De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar
Chapter 15
Verderop strekte zich het cypressenbosch, met zijne half onder water staande terreinen uit, die slechts nauwe doorgangen vertoonen, die zeer moeielijk te verkennen en te vinden zijn. En hoeveel hinderpalen biedt die landstreek bovendien niet aan! Vooreerst de kleiachtige grond, die den voet vasthoudt alsof hij in een kleefmiddel neergezet was, dan de buitengewoon groote boomstronken, die daar kris kras in de modder neerliggen en een muffe lucht van vergaan hout verspreiden, welke de adembare lucht ontneemt en stikken doet! Daar groeien ook ontzettende gewassen, waaronder eene soort van bladerbloem, waarvan de aanraking venijniger is dan die van den netel of van den distel, waar vooral duizenden van die kiemoliezwammen, eene soort van reusachtige paddestoelen, die ontploffen kunnen alsof zij met schietkatoen of met dynamiet geladen zijn. En inderdaad, bij den geringsten schok van een dier zwammen volgt eene hevige losbarsting. In een ondeelbaar oogenblik is de omringende dampkring vervuld met uiterst kleine roodachtige zaden. Die fijne stof dringt in den neus en in de keel, veroorzaakt daar eene hevige ontsteking, gevolgd door branderige en etterende puisten. Het is dus zeer onvoorzichtig, die nadeel-verwekkende gewassen aan te raken; integendeel, men moet ze uit den weg gaan, zooals men gevaarlijke dieren zoowel uit de bestaande fauna als uit de fabelwereld zoude ontwijken.
Texar's woning was niets meer of minder dan eene oude Indiaansche wigwam, vervaardigd van stroovlechtwerk onder de beschutting der loofkruinen van hooge boomen, en was gelegen in het oostelijke gedeelte van het eiland. Zij was geheel in het groen verscholen, en zelfs van den meest nabijzijnden oever kon men haar niet ontwaren. De beide speurhonden bewaakten haar met denzelfden ijver als zij bij de bewaking van het blokhuis in de Zwarte Kreek ontwikkelden. Zij waren vroeger op de menschen-jacht gedresseerd en zouden ieder vreemd menschelijk wezen verscheurd hebben, die de wigwam naderde.
Daar was het, dat Zermah en de kleine Dy sedert twee dagen gebracht waren. De reis, die vrij gemakkelijk gevallen was, zoolang men de Sint John tot het Washington-meer had kunnen opstevenen, was daarna, toen de weg door het cypressenwoud voerde, zeer moeielijk geworden, zelfs voor krachtvolle mannen, die aan dat ongezonde luchtgestel en aan die lange marschen door bosschen en moerassen gewoon waren! Men oordeele dus wat die vrouw en dat meisje hadden moeten lijden. Zermah was evenwel weer gezond, krachtig, moedig en vol toewijding. Gedurende den geheelen tocht over land droeg zij Dy, wier voetjes al heel gauw bij zoo'n reis verwond zouden zijn geraakt. Zermah zou zich op de knieën voortgesleept hebben, als dat moest, om het lieve kind de geringste vermoeienis te besparen. De krachten der brave vrouw begaven haar schier dan ook, toen zij op het eiland Garneral aankwam.
En nu, was het wonder, dat zij, na alles wat gebeurd was, sedert het oogenblik dat Texar en Squambo haar van de Zwarte Kreek ontvoerd hadden, bijna vertwijfelde?
Helaas, zij wist toch niet, dat het briefje, hetwelk zij aan den jongen slaaf toevertrouwd had, master James Burbank in handen gekomen was. Daarentegen wist zij wel, dat de daad van toewijding, welke die arme drommel om haar te redden had willen begaan, hem het leven gekost had. Hij was toch overvallen geworden op het oogenblik, dat hij het eilandje had willen verlaten om zich naar Camdless-Bay te begeven, en toen doodelijk gewond. En toen meende de mestiesche vrouw overtuigd te kunnen zijn, dat master James Burbank nimmer zou vernemen, wat zij van den ongelukkigen neger was te weten gekomen, namelijk dat de Spanjaard en zijn personeel zich gereed maakten, om naar het eiland Garneral te vertrekken. En hoe zou men haar thans in die gegeven omstandigheden op het spoor komen?
