De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar
Chapter 14
»Ver hier vandaan verwijderd?..." vroeg Edward Carrol.
»Op honderd passen ternauwernood."
»Hebt gij de lieden kunnen verkennen, die dat kampement betrekken?"
»Neen, want men begon de vuren uit te dooven," antwoordde Gilbert Burbank. »Maar ik geloof, dat wij ons niet vergissen, wanneer wij hunne sterkte op tweehonderd man schatten."
»Slapen zij, Gilbert?"
»Ja, voor het meerendeel, evenwel niet zonder wachtposten uitgesteld te hebben. Wij hebben eenige schildwachten bemerkt, die, met het geweer op schouder, tusschen de cypressen heen en weer wandelen."
»Wat moeten wij doen?" vroeg Edward Carrol, het woord tot den jeugdigen officier richtende.
»Vooraf moeten wij trachten dat detachement meer afdoend te verkennen," antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens dat wij beproeven het om te trekken."
»Ik ben gereed op kondschap uit te gaan," betuigde Mars.
»En ik zal u vergezellen," zei master Perry.
»Neen, dat neem ik op mij," antwoordde Gilbert Burbank. »Ik mag mij op niemand anders vertrouwen dan op mij zelven...."
»Gilbert," zei master James Burbank, »er is niemand onzer die niet gereed is zijn leven voor het algemeen welzijn veil te hebben. Maar om niet opgemerkt te worden, om eenigen kans te hebben die verkenning met welslagen uit te kunnen voeren, moet de verkenner alleen zijn...."
»Het is ook alleen, dat ik wensch te gaan," sprak Gilbert Burbank met eenige drift.
»Neen, mijn zoon," antwoordde master James Burbank, »ik verzoek je bij ons te blijven. Mars zal die verkenning volvoeren."
»Ik ben gereed, master," sprak deze.
En zonder verder een bevel af te wachten, verdween de mesties in de duisternis.
Terzelfder tijd stelde master James Burbank zijn troep slagvaardig op, gereed om iederen aanval te weerstaan. De eenmansvrachten werden op den grond gelegd. De dragers grepen naar de wapens. En allen, met het geweer in de hand, stelden zich verspreid achter de cypressenstammen verdekt op, evenwel zoo dat zij in een oogwenk bij elkander konden zijn, wanneer de omstandigheden gebieden mochten gezamenlijk op te treden.
Van de plek, die door master James Burbank en de zijnen betrokken was, kon men het kampement niet zien. Men moest ongeveer een vijftigtal passen naderen, om de vuren, die bijna verdoofd waren, in het oog te krijgen. Daaruit werd de noodzakelijkheid geboren, de terugkomst van den mesties af te wachten, alvorens die beschikkingen te kunnen nemen, welke de omstandigheden zouden medebrengen.
In zijn ongeduld was de jeugdige officier eenige meters vooruit getreden, alsof hij van daar de lieden beter kon voeren.
Mars was intusschen met de grootste omzichtigheid vooruitgeslopen. Hij dekte zich voortdurend achter boomstammen, en verliet den eenen niet dan om achter een anderen eene schuilplaats te zoeken. Zoo naderde hij, zonder veel gevaar te loopen ontdekt te worden. Hij hoopte zoo nabij genoeg te kunnen naderen, om de gesteldheid van de plaats waar te kunnen nemen, het getal mannen te kunnen ramen, maar vooral de partij te kunnen bestemmen, waartoe zij behoorden. Dat zou zoo gemakkelijk niet gaan. De nacht was zeer donker en de bivouacvuren gaven geen licht meer. Om te slagen, moest hij tot bij het kampement sluipen. Nu was Mars volstrekt niet van stoutmoedigheid misdeeld, ook niet van vaardigheid, om de waakzaamheid der schildwachten, die op post stonden, te misleiden.
