngte van Bahama op te sporen..."

»En mochten zij ons daar te nabij op de hielen zitten, alvorens wij onze mannen bijeengebracht hebben, dan vinden wij een veilig toevluchtsoord op die Engelsche eilanden."

De verschillende onderwerpen, welke bij dat gesprek behandeld werden, waren uiterst belangrijk voor Zermah. Zou Texar, wanneer hij er toe overging om het eiland te verlaten, zijne gevangenen medevoeren, of zou hij haar onder bewaking van Squambo in de wigwam achterlaten? In het laatste geval ware het verkieselijk, de poging tot ontvluchting tot na het vertrek van den Spanjaard uit te stellen. De kansen van slagen zouden dan voorzeker gunstiger staan. En alles wel beschouwd, ware het niet mogelijk dat het federalistisch detachement, hetwelk beneden-Florida doorkruiste bij het meer Okee-cho-bee, in het gezicht van het eiland Garneral aanlandde?

Maar die hoop, welke Zermah voor een oogenblik bezielde, werd al dadelijk de bodem ingeslagen.

En inderdaad, op de vraag welke hem gesteld werd: wat hij met de mestiesche vrouw en het kind dacht uit te voeren, antwoordde Texar zonder aarzelen:

»Als het moet, zal ik ze meevoeren tot op de Bahama-eilanden."

»Zal het kleine kind de vermoeienissen van dien nieuwen tocht kunnen verdragen?"

»Ja, daar sta ik voor in. Daarenboven zal Zermah haar die vermoeienissen onderweg wel weten te besparen!..."

»Maar wanneer dat kind kwam te overlijden..."

»Beter dat, dan dat zij aan hare ouders weergegeven werd!"

»Gij haat die familie Burbank dan wel zeer!..."

»Ik haat haar, zooals gij doet! Niets meer, niets minder."

Zermah was haren toorn niet meer meester. Zij was op het punt om de deur open te stooten, ten einde die twee mannen van aangezicht tot aangezicht te zien, die elkander, niet alleen door de stem, maar ook door de slechtheid van inborst en door het totale gemis van geweten en hart, zoo gelijk waren. Gelukkig wist zij zich te bedwingen. Het was beter dat zij ten einde toe dat gesprek afluisterde, hetwelk tusschen Texar en zijnen medeplichtige gewisseld werd. Ja, zeker, dat was beter. Misschien zouden die twee aterlingen, wanneer hun gesprek afgeloopen zoude zijn, zich ter ruste leggen en inslapen... Dan was de tijd daar om, vóórdat het voorgenomen vertrek aanvaard was, de ontvluchting te ondernemen.

De Spanjaard verkeerde blijkbaar in den toestand van iemand, die alles te vernemen heeft van hem met wien hij sprak. Hij was dan ook onuitputtelijk in zijne ondervragingen.

»Welke nieuwstijdingen zijn er van het noorden?" vroeg hij.

»Geen belangrijke. Toch schijnt het ongelukkiglijk, dat de Federalisten de overhand hebben en houden. Het is dan ook te vreezen, dat de slavernij als eene verloren zaak kan beschouwd worden."

»Nu ja, wat kan dat schelen?" hernam Texar met een gebaar van onverschilligheid.

»Zeker, het kan ons niet schelen," hernam de ander. »Of de Noordelijken of de Zuidelijken de overhand hebben..."

»Wat ons wel schelen kan en waarop wij nauwkeurig letten moeten, dat is dat wij ons, terwijl de beide partijen elkander bestrijden en verscheuren, steeds aan dien kant bevinden, waarbij het meest te verdienen valt!"

Door zoo te spreken, openbaarde Texar de snoodheid van zijne inborst geheel en al. In het troebele water van den burgeroorlog visschen, daaruit munt te slaan, voordeelen te behalen, ziet, dat was het eenige, wat die aterlingen beoogden.