Die arme Zermah kon dus zelfs geen zweem van hoop overhouden. Bovendien zou ieder uitzicht op redding weldra in die landstreek verdwijnen, waarvan zij de ijzingwekkende woestheid van hooren zeggen kende.
Zij wist en begreep het maar al te goed; daar behoorde eene ontvluchting tot de onmogelijkheden.
Het kleine meisje verkeerde bij aankomst in een toestand van volslagen uitputting. In weerwil van Zermah's voortdurende zorgen, had zij toch noodzakelijk vermoeienissen moeten doorstaan; dan ook had de invloed van dat verfoeielijke klimaat niet gemist en had hare gezondheid diep geschokt. Zij zag er bleek en vermagerd uit, alsof zij door de uitwasemingen der moerassen vergiftigd ware geweest. Zij had de kracht niet meer, om overeind te blijven en ternauwernood om eenige woorden uit te brengen, die dan nog maar gesproken werden om naar hare moeder te roepen. Helaas, Zermah kon haar niet meer antwoorden, zooals zij gedurende de eerste dagen na hare aankomst in de Zwarte Kreek deed, dat zij weldra mevrouw Burbank zoude weerzien, dat haar vader, hare moeder, dat miss Alice, dat Mars niet dralen zouden, om haar te komen opzoeken. Met haar zoo vroeg ontwikkeld verstand, nog gerijpt door het ongeluk, door de schrikkelijke tooneelen, welke zij bij de verwoesting der plantage had bijgewoond, begreep Dy dat zij aan het ouderlijke huis ontvoerd was geworden, dat zij zich in handen van een slecht mensch bevond, en dat zij, wanneer men haar niet te hulp kwam, Camdless-Bay niet meer weer zoude zien.
Thans wist Zermah niet meer wat op de vragen van Dy te antwoorden. Helaas, zij zag dat het arme kind, in weerwil van hare toewijding, in weerwil van hare zorgen, wegkwijnde.
De wigwam was, zooals gezegd is, niets anders dan eene ruwe, onbebouwde hut, die voor het winterseizoen zeer onvoldoende had moeten gerekend worden. Dan zouden regen en wind zich ruimen toegang tot hare binnenruimte verschaft hebben. Maar in het zomerseizoen, welks invloed zich reeds onder deze breedte deed gevoelen, kon zij hare bewoners toch beschutten tegen de brandende zonnestralen.
Die wigwam was in twee vertrekken van ongelijke grootte verdeeld. Het eene daarvan, vrij klein, was ternauwernood verlicht en had geene onmiddellijke gemeenschap met het buitenhuis, daar de deur toegang tot de andere kamer verleende. Deze laatste was vrij ruim, had een vriendelijk voorkomen, terwijl hare deur in den voorgevel ingesneden was en uitzicht op den kanaaloever verleende.
Aan Zermah en Dy was de kleine kamer aangewezen, waarin slechts weinige meubels tot hare beschikking gesteld waren, terwijl hun bed slechts uit een paar bossen gras bestond.
De andere kamer was door Texar betrokken en door den Indiaan Squambo, die zijn meester nimmer verliet. Daarin bevonden zich op het gebied van meubilair, slechts eene tafel, waarop eenige kruiken brandewijn, eenige glazen en borden, dan nog eene soort provisiekast en een boomstam, die ternauwernood vierkant bekapt was en tot bank diende. Ook hier bestond het geheele beddegoed uit slechts een paar bossen gras. Het vuur, dat noodig werd geoordeeld, om de spijzen gereed te maken, werd gestookt in een steenen vuurhaard, die in een hoek der wigwam opgetrokken was. Die haard was voldoende voor de behoeften eener voeding, die slechts bestond uit gedroogd vleesch, uit wild, dat een jager op het eiland gemakkelijk kon bemachtigen, uit groente en uit schier wilde vruchten, in één woord: juist voldoende om niet van honger te sterven.