De mesties won inmiddels veld. Hij had, om door niets belemmerd te kunnen worden, noch geweer noch revolver medegenomen. Hij was slechts gewapend met eene korte enterbijl, want het was noodzakelijk iedere ontploffing te vermijden en zich slechts te verdedigen, als dat noodig was, zonder gerucht te maken.
Eindelijk was de moedige kerel tot op zeer korten afstand van een der schildwachten genaderd, die zelf slechts op een afstand van zeven of acht meters van het kampement geplaatst was. Alles was stil. Blijkbaar waren die mannen ten gevolge van een zwaren marsch zeer vermoeid en thans in een diepen slaap gedompeld. Slechts de schildwachten waren waakzaam op hun post, doch niet allen in gelijke mate, waarvan Mars weldra de overtuiging kreeg.
Inderdaad, de mesties, die een hunner sedert eenige oogenblikken nauwkeurig gadesloeg, bemerkte dat hij wel is waar overeind stond, maar zich volstrekt niet bewoog. Zijn geweer lag op den grond. Hij zelf stond met gebukt hoofd tegen een cypresboom geleund en scheen aan den slaap geen weêrstand te kunnen bieden. Het zou misschien niet onmogelijk zijn, achter hem om te sluipen en zoo het kampement te bereiken.
Mars naderde den schildwacht langzaam, toen het gekraak van een droog takje, dat hij met den voet deed knappen, zijne tegenwoordigheid verraadde.
Dadelijk richtte de man zich op, verhief het hoofd, boog zich voorover, keek scherp rechts en links, om te ontwaren, wie of wat het gerucht kon veroorzaakt hebben, dat gedurende zijne dommeligheid zijn oor getroffen had.
Hij ontwaarde voorzeker iets verdachts, want hij greep zijn geweer, maakte dat vaardig en bracht het aan den schouder...
Maar vóórdat hij vuur had kunnen geven, had Mars hem het wapen, dat op zijne borst gericht was, ontrukt en had hij den schildwacht, na hem zijn breede hand op den mond geklemd te hebben, om hem het schreeuwen te beletten, op den grond geworpen.
Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik geschied. Toen Mars dien man gekneveld en hem een prop in den mond geduwd had, pakte hij hem met ijzersterken arm op en droeg hem, hoewel hij zich tevergeefs trachtte te verzetten, in allerijl naar de open plek in het woud, waar master James Burbank en de zijnen met ongeduld stonden te wachten.
Niets was van dat alles door de andere schildwachten, die het kampement bewaakten, bespeurd, een bewijs dat zij zeer onvoldoende hun plicht betrachtten. Mars kwam weinige oogenblikken later met zijne vracht aan en legde die aan de voeten van zijn jongen meester neder.
In minder dan een oogwenk waren de negers rondom master James Burbank, zijn zoon Gilbert, Edward Carrol en den administrateur Perry in een dichten kring te zamen gedrongen. De krijgsgevangene, die half gestikt was, zou geen enkel woord, zelfs zonder prop in den mond, hebben kunnen uiten. De duisternis was zoo groot, dat het onmogelijk was zijn gelaat waar te nemen of zijne kleederen te onderscheiden, ten einde te weten te komen, of hij al of niet tot de Floridasche militie-troepen behoorde.
Mars verwijderde de prop, die hem den mond sloot, maar men moest geduldig wachten tot hij eenigszins bijgekomen was, alvorens hem te kunnen ondervragen. Eindelijk riep hij:
"Help!... help!..."
"Geen kik," waarschuwde hem master James Burbank, terwijl hij hem de hand op den mond legde. »Gij hebt van ons niets te vreezen."
»Wat wil men van mij?"
»Niets dan dat gij ons openhartig antwoordt."
»Het zal er van afhangen, wat gij mij vragen zult," antwoordde de man, die eenigermate eene zekere geruststelling herkreeg. »Vooreerst zijt gij voor de Zuidelijken of voor de Noordelijken gestemd?"