»Maar," zoo vervolgde hij, »wat is er gedurende de laatste week bepaaldelijk in Florida voorgevallen?"

»Niets wat gij niet reeds weet. Stevens beheerscht met zijne kanonneerbooten de Sint John tot Piccolata toe."

»En schijnt hij den stroom niet verder te willen opstevenen?"

»Naar mijne gissing, neen; want de oorlogsvaartuigen volvoeren geene verkenning in zuidelijke richting van het graafschap. Daarenboven, ik voor mij geloof dat die inbezitname van de rivier haar einde nadert en in dat geval zou het geheele stroomgebied weer in handen van de geconfedereerden vallen."

»Hoe bedoelt gij?"

»Het gerucht verbreidt zich, dat Dupont voornemens is Florida te verlaten en dat hij slechts twee of drie vaartuigen zal achterlaten, om de kusten te blokkeeren."

»Zou dat mogelijk zijn?"

»Ik herhaal, dat er sprake van is. En in dat geval zal Sint Augustijn door de Noordelijken spoedig ontruimd worden."

»En Jacksonville?..."

»Jacksonville ook."

»Drommels! Ik zou daar dan kunnen terugkeeren om onze regeering te herstellen, om de plaats weer in te nemen, waarvan de Federalisten mij verjaagd hebben! O, vervloekte Noordelijken, dat het mij vergund zij de macht weer in handen te krijgen, dan zult gij eens zien, welk gebruik ik er van zal maken!"

»Mooi gezegd!"

»En als James Burbank Camdless-Bay met zijn huisgezin niet verlaten heeft, wanneer hij zich niet door de vlucht aan mijne wraakneming zal onttrokken hebben, dan zal geen hunner mij ontsnappen!"

»Ik hecht aan dat alles mijne goedkeuring; want alles wat gij door toedoen van die familie geleden hebt, heb ik ook ondergaan! Wat gij wilt, wil ik ook! Wien gij haat, haat ik ook! Wij beiden vormen slechts één!..."

»Ja!... slechts één!" antwoordde Texar.

Het gesprek werd gedurende een poos afgebroken. Het aanstooten met glazen bracht Zermah op de hoogte, dat de beide aterlingen te zamen dronken.

De brave mestiesche vrouw was diep ter neergeslagen. Uit hetgeen zij daar vernomen had, scheen het, dat die beide mannen een gelijk aandeel gehad hadden in al die misdaden, welke in den laatsten tijd in Florida, maar voornamelijk ten opzichte van de familie Burbank gepleegd waren. Dat werd haar nog duidelijker, toen zij nog gedurende een half uur luisterde. Zij vernam toen eenige bijzonderheden omtrent het vreemdsoortige bestaan van den Spanjaard. En steeds deed zich diezelfde stem hooren, welke de vragen stelde en de antwoorden gaf, even alsof Texar slechts alleen in het vertrek was en zich met praten onledig hield. Er bestond daar een geheim, hetwelk de mestiesche vrouw groot belang had om te ontdekken. Maar wanneer die ellendelingen slechts gissen konden, dat Zermah een gedeelte van hun geheim ontdekt had, dan voorwaar zouden zij niet aarzelen haar leven aan hunne veiligheid ten offer te brengen. En wat zou dan van het kind, van het meisje terecht komen, wanneer Zermah vermoord zoude zijn?

Het kon toen ongeveer elf uur in den avond zijn. Het weer was er niet op verbeterd. Het was eerder afschuwelijk geworden. De wind huilde en de regen kletterde onophoudelijk. Texar en zijn metgezel zouden zich onder die omstandigheden voorzeker niet buiten wagen en zouden den nacht in de wigwam doorbrengen. Bijgevolg zouden zij hunne plannen eerst den volgenden ochtend ten uitvoer brengen.

Zermah twijfelde daaromtrent niet meer toen zij Texar's medeplichtige hoorde vragen:

»Welnu, welk besluit nemen wij?"