Wat de slaven betreft, die Texar van de Zwarte Kreek medegenomen had, zij waren een twaalftal sterk en sliepen, evenals de twee honden, buiten de wigwam, en evenals deze moesten zij die woning bewaken. Hunne eenige beschutting waren de kruinen der groote boomen, welker benedentakken zich dicht boven hun hoofd kruisten en in elkander slingerden.
Intusschen hadden Dy en Zermah van den dag van aankomst af volle vrijheid om heen en weer te wandelen. Zij werden niet in hare kamer opgesloten; het eiland Garneral diende haar tot gevangenis. Men vergenoegde zich, haar niet uit het oog te verliezen, hetgeen vrij overbodig was, eenvoudig, omdat het onmogelijk was het kanaal over te steken zonder de pont, en deze steeds door een der negers bewaakt werd. Terwijl Zermah zoo met de kleine rondwandelde, kon zij zich rekenschap geven, welke moeielijkheden eene ontsnapping zoude opleveren.
Dien eersten dag van aankomst ontmoette Zermah Texar niet, maar werd daarom door Squambo niet uit het oog verloren. Toen de nacht evenwel aangebroken was, hoorde zij de stem van den Spanjaard, die eenige woorden met Squambo wisselde, om hem eene stipte waakzaamheid aan te bevelen. En weldra waren allen, met uitzondering van Zermah, in de wigwam in slaap gedompeld.
Tot nu toe was Zermah er niet in geslaagd, een enkel woord uit Texar te halen. Tevergeefs had zij getracht, terwijl men de Sint John naar het Washington-meer opstevende, hem uit te hooren omtrent hetgeen hij met het kind wilde uitvoeren. Herhaaldelijk had zij daarbij smeekingen en bedreigingen gebezigd.
De Spanjaard vergenoegde zich, terwijl zij sprak, zijnen kouden en dreigenden blik op haar te vestigen. Daarna de schouders met minachting ophalende, maakte hij een gebaar alsof dat gebazel hem verveelde en hij het geen antwoord waard achtte.
Intusschen liet Zermah niet los. Zij gaf het zoo gauw niet op en rekende zich niet voor overwonnen. Bij aankomst op het eiland Garneral nam zij het besluit Texar aan te spreken, ten einde zijn medelijden op te wekken, was het niet voor haar, dan toch voor het ongelukkige kind. En mocht medelijden niets uitwerken, dan zou zij zich tot zijn eigenbelang wenden.
De gelegenheid liet zich niet te lang wachten.
Den volgenden ochtend richtte Zermah, terwijl het meisje sliep, hare schreden naar het kanaal.
Texar wandelde in dat oogenblik op den oever. Hij was vergezeld van Squambo en gaf eenige bevelen aan zijne slaven, die bezig waren met de reiniging van het vaarwater, een arbeid die hoogst noodzakelijk was, daar de ophooping van waterplanten den gemeenschapsdienst der pont zeer bezwaarlijk maakte.
Twee negers sloegen gedurende dat werk de oppervlakte van het water met lange staken, om de kruipende dieren te verschrikken, welker koppen boven het water zichtbaar waren.
Squambo verliet een oogenblik later zijn meester en deze wilde zich toen ook verwijderen, maar Zermah trad regelrecht op hem toe.
Texar liet haar naderen en stond stil toen de mestiesche vrouw in zijne nabijheid gekomen was.
»Texar," sprak Zermah op bedaarden toon, »ik moet u spreken. Het is ongetwijfeld voor de laatste maal, maar ik smeek u mij aan te hooren."