»Voor de Noordelijken."
»Vraag dan maar op. Dan ben ik gereed te antwoorden."
Toen vervolgde Gilbert de ondervraging.
»Hoe sterk is het detachement, dat daar ginds kampeert?" vroeg hij.
»Bijna tweehonderd man."
»En waarheen trekt het?"
»Naar de Everglades."
»Wie is zijn aanvoerder?"
»De kapitein Howick."
»Wat, de kapitein Howick?"
»Ja."
»De kapitein Howick, een der officieren van de Wabash!" riep Gilbert Burbank uit.
»Dezelfde."
»Dat detachement bestaat dus uit zeelieden van het eskader van den Commodore Dupont?"
»Ja; wij zijn Federalisten, Noordelijken, anti-slavengezinden, unionisten," antwoordde die man, trotsch er op, die verschillende benamingen op te sommen, die de partij der goede zaak zoo dikwerf als scheldnamen aanduidden.
Dus in stede van een detachement Floridasche militie-troepen, die master James Burbank en zijne tochtgenooten meenden dat voor hen uit marcheerden, in stede van eene bende partijgangers van Texar, was men op vrienden gestooten, op wapenbroeders, welker versterking voorwaar zeer te pas kwam.
»Hoerah! hoerah!" schreeuwden allen met zulk een geestdrift, met zulk een kracht, dat het geheele kampement er van ontwaakte.
Dadelijk schitterde het licht van flambouwen in het nachtelijk duister. Men kwam naar elkander toe, men vereenigde zich in de open plek van het woud, en nog vóórdat eenige verklaring gegeven werd, drukte kapitein Howick den jeugdigen luitenant, dien hij volstrekt niet dacht op zijn weg naar de Everglades te ontmoeten, met warmte de hand.
De verklaringen en uitleg van zaken waren noch lang, noch moeielijk.
»Kunt gij mij mededeelen, kapitein," vroeg Gilbert Burbank, »wat gij in Beneden-Florida komt uitvoeren?"
»Waarde luitenant Burbank," antwoordde kapitein Howick, »wij zijn op expeditie gezonden door den Commodore Dupont."
»En vanwaar komt gij?"
»Van Mosquito Inlet, vanwaar wij ons dadelijk naar New Smyrna, in de binnenlanden van het graafschap gelegen, begeven hebben."
»Mag ik u ook vragen, kapitein, wat het doel van uwen tocht is?"
»Het doel daarvan is een bende partijgangers der Zuidelijken te tuchtigen, die twee onzer sloepen in eene hinderlaag gelokt hebben. Wij willen den dood van onze brave krijgsmakkers wreken!"
Ziehier wat kapitein Howick dienaangaande verhaalde en wat master James Burbank onmogelijk weten kon; want de feiten waren twee dagen na zijn vertrek van Camdless-Bay gebeurd.
Men heeft niet vergeten, dat de Commodore Dupont zich toen onledig hield met het tot stand brengen van de daadwerkelijke blokkade van de Floridasche kuststrook. Daartoe moest zijne flottilje dat gedeelte van de zee, begrepen tusschen het eiland Anastasia, ten noorden van Sint Augustijn, en de noorder-monding van het kanaal, dat de Bahama-eilanden van de Zandkaap, de Zuidelijke spits van Florida, scheidt, bewaken en doorkruisen. Maar dat kwam hem niet afdoende genoeg voor. Daarom besloot hij de vaartuigen der Zuidelijken tot in de kreken en kleine rivieren van het schiereiland te vervolgen en aan te vallen.
Met dat doel werd eene expeditie afgezonden, bestaande uit twee sloepen van het eskader met een detachement mariniers aan boord, onder de bevelen van twee officieren, die, in weerwil van hun beperkt aantal, niet aarzelden de rivieren van het graafschap in te stevenen.