»Ziehier," antwoordde de Spanjaard. »Morgen zullen wij gedurende de ochtenduren met onze lieden eene verkenning ondernemen in de omstreken van het meer. Wij zullen het cypressenbosch over eene uitgestrektheid van vier of vijf mijlen doorzoeken, na eerst diegenen onzer makkers vooruitgezonden te hebben, die het woud het best kennen. En onder dezen behoort voornamelijk Squambo. Wanneer niets de nadering van het federalistisch detachement aanduidt, dan komen wij hier terug en dan zullen wij verblijven totdat het oogenblik gekomen zal zijn om terug te trekken. Doet zich evenwel de toestand als dreigend in de naaste toekomst voor, dan zal ik mijne partijgenooten en mijne slaven bijeentrekken, en dan zal ik Zermah naar de Bahama-zeeëngte vervoeren. Neemt gij tot taak op u, om de in beneden-Florida verspreide militie-troepen bijeen te brengen?"

»Dat is afgesproken," antwoordde de ander. »Morgen, terwijl gij die verkenning zult uitvoeren, zal ik mij in het meest boschrijke gedeelte van het eiland verschuilen. Want niemand mag ons ooit te zamen zien."

»Voorzeker niet," riep Texar uit. »De duivel verhoede, dat wij ooit zoo'n onvoorzichtigheid zouden begaan, die ons geheim aan het licht zoude brengen. Dus wij zullen u eerst den volgenden nacht hier in de wigwam weerzien. En wanneer ik zelf genoodzaakt werd in den loop van den dag te vertrekken, dan moogt gij het eiland eerst na mij verlaten. Onze nieuwe plaats van samenkomst zal alsdan bij de Zandkaap zijn."

Zermah gevoelde alsnu, dat er van hare bevrijding door de federalistische troepen geen spraak meer kon zijn.

En inderdaad, het stond nu vast, dat de Spanjaard, wanneer hij kennis zoude krijgen van de nadering van het detachement, het eiland zou verlaten en haar en het kind met zich zou voeren...

De mestiesche vrouw kon dus, wat hare redding betreft, slechts alleen op haar zelve rekenen, hoe gevaarlijk, hoe onmogelijk eene ontsnapping in de gegeven omstandigheden ook mocht geoordeeld worden.

En toch, met welken moed zou zij die onderneming niet op zich genomen hebben, wanneer zij slechts geweten had, dat master James Burbank, dat zijn zoon Gilbert en Mars zich met eenige gewezen slaven van de plantage op weg begeven hadden, na haar briefje ontvangen te hebben, hetwelk hen de streek aangaf werwaarts hunne nasporingen uit te strekken, dat het troepje van James Burbank reeds de Sint John opgestevend was, dat het reeds een groot gedeelte van het cypressenbosch doorgetrokken was, dat het kleine troepje van Camdless-Bay zijne vereeniging met het detachement van kapitein Howick bewerkstelligd had, dat het Texar, Texar in persoon was, die beschouwd werd als de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee, dat die ellendeling nadrukkelijk en zonder verpoozing zou achtervolgd en dat hij zonder vorm van proces zoude opgehangen worden, wanneer hij gevangen genomen werd!...

Maar Zermah wist niets en kon niets weten. Zij kon en mocht geen hulp vanwaar ook verwachten. Zij was dan ook stellig en onwrikbaar besloten, alles te wagen, alles op het spel te zetten, om het eiland Garneral te ontvluchten.

Evenwel was zij genoodzaakt, hoewel de nacht zeer donker en derhalve voor eene ontsnapping gunstig was, de uitvoering van haar plan vier-en-twintig uren uit te stellen. De partijgangers toch, die geene schuilplaats onder het geboomte van het woud gezocht hadden, bezetten het omliggend terrein van de wigwam. Men hoorde heen en weer drentelen op den oever van het eiland, terwijl zij zich verder met praten en rooken onledig hielden. Er was niet aan te denken onder die omstandigheden de hut te kunnen verlaten, want werd zij ontdekt, werd haar plan doorzien, dan zou de arme vrouw in veel erger doen verkeeren; want dan zou zij zeer zeker aan de gewelddadigheden van Texar blootstaan.