Geen antwoord.
De Spanjaard stak eene sigarette op en blies stilzwijgend den rook voor zich uit.
Toen Zermah eenige oogenblikken gewacht had, vervolgde zij:
»Texar, wilt gij mij zeggen, wat gij met Dy Burbank wilt uitvoeren?"
Geen antwoord.
»Ik zal uw medelijden niet trachten op te wekken," vervolgde de mestiesche vrouw, »ten opzichte van mijn eigen lot. Maar ik wijs u op dat kind, welks leven in gevaar is, en dat u weldra zal ontsnappen."
Texar beantwoordde die betuiging met een gebaar, hetwelk zijn volkomen ongeloof moest uitdrukken.
»Ja, weldra," hernam Zermah, »is het niet door de vlucht, dan zal het door den dood zijn."
De Spanjaard deed langzaam nog eenige trekken aan zijne sigarette, wierp daarna bedaard het overgebleven eindje weg en vergenoegde zich met te antwoorden:
»Bah! het meisje zal na eenige dagen rust herstellen. En ik reken op uwe goede zorgen, Zermah, om dat kostbare bestaan als onderpand te behouden."
»Neen, ik herhaal het, Texar. Dat kind zal binnenkort overleden zijn, overleden zonder eenig voordeel voor u."
»Zonder eenig voordeel," hernam Texar grinnikend, »wanneer ik haar verwijderd houd van hare stervende moeder, verwijderd van haren vader, van haren broeder, die wanhopig zijn."
»Dat is zoo!" zei Zermah. »Mij dunkt dan ook, dat gij u genoeg gewroken hebt, Texar. Geloof mij, gij zult er meer voordeel van plukken, wanneer gij dat arme kind aan hare ouders teruggeeft, dan wanneer gij haar hier houdt."
»Wat meent gij?"
»Ik meen, dat gij James Burbank genoeg hebt doen lijden. Ik meen dat gij nu uw eigenbelang moet laten spreken."
»Mijn eigenbelang?..."
»Ja, zeker, uw eigenbelang, Texar," antwoordde Zermah, die opgewonden geraakte. »De plantage Camdless-Bay is verwoest geworden, mevrouw Burbank is stervende, misschien is zij wel dood op het oogenblik dat ik tot u spreek, zijne dochter is verdwenen en haar vader zoekt tevergeefs haar op het spoor te komen. Al die misdaden zijn door u bedreven, Texar; dat weet ik. Ik heb het recht om u dat in het aangezicht te werpen. Maar pas op. Die misdaden zullen eens ontdekt worden. Welnu, denk aan de straf, die u dan treffen zal. Ja, uw belang gebiedt u, medelijden te hebben. Ik spreek voor mij niet. Om het even, wanneer mijn echtgenoot mij bij zijne terugkomst niet weder vindt. Neen, ik smeek u slechts voor dat arme kind, dat sterven gaat. Houd mij hier als gij dat verkiest, maar zend dat kind naar Camdless-Bay, geef het aan hare moeder terug. Men zal u nimmer rekenschap omtrent het verleden vragen. En zelfs wanneer gij geldzuchtig zijt, met goud zal men u de vrijheid van dat meisje betalen. Texar, ik neem op mij om hen dien ruil voor te slaan, ik sta er u borg voor; want ik ken het hart van master James Burbank en van al de zijnen. Zij zouden alles opofferen, ik weet het, alles, hun geheel vermogen, om dat kind te redden, en ik roep God tot getuige, zij zullen de belofte houden die door hunne slavin gedaan werd!"
»Hunne slavin?"... riep Texar hoonend uit. »Op Camdless-Bay zijn geen slaven meer."
»Gij vergist u, Texar; want om bij mijn meester te blijven, heb ik mijn vrijbrief geweigerd."