Maar de partijgangers der Zuidelijken sloegen die handelingen der Federalisten nauwgezet gade. Zij lieten die sloepen ongehinderd zich begeven in dit woeste gedeelte van Florida, hetgeen eene daad van betreurenswaardige onvoorzichtigheid moest genoemd worden, daar die geheele streek zoowel door Seminool-Indianen als door militie-troepen bezet was. De gevolgen bleven niet uit. De sloepen werden bij het Kissimmee-meer, gelegen op tachtig mijlen ten westen van kaap Malabar, in een hinderlaag gelokt. Daar werden zij door talrijke partijgangers aangevallen en daar sneuvelden de twee commandanten, die de noodlottige expeditie aanvoerden, aan het hoofd van het grootste gedeelte hunner ondergeschikten. Slechts weinigen ontsnapten als het ware door een wonder aan het bloedbad. De Commodore Dupont verstrekte dadelijk, toen hij die ramp vernam, de noodige bevelen, om de Floridasche militie-troepen onverwijld en rusteloos te vervolgen, ten einde den dood der gesneuvelde Federalisten te wreken.
Een detachement van tweehonderd zeelieden, onder de bevelen van kapitein Howick, ontscheepte derhalve in de nabijheid van Mosquito-Inlet, en had weldra het stadje New-Smyrna, op eenigen afstand van de kust gelegen, bereikt. Na aldaar de onontbeerlijke inlichtingen ingewonnen te hebben, hernam kapitein Howick zijnen marsch in zuidwestelijke richting.
Hij rekende inderdaad er op, de bende, aan wie de hinderlaag, te Kissimmee gespannen, toegeschreven moest worden, in de Everglades te ontmoeten. Het was dus daarheen, dat hij zijn marsch richtte. En thans was hij daar niet ver meer van verwijderd.
Dat was de gebeurtenis, welke master James Burbank en zijne tochtgenooten niet kenden, toen zij in dit gedeelte van het cypressenwoud op het detachement van kapitein Howick stieten.
Vragen en antwoorden kruisten zich thans bliksemsnel tusschen den kapitein en den luitenant. Natuurlijk golden zij uitsluitend hun tegenwoordigen toestand, en wat zij in de toekomst te wachten hadden.
»Ik kan u al dadelijk mededeelen," zei Gilbert Burbank, »dat wij ook naar de Everglades marcheeren."
»Gij ook?" vroeg de kapitein, vrij verbaasd over deze mededeeling. »Wat gaat gij daar uitvoeren?"
»Wij vervolgen eene bende boosdoeners, om hen te tuchtigen, zooals gij met de sluipmoordenaars van Kissimmee wilt doen."
»Wat zijn dat voor boosdoeners?"
»Veroorloof mij, kapitein," antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens u te antwoorden, eene vraag [3] te doen."
»Welke?"
»Sedert wanneer hebt gij met uw detachement New-Smyrna verlaten?"
»Sedert acht dagen."
»En hebt gij geen enkel partijkorps der Zuidelijken in de binnenlanden van het graafschap ontmoet?"
»Geen enkele, waarde Gilbert," antwoordde kapitein Howick. »Maar wij hebben uit vertrouwbare bron vernomen, dat sommige detachementen militie-troepen eene toevlucht in Beneden-Florida gezocht hebben."
»Wie is de aanvoerder van dat detachement, hetwelk gij vervolgt?"
»Wie die aanvoerder is?"
»Ja, kent gij hem ten minste?"
»Volkomen. En ik kan er bijvoegen, dat wanneer wij er in slagen hem gevangen te nemen, master James Burbank dat niet betreuren zal."
»Wat wilt gij zeggen?"... vroeg de eigenaar van Camdless-Bay den kapitein Howick met eenige drift.
»Eenvoudig dit," antwoordde de officier, »dat die aanvoerder juist dezelfde Spanjaard is, die kort geleden door den krijgsraad te Sint Augustijn, wegens gebrek aan bewijzen, ter zake van het gebeurde op uwe plantage vrijgesproken werd."