Daarenboven, zoude de volgende dag niet beter gelegenheid tot ontvluchting aanbieden? Had de Spanjaard niet gezegd, dat zijne makkers, dat zijne slaven, dat de Indiaan Squambo zelf hem zouden vergezellen, om het federalistisch detachement te gaan verkennen? Zou zich dan geene geschikte gelegenheid voordoen, waarvan Zermah behendig partij zou kunnen trekken, om hare kansen van slagen te vermeerderen? Wanneer het haar gelukte het kanaal te overschrijden zonder gezien te worden, wanneer zij eenmaal het woud bereikt zoude hebben, dan twijfelde zij er niet aan, dat zij met Gods hulp gered zoude worden. Door zich zorgvuldig te verbergen, zou zij wel weten te vermijden andermaal in handen van Texar te vallen. De kapitein Howick kon toch niet meer ver af zijn. Hij rukte toch naar het meer Okee-cho-bee op, en er bestond dus wel kans, dat zij door hem bevrijd zoude worden.

Het was dus geraden tot den volgenden dag te wachten. Maar een toeval kwam het geheele geraamte vernietigen, waarop Zermah de hoop harer redding gebouwd had. Dat toeval zou daarenboven, hare verhouding tegenover Texar geheel wijzigen.

Er werd in dit oogenblik aan de deur van de wigwam geklopt. Het was niemand anders dan Squambo, die het herkenningsteeken met zijn meester wisselde.

»Kom binnen," zei de Spanjaard.

Squambo trad het vertrek binnen.

»Hebt gij bevelen voor dezen nacht te geven?" vroeg hij.

»De waakzaamheid moet stipt betracht worden," antwoordde Texar, »en bij het bespeuren van iets verdachts, moet ik dadelijk gewaarschuwd worden."

»Dat neem ik op mij," hernam de Indiaan.

»Morgenochtend zullen wij het cypressenbosch over eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen verkennen."

»En hoe zal het dan met de mestiesche vrouw en met Dy gaan?"'

»Die zullen als gewoonlijk bewaakt worden. Zorg nu Squambo, dat niemand de rust in den omtrek van de wigwam stoort."

»Daar zal ik voor zorgen."

»Wat voeren onze lieden uit?"

»Zij drentelen heen en weer, en schijnen weinig geneigd om rust te genieten."

»Dat geen hunner zich verwijdere."

»Geen enkele, wees gerust."

»Hoe staat het met het weer?..."

»Iets beter. Het houdt op met regenen, en de windvlagen beginnen ook al te bedaren."

»Goed."

Zermah had dit geheele gesprek afgeluisterd en het scheen blijkbaar een einde te zullen nemen, toen eensklaps een onderdrukte zucht, een soort van gesmoord gerochel vernomen werd.

De mestiesche vrouw ontstelde zeer; het was als voelde zij al het bloed in haar lichaam naar het hart stroomen.

Zij sprong op en ijlde naar het nachtleger van gras, en boog zich over het meisje...

De kleine Dy was zooeven ontwaakt; maar helaas, in welken staat! Schor en fluitend ontsnapte de ademhaling aan haar lippen. Zij maakte bewegingen met hare kleine handen, alsof zij de lucht naar haren mond wilde toevoeren. Zermah kon slechts de woorden opvangen:

»Te drinken!... te drinken!"

Het rampzalige kind was het stikken nabij. Zij moest dadelijk buiten gedragen worden. Zermah, door angst schier waanzinnig, nam het meisje in die diepe duisternis op, om haar met haren eigen ademtocht te helpen. Zij voelde haar in een soort van zenuwtoeval stuiptrekken. Zij stiet een kreet uit... duwde de deur van hare kamer open, en...