»Waarlijk, Zermah, waarlijk!" antwoordde de Spanjaard. »Welnu, als u de vrijheid zoo weinig waard is, wanneer het u niet tegenstaat slavin te zijn, dan kunnen wij elkander verstaan. Zes of zeven jaren geleden wilde ik u van mijn vriend Tichborne koopen. Ik heb toen voor u, voor u alleen eene zeer hooge som geboden. En gij zoudt mij sedert dat tijdstip toebehoord hebben, wanneer James Burbank niet hooger geboden had. Thans heb ik je en ik zal je houden."
»Welnu, het zij zoo, Texar," antwoordde Zermah, »ik zal uwe slavin zijn. Maar geef dat kind aan hare..."
»Het kind van James Burbank," hernam de Spanjaard met eene stem, die van den bittersten haat getuigde, »die dochter aan haren vader weergeven?... Nooit!"
»Ellendeling!" riep Zermah uit, die hare verontwaardiging niet vermocht te bedwingen. »Welnu, als haar vader er niet in slaagt, dan zal God haar aan uwe handen ontvoeren!"
De Spanjaard sprak geen woord. Hij grinnikte slechts en trok de schouders op. Dat was zijn eenig antwoord. Hij had intusschen eene andere sigarette gerold, die hij rustig aanstak aan een lucifer, welke hij afstreek, en verwijderde zich langs den oever van het kanaal, zonder Zermah zelfs een blik te gunnen.
Ongetwijfeld zou de moedige en verontwaardigde mestiesche vrouw hem, had zij maar een wapen in haar bezit gehad, op gevaar af van door Squambo en zijne spitsboeven vermoord te worden, als een gevaarlijk wild dier afgemaakt hebben. Maar zij kon niets doen. Zij stond daar roerloos en keek met starend oog de negers aan, die op den oever arbeidden. Nergens ontwaarde zij het gelaat van een vriend. Zij zag niets dan woeste gezichten van verdierlijkte wezens, die tot de menschheid niet schenen te behooren. Zij keerde naar de wigwam terug, om hare moederlijke zorgen aan het kind te wijden, dat haar met zwakke stem riep.
Zermah trachtte het arme schepseltje, dat zij in hare armen nam, te troosten. Hare omhelzingen verlevendigden het lieve kind eenigermate. Zij bracht haar bij den haard en bereidde toen een warmen drank, dien zij haar toediende. Zij verstrekte haar alle zorgen, voor zoover de omstandigheden van hulpeloosheid en verlatenheid, waarin zij zich bevond, dat toelieten. Dy bedankte haar met een glimlach... Maar welk een glimlach?... Hij was nog treuriger dan wanneer haar de tranen langs de wangen biggelden!
Dien geheelen dag zag Zermah den Spanjaard niet weer. Zij poogde trouwens niet, hem andermaal te ontmoeten. Waartoe zou dat dienen? Hij zou wel niet tot andere gevoelens te brengen zijn, en verdere gesprekken en beschuldigingen zouden den toestand maar kunnen verergeren.
Want al waren haar en het kind tot nu toe, zoowel gedurende haar verblijf in de Zwarte Kreek, als sedert hare aankomst op het eiland Garneral, de mishandelingen gespaard gebleven, zoo mocht zij toch niet uit het oog verliezen, dat van een kerel als Texar alles te verwachten was. Een aanval van woede was voldoende, om hem tot de uiterste gewelddadigheid te doen overslaan. Want geen medelijden kon die bedorven ziel beroeren, en nu zijn eigenbelang den haat niet had kunnen overwinnen, moest Zermah iedere hoop in de toekomst laten varen.
En wat de makkers van den Spanjaard betreft, wat te verwachten van Squambo, wat van de slaven? Zouden die menschelijker dan hun meester wezen? Zij wisten welk lot hem wachtte, die slechts een weinig deernis met de arme verlaten vrouwen zoude betoond hebben. Dus ook van dien kant was niets te hopen. Zermah was dus aan zich zelve overgelaten. Haar besluit was weldra genomen. Zij zou pogen te ontvluchten en dat reeds den volgenden nacht inderdaad.