»Texar?"
»Texar?"
»Texar?"
Allen, èn James Burbank, èn Gilbert, èn Edward Carrol, èn Perry hadden gelijktijdig dien naam uitgekreten. Zal het mogelijk zijn een denkbeeld te geven van de gewaarwordingen, welke een ieder bezielden?
»Hoe," riep Gilbert uit, »is Texar de aanvoerder van die partijgangers, welke gij tracht te bereiken?"
»Hij zelf! Hij is de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee, van dien laaghartigen moord, gepleegd door een vijftigtal boosdoeners van zijn gehalte, die hij in persoon aanvoerde. En zooals wij te New-Smyrna uit zekere bron vernomen hebben, heeft hij zijne toevlucht in de Everglades gezocht."
»En wanneer gij er in slaagt dien ellendeling gevangen te nemen?"... vroeg Edward Carrol.
»Dan wordt hij op de plaats doodgeschoten," antwoordde kapitein Howick. »Zoo luidt het formeele bevel van den Commodore, en wees er van overtuigd, master James Burbank, dat bevel zal onmiddellijk uitgevoerd worden."
Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welke uitwerking die mededeeling op master James Burbank en de zijnen hebben moest. Met de versterking der strijdmacht, die door kapitein Howick bijgebracht werd, kon men bijna zeker op de bevrijding van de kleine Dy en van Zermah rekenen. Ook kon men op de gevangenneming van den Spanjaard en zijne medeplichtigen vertrouwen. Die zouden de straf hunner misdaden niet ontgaan.
Er werden dan ook veelvuldige handdrukken tusschen de zeelieden van het federalistisch detachement en de negers van Camdless-Bay gewisseld, en vele hoera's weerklonken vol geestdrift door het cypressenwoud.
Gilbert Burbank stelde toen kapitein Howick op de hoogte van hetgeen zijne tochtgenooten in het zuiden van Florida kwamen uitvoeren. Hunne voorname taak was, de bevrijding van Zermah en het meisje, die naar het eiland Garneral ontvoerd waren, zooals door het briefje der mestiesche vrouw aangeduid was. De kapitein vernam toen ook, dat het alibi, door den Spanjaard voor den krijgsraad bepleit, niet had moeten aangenomen worden, hoewel men er niet in geslaagd was om te begrijpen, hoe dat alibi gesteld had kunnen worden.
Maar nu hij zich èn omtrent de ontvoering der twee vrouwen, èn omtrent den moord te Kissimmee te verantwoorden had, scheen het moeielijk dat Texar ontsnappen kon aan de straf voor die dubbele misdaad.
Intusschen opperde toch master James Burbank eene onverwachte bedenking, die hij aan kapitein Howick mededeelde.
»Kunt gij mij zeggen," vroeg hij, »op welken dag de sloepen te Kissimmee in hinderlaag gevallen zijn?"
»Zelfs zeer nauwkeurig, master Burbank," antwoordde de kapitein. »Die moord onzer zeelieden is op den 22sten Maart geschied."
»Welnu," antwoordde master James Burbank, »op den 22sten Maart was Texar nog in de Zwarte Kreek en maakte hij zich eerst gereed om te vertrekken."
»Onmogelijk, master Burbank!"
»Dat zeg ik ook: onmogelijk heeft Texar deel kunnen nemen aan een moord, die op tweehonderd mijlen afstand bij het meer Kissimmee gepleegd werd! Vindt gij niet?"...
»Ja, maar..." stamelde de kapitein.
»Neen, ik herhaal dat Texar die bende Zuidelijken niet heeft kunnen aanvoeren, die uwe sloepen overvallen en uitgemoord hebben."
»Gij vergist u, master Burbank," hernam kapitein Howick. »De Spanjaard is behoorlijk gezien en herkend geworden door de zeelieden, die aan het bloedbad ontkomen zijn. Den zeelieden heb ik zelf ondervraagd."