Twee mannen stonden daar tegenover Squambo... maar die mannen waren elkander door gelaat en gestalte zoodanig gelijk, dat Zermah onmogelijk zou hebben kunnen aanwijzen, wie hunner Texar was.

XIII.

EEN DUBBELGANGER.

Weinige woorden zullen voldoende zijn, om tot helderheid te brengen, wat tot nu toe onverklaarbaar in deze geschiedenis is voorgekomen.

Die twee mannen, voor wie Zermah plotseling verschenen was, waren broeders, waren tweelingen.

Waar waren zij geboren? Dat wisten zij zelven niet nauwkeurig aan te duiden; waarschijnlijk in een klein dorp van Texas, en daaraan was ongetwijfeld die naam van Texar, door verandering van de eindletter van dien naam, ontleend.

Men weet dat Texas een uitgestrekt grondgebied is, hetwelk ten zuiden van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en langs de golf van Mexico gelegen is.

Nadat de Texanen tegen de Mexicanen opgestaan waren, bij welken onafhankelijkheidsoorlog zij door de Noord-Amerikanen geholpen werden, werden zij in 1845 bij de Groote Republiek, die toen door den president John Tyler bestuurd werd, ingelijfd.

Vijftien jaren vóór die inlijving, werden twee kinderen in een dorp van het Texaansche kustland verlaten gevonden. Zij werden opgenomen en door de openbare liefdadigheid opgevoed.

De aandacht was eerst op die twee kinderen gevestigd geworden door de bewonderenswaardige gelijkenis, welke tusschen hen bestond. Zij hadden dezelfde gebaren, dezelfde stem, dezelfde gestalte, dezelfde lichaamshouding, dezelfde gelaatstrekken, en er kan bijgevoegd worden: zij hadden ook dezelfde geaardheid, die evenwel van eene vroegtijdige maar diepe verdorvenheid getuigde.

Hoe werden zij opgevoed? Welk onderwijs viel hun ten deel?

Dat wist niemand. Evenmin kon iemand aangeven tot welke verwantschap zij behoorden. Misschien stamden zij af van eene dier nomadische familieën, welke het land na de onafhankelijkheidsverklaring afliepen.

Zoodra de gebroeders Texar, die door een onweerstaanbaren aandrift tot vrijheid, of beter tot ongebondenheid bezield werden, vermeenden zelf in hun onderhoud te kunnen voorzien, verdwenen zij uit de buurt waar zij opgevoed waren. Zij telden toen te zamen vier-en-twintig jaren.

Van dat tijdstip af bestonden hunne middelen van bestaan uit de opbrengsten van de diefstallen, welke zij op de akkers en in de pachthoeven pleegden. Hier waren het vruchten, welke zij kaapten, elders ontvreemdden zij brood. Zoo bereidde hunne kindsheid en hunne jongelingschap hen voor, om later gewapenderhand tot plundering en tot rooftochten langs de groote wegen te kunnen overgaan en bewezen zij van die voorbereiding op uitmuntende wijze partij getrokken te hebben.

Om kort te gaan, men zag hen niet meer terug in de Texaansche dorpen en gehuchten, waarin zij gewoon waren zich te vertoonen in gezelschap van boosdoeners, die toen reeds de gelijkenis der tweelingbroeders tot misdadige doeleinden aanwendden.

Vele jaren gingen voorbij.

De gebroeders waren spoedig vergeten; zelfs de naam van Texar wischte zich in de herinnering der inwoners uit. En hoewel die naam later eene betreurenswaardige vermaardheid in Florida zoude verkrijgen, bestond er niets, waaruit op te maken viel, dat zij hunne prille jeugd op de kustplaatsen van Texas hadden doorgebracht.