Maar hoe? Moest zij niet den overkant bereiken van het water, hetwelk het eiland Garneral omgaf? Al was de strook van het meer voor de wigwam slechts van geringe breedte, zoo kon zij dien toch niet met het kind zwemmende oversteken. Er bleef dus slechts een enkele kans over, namelijk om zich van de pont meester te maken, ten einde naar de overzijde van het kanaal over te steken.
De avond kwam, daarna viel de nacht in, die zeer donker, zelfs guur zoude wezen, want het begon te regenen en de wind dreigde zijne vlagen over het moeras te ontketenen.
Zermah bedacht dat het onmogelijk zoude zijn, de wigwam door de deur van de groote kamer te verlaten. Maar wellicht zou het zoo moeielijk niet zijn, een gat in de plantaardige omwanding der hut te maken. En gelukte dat, dan kon zij zich immers door dat gat werken; zij zou de kleine Dy ook er door trekken. En eenmaal buiten, welnu, dan zou zij verder weten te handelen.
Toen het ongeveer tien uren was, vernam zij niets anders meer dan het gehuil der windvlagen. Texar en Squambo sliepen. De honden hadden eene schuilplaats onder den een of anderen dichten struik gezocht, zoodat zij niet rondom de woning zwierven.
Het oogenblik was dus uitermate gunstig.
Zermah begon nu, terwijl Dy sliep, zachtkens het stroo en de biezen uit te trekken, welke door elkander gevlochten de zijomwanding van de wigwam uitmaakten.
Toen zij gedurende een uur gewerkt had, was er onder hare handen een gat ontstaan, dat evenwel nog niet groot genoeg was, om haar en het meisje doortocht te verleenen. Zij was op het punt om haren arbeid te hervatten, toen een gerucht haar plotseling deed ophouden.
Dat gerucht werd buiten te midden der dikke duisternis veroorzaakt. Het waren de speurhonden die aansloegen en welker geblaf een gaan en komen op den oever verraadde. Texar en Squambo, zoo plotseling uit den slaap gewekt, verlieten in allerijl hunne kamer.
Toen werden stemmen vernomen. Klaarblijkelijk was een troep mannen op den tegenovergestelden oever van het kanaal aangekomen. Zermah was verplicht hare poging tot ontvluchting, die thans onuitvoerbaar was, op te geven.
Weldra weerklonken, in weerwil van het gehuil der windvlagen, talrijke stappen op den grond.
Zermah luisterde met gespitste ooren aandachtig toe. Wat viel er toch voor? Zou de Voorzienigheid zich harer erbarmen? Zond zij hulp, waarop de arme vrouwen niet meer durfden rekenen?
Neen, en dat begreep zij. Want, zou er in dat geval niet een gevecht ontstaan zijn tusschen de nieuw aangekomenen en Texar's lieden? De overgang zou toch aanvallenderwijs en gewelddadig moeten geschieden. Geroep, geschreeuw, geweerschoten hadden moeten zijn gehoord. En van dat alles had niets plaats gegrepen. Doch het was eerder eene versterking, die aan de bezetting van het eiland Garneral toegevoegd werd.
Zermah bespeurde dat twee personen een oogenblik later de wigwam binnentraden. De Spanjaard was door een ander man vergezeld, die Squambo niet was, daar de stem van den Indiaan nog buiten naar den kant van het kanaal vernomen werd.
Toch waren twee mannen het vertrek binnengetreden. Zij hadden een gesprek met gedempte stem begonnen, toen beiden eensklaps zwegen.
Een hunner trad met een lantaarn in de hand naar Zermah's kamer toe. Deze had ternauwernood den tijd zich op het gras neder te werpen, dat haar tot legerstede diende, hetgeen zij evenwel zoodanig deed, dat zij het gemaakte gat in den muur met haar lichaam verborg.