»Maar zij kennen Texar waarschijnlijk niet?"
»Zij kennen hem zeer goed; zij hebben te Sint Augustijn gelegenheid genoeg gehad om hem te zien."
»Dat kan niet, kapitein," antwoordde master James Burbank. »Het briefje, door Zermah geschreven en wat zich in onze handen bevindt, bewijst dat Texar op den 22sten Maart nog in de Zwarte Kreek was."
»Ongeloofelijk, master Burbank!" meende kapitein Howick te moeten protesteeren.
Gilbert Burbank had die woordenwisseling aangehoord, zonder te trachten met een enkel woord tusschenbeiden te komen. Hij begreep dat zijn vader gelijk had, hij gevoelde dat hij gelijk moest hebben. De Spanjaard kon onmogelijk op den dag van den moord zich in de nabijheid van het Kissimmee-meer bevonden hebben.
»Laten wij daarover niet redekavelen," sprak hij eindelijk. »In het bestaan van dien man doen zich zulke onverklaarbare daadzaken voor, dat ik maar niet pogen zal ze op te lossen. Den 22sten Maart was hij, volgens de verklaring van Zermah, nog in de Zwarte Kreek, en op den 22sten Maart bevond hij zich, volgens uwe verzekering, kapitein Howick, die gij geput hebt uit het rapport uwer zeelieden, aan het hoofd van een Floridaasch partijgangerskorps op tweehonderd mijlen daar vandaan. Die tegenstrijdigheid vermogen wij voor het oogenblik niet op te lossen. Het zij zoo! Maar wat zeker, wat boven allen twijfel verheven moet geacht worden, is, dat hij zich thans in de Everglades bevindt. En nu kunnen wij hem binnen tweemaal vier-en-twintig uren bereikt hebben."
»Ja, luitenant Burbank," antwoordde kapitein Howick, »gij hebt gelijk, en hetzij schuldig aan de ontvoering der twee vrouwen, hetzij schuldig aan het spannen der hinderlaag, zal, volgens mij, wanneer die ellendeling doodgeschoten wordt, het vonnis rechtvaardig geveld zijn. Kom, voorwaarts vrienden!"
»Ja, voorwaarts!" antwoordden allen.
Het gestelde feit was daarom evenals zooveel anderen, die betrekking op het niet openbare leven van Texar hadden, volkomen onverklaarbaar en bleef dat. Daarin school ook alweer een niet te begrijpen alibi. Waarlijk, men zou gezegd hebben dat Texar, die ellendige kerel, een dubbelganger had, of beter, dat hij het vermogen bezat op twee plaatsen tegelijkertijd te zijn.
Zou dat geheim eenmaal opgelost worden? Wie zou dat durven verzekeren? Maar het mocht zijn zooals het wil, men moest Texar zien in handen te krijgen, en tot dat doel zouden de zeelieden van kapitein Howick, met de tochtgenooten van master James Burbank krachtig medewerken.
XI.
IN DE EVERGLADES.
Eene landstreek, die Everglades, die tegelijkertijd afschuwelijk en verrukkelijk is! Gelegen in het zuidelijk gedeelte van Florida, strekt zij zich tot de Zandkaap, het laatste punt van het schiereiland, uit.
Die streek vormt, om der waarheid nauwkeurig getrouw te blijven, slechts een uitgestrekt moeras, dat bijna in het waterpas van den Atlantischen Oceaan gelegen is en zich slechts zeer weinig daarboven verheft. De golven der zee overstroomen haar met groote hoeveelheden water, wanneer zij door de stormen van de wereldzee of van de Golf van Mexico met ontembare woede opgezweept worden. Dat zilte water blijft dan vermengd met het regenwater, hetwelk in het winterseizoen bij stroomen, als waren het stortvloeden, uit het dikke wolkendak nederstort.