Hoe zou dat ook anders hebben kunnen zijn, daar niemand sedert hunne verdwijning, ten gevolge van eene verstandhouding tusschen die beiden beraamd, ooit van twee Texars had hooren spreken. Het was zelfs door deze verstandhouding, dat zij de mogelijkheid gevonden hadden, om een menigte misdrijven te plegen, die zoo moeielijk ja onmogelijk te bewijzen schenen en daardoor straffeloos bleven.

En inderdaad vernam men--toen later dat tweelingschap behoorlijk bewezen en vastgesteld was--dat die beide broeders gedurende een geruimen tijd, van hun dertig- tot hun veertigjarigen leeftijd van elkander gescheiden leefden. Zij trachtten een vermogen te verwerven, onverschillig op welke wijze. Zij ontmoetten elkander slechts uiterst zeldzaam en dan nog slechts wanneer zij er zeker van waren, dat geen oog hen kon bespieden. Die ontmoetingen hadden niet alleen in Amerika plaats, maar ook in ieder ander werelddeel, waarheen hen hun misdadig gesternte voerde.

Men vernam ook, dat de een of de andere--welke der twee kon niet bepaald worden, misschien waren zij beiden schuldig--het bedrijf van slavenhaler uitoefende. Zij voerden geheele ladingen slaven van de Afrikaansche kusten naar de Zuidelijke Staten van de Unie over, of beter gezegd, zij deden die overvoeren. Want bij dergelijke operatiën vervulden zij slechts de rol van middelaars tusschen de slavenhouders van het land en de kapiteins der vaartuigen, welke tot dien afschuwelijken, onmenschelijken handel gebezigd werden.

Maakten zij zaken met dat afgrijselijke bedrijf? Niemand wist dat. Toch valt het te betwijfelen. Zooveel is zeker, dat die handel merkelijk verminderde en eindelijk geheel ophield, toen de slavenhandel, gebrandmerkt als eene daad van gruwelijke barbaarschheid, langzamerhand in de beschaafde landen afgeschaft werd. Toen waren de beide broeders wel verplicht, die soort van zaken op te geven.

Intusschen was dat vermogen, hetwelk zij zoozeer wenschten te bezitten en dat zij het koste wat het wilde, poogden te bemachtigen, nog niet verworven en moest dat nog verdiend worden.

Toen was het dat die twee gelukzoekers besloten, om hunne buitengewone gelijkenis te benutten.

In de meeste gevallen gebeurt het, dat die gelijkenis van tweelingen zich later merkbaar wijzigt, wanneer de kinderen den volwassen leeftijd bereikt hebben.

Met de beide Texars was dat geenszins het geval. Men kon niet zeggen dat hunne gelijkenis, naarmate zij in leeftijd vorderden, toenam of duidelijker werd, want dat was onmogelijk; maar zij bleef wat zij was, namelijk volmaakt, zoowel wat betreft het karakter als het uitwendige. Het was onmogelijk, ja totaal onmogelijk den een' van den anderen te onderscheiden, niet alleen afgaande op de gelaatstrekken of den lichaamsbouw, maar ook op hunne gebaren of op de buiging hunner stem.

De beide broeders besloten die natuurlijke bijzonderheid, welke hen beschoren was, te benutten, om de meest verfoeielijke daden te plegen. Zij hadden de mogelijkheid spoedig genoeg ingezien, dat wanneer een hunner beschuldigd werd, een alibi kon gesteld worden, om zijne onschuld aan het hem ten laste gelegde te bewijzen. Zij gingen daarbij dan ook zoo te werk, dat terwijl de een de vooraf besprokene misdaad volvoerde, de ander zich op de een of andere plaats in het publiek vertoonde en wel zoo, dat door middel van dat alibi de niet schuldigheid ipse facto bewezen was.

Hier behoeft voorzeker niet bijgevoegd te worden, dat zij hunne geheele sluwheid aanwendden, om zich nimmer op heeterdaad te laten betrappen of te vatten. Natuurlijk zou zich de gevangene dan niet op een alibi kunnen beroepen, en dan zou het geheele goochelspel weldra ontdekt zijn.