Texar--want hij was het--opende de deur op een kier en keek in de kamer rond. Toen hij de mestiesche vrouw bij het meisje uitgestrekt zag liggen en beiden schenen te slapen, trok hij de deur weer toe en ging weg. Zermah sprong ras op en vatte post bij die deur.
Het is waar, zij kon niet zien wat in die kamer gebeurde, zij kon ook den persoon, die bij Texar was, niet herkennen; maar zij kon alles hooren, wat gesproken werd.
En ziehier wat zij vernam.
XII.
WAT ZERMAH VERNAM.
»Gij hier op het eiland Garneral?"
»Ja, sedert eenige uren."
»Ik meende dat gij nog te Adamsville waart, of u in de nabijheid van het meer Apopka bevondt."
»Daar was ik nog acht dagen geleden."
»En waarom zijt ge herwaarts gekomen?"
»Ik werd er toe genoopt."
»Gij weet, wij moeten elkander nimmer ontmoeten dan in de Zwarte Kreek en dan nog slechts wanneer gij mij door middel van een briefje gewaarschuwd hadt."
»Ik herhaal, dat ik genoopt werd te handelen zooals ik deed. Ik ben overhaast moeten vertrekken, om in de Everglades een veilige schuilplaats te zoeken."
»Waarom?"
»Dat zult gij vernemen."
»Maar stelt gij ons niet in gevaar ontdekt te worden?"
»Neen! Ik ben bij nacht aangekomen en geen uwer slaven heeft mij kunnen zien."
Zermah begreep geen woord van dat gesprek. Zij kon ook niet gissen, wie die onverwachte gast in de wigwam kon zijn. Daar waren twee mannen bij elkander, die praatten; maar het was of slechts een enkel man sprak, die vragen deed en zelf antwoord gaf. Het was dezelfde stembuiging, hetzelfde toongeluid. Men zou gezegd hebben, dat al de gesproken woorden uit een en denzelfden mond kwamen. Zermah trachtte tevergeefs door eenige reten der deur te gluren. De kamer, die slechts flauw verlicht werd, was in een halfduister gedompeld, dat niet veroorloofde iets te ontwaren. De mestiesche vrouw moest zich dus bepalen tot de poging, om zooveel maar mogelijk was te vernemen van dat gesprek, dat voor haar zeer belangrijk kon zijn.
De beide mannen vervolgden, na een poos gezwegen te hebben, aldus. Het was Texar die zijn metgezel ondervroeg:
»Gij zijt niet alleen gekomen?"
»Neen, eenige onzer partijgangers hebben mij naar de Everglades vergezeld."
»Hoeveel kwamen met u mede?"
»Een veertigtal."
»En vreest gij niet dat zij te weten zijn gekomen, wat wij zoo lang zorgvuldig geheim hielden?"
»Volstrekt niet; zij zullen ons nimmer bij elkander zien. Wanneer zij het eiland Garneral verlaten zullen, zullen zij niets vernomen hebben en niets zal aan ons levensprogramma veranderd zijn."
Zermah meende in dit oogenblik een gerucht te hooren als van twee handen die elkander drukten.
Daarop werd het gesprek volgenderwijs voortgezet:
»Wat is er sedert de inneming van Jacksonville gebeurd?"
»Eene vrij ernstige zaak. Gij weet dat Dupont Sint Augustijn bemachtigd heeft?"
»Ja, dat weet ik en gij zult ongetwijfeld niet onbekend zijn gebleven waarom ik dat weten moet?"
»Inderdaad! Het gebeurde met den trein van Fernandina is juist ter geschikter tijd voorgevallen om u in staat te stellen, u op een alibi te beroepen, waardoor de krijgsraad verplicht is geweest u vrij te spreken."
»En toch had die raad daar weinig lust in! Maar bah!... Het is de eerste maal niet dat wij ons op die wijs redden..."