Daarin is de oorzaak gelegen, dat de bodem van die landstreek half vloeibaar, half vast is, welke toestand op zijne beurt de oorzaak van hare onbewoonbaarheid is.
Die moeraspoelen hebben eene omlijsting van wit zand, die hunne sombere kleur te scherper doet uitkomen en zoo talrijke spiegels vormen, waarin slechts de vlucht der ontelbare vogels weerkaatst wordt, die over hare oppervlakte vliegen. Die poelen zijn niet vischrijk, maar wemelen daarentegen van slangensoorten.
Men moet niet van de meening uitgaan, dat het algemeen karakter van die landstreek den stempel van dorheid of onvruchtbaarheid zoude dragen. Neen, integendeel. Aan de oppervlakte juist dier eilanden, welke door de onreine en ongezonde wateren dier meren en poelen omgeven waren, hernam de natuur hare rechten. De malaria-verpestingen werden getemperd, ja overwonnen, door de heerlijke geuren welke de bewonderenswaardige bloemen dezer plantenwereld verspreidden. De dampkring dier eilanden en eilandjes is als het ware doortrokken door de lucht van duizenden gewassen, die overheerlijk krachtig ontwikkelen en den naam van Floridaasch schiereiland met recht aan die streek verleenen. Het is ook in die frissche en gezonde eilandjes der Everglades, die als zoovele oasen verschijnen, dat de zwervende Indianenstammen bij voorkeur verwijlen bij hunne halten, welker duur nimmer zeer lang kan zijn.
Wanneer men dat grondgebied over eene uitgestrektheid van eenige mijlen binnengedrongen is, dan ontmoet men een uitgestrekt waterbekken, het meer Okee-cho-bee, hetwelk een weinig ten zuiden van den zeven-en-twintigsten breedtegraad gelegen is. In een hoek van dat meer werd het eiland Garneral aangetroffen, waar Texar zich eene schuilplaats ingericht had, die de scherpzinnigste vervolgers kon trotseeren.
Die landstreek was alsof zij voor Texar en zijne schandgenooten geschapen was en hunner in allen deele waardig. Toen Florida toch nog onder de heerschappij der Spanjaarden stond, was het daarheen voornamelijk dat de misdadigers van blank ras vluchtten, om aan de nasporingen der gerechtigheid van hun vaderland te ontsnappen. Daar sloten zij huwelijken met de vrouwen der inlandsche bevolking, in wier aderen onmiskenbaar Caraïbisch bloed aangetroffen wordt, en werden zoo de stamvaders van de Creeks, van de Seminolen, zwervende Indianenstammen, die nimmer het hoofd voor het juk der beschaving gebogen hebben, maar die men na een langdurigen en bloedigen oorlog heeft ten onder gebracht, maar welker onderwerping, dagteekenende van 1845, nimmer diepe wortels geschoten heeft, nooit oprecht geweest is en slechts door voortdurende ontwikkeling van militaire macht gehandhaafd kon worden.
Intusschen heeft het eiland Garneral geheel en al het uiterlijke alsof het voor iederen aanval gevrijwaard is. Het is waar, zijn oostelijke oever is slechts door een smallen rivierarm of beter door een smal kanaal van den oosterwal gescheiden, namelijk wanneer men die benaming mag geven aan het moerassige land, hetwelk het meer omringt. Dat kanaal is slechts honderd voet breed; toch is er eene pont noodig, om er over te komen. Die pont bestond in den vorm van een onhandig, ruw en log vaartuig. Overigens was er geen ander gemeenschapsmiddel aanwezig. De ontsnapping, door middel van zwemmen langs dien kant, was totaal onmogelijk. Wie zou zich durven wagen te midden van dat modderige water, dat gevuld was met lang gras, hetwelk iedere zwembeweging belemmerde, terwijl het tevens van kruipend gedierte krioelde.