De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar

Chapter 13

Chapter 133,726 wordsPublic domain

Maar hoe moeielijk moest de af te leggen afstand tusschen het Washington-meer en de Everglades geweest zijn! Geen rivier meer om die arme vrouw en dat teere meisje de ontzettende vermoeienissen en inspanningen, daaraan verbonden, te besparen. Voorzeker zou de mestische vrouw de kleine Dy in hare armen gedragen hebben. Maar de gedachte alleen, wat die arme Zermah bij dien tocht te lijden zal gehad hebben, doet onwillekeurig ijzen. Want gedwongen als zij was om die mannen te volgen, die aan dergelijke tochten door dat moeielijke terrein gewoon waren, zullen haar geene beleedigende woorden, geen gewelddadigheden, geen slagen gespaard zijn geworden, om haar te dwingen hare schreden te verhaasten. Hoe dikwerf zou zij niet gevallen zijn bij hare pogingen, om, zonder aan zich zelve te denken, het kleine meisje te beveiligen. Dat alles zweefde onzen veldontdekkers levendig voor den geest. En als Mars er aan dacht aan welk lijden, aan welke martelingen zijne echtgenoote blootgesteld was, dan beefde hij van woede, dan verbleekte hij van toorn en dan ontsnapte aan zijne lippen de woorden:

»O, ik zal Texar dooden!"

Hoezeer wenschte hij om reeds op het eiland Garneral aangekomen te zijn, om zich van aangezicht tot aangezicht te bevinden met den aterling, wiens kuiperijen zooveel lijden aan de familie Burbank veroorzaakt hadden en die daarenboven Zermah, zijne echtgenoote, ontvoerd had.

Het kampement was op het uiteinde van eene kleine kaap, welke zich in het noordelijk gedeelte van het meer uitstrekte, opgeslagen. Het zou niet met eene doelmatige voorzichtigheid gestrookt hebben, wanneer men een nachtelijken tocht op dat onbekende terrein, waarbij de blik slechts een beperkten gezichtskring kon overzien, zoude aanvaarden. Men had dan ook, na eene korte beraadslaging, besloten, dat men den dageraad zoude afwachten alvorens den tocht te hervatten. Het gevaar om te verdwalen te midden van dat dichte woud was te groot, om zich daaraan te mogen blootstellen.

De nacht ging zonder eenig meldenswaardig voorval voorbij. Tegen vier uur, toen de eerste lichtstralen zich baan begonnen te breken, werd het sein van vertrek gegeven. De helft van het personeel, waaruit de expeditie bestond, was voldoende om de vrachten levensmiddelen en de kampementsbenoodigdheden te dragen en te vervoeren. De negers konden elkander bij die corvee dus aflossen.

Allen, zoowel meesters als dienaren, waren gewapend met Miniékarabijnen, die met een kogel en vier zware hagelkorrels geladen waren, en met Colt-revolvers, welker gebruik sedert den secessiekrijg bij beide partijen der oorlogvoerenden zoo veelvuldig geworden was. Onder deze omstandigheden mocht onze troep in staat geacht worden, om met hoop op goeden uitslag het hoofd te kunnen bieden aan eene bende van zestig Seminool-Indianen, ja zelfs om Texar aan te kunnen vallen, al ware hij ook door een gelijk aantal zijner partijgangers omgeven.

Men had het doelmatig geacht, om zoolang zulks doenlijk was, langs en evenwijdig aan de Sint John te marcheeren. De hoofdstrekking der rivier was steeds naar het zuiden, dus in de richting van het meer Okee-cho-bee. Zij deed den dienst van Ariadne-draad te midden van het doolhof in het woud gespannen. Men kon dien draad volgen, zonder gevaar te loopen verdwaald te raken. En zoo deed men dan ook.

Trouwens dat ging gemakkelijk genoeg. Op den rechter-oever vertoonde zich toch een voetpad--een soort van jaagpad, waarlangs het mogelijk was een heel licht vaartuig tegen den bovenstroom op te halen. Men marcheerde met vluggen pas voorwaarts, Gilbert Burbank en Mars voorop, daarna master Perry te midden zijner negers, die elkander bij het dragen der levensmiddelen en kampementsbenoodigdheden om het uur aflosten, en daarachter master James Burbank en Edward Carrol. Men had, alvorens te vertrekken, een flink ontbijt genoten. Men zou tegen het middaguur halt maken, om te dineeren, tegen zes uren om te avondmalen; men zou kampeeren wanneer het nachtelijk duister niet meer veroorloven zoude om den tocht voort te zetten; men zou den marsch hervatten, wanneer het bleek mogelijk te zijn zich een weg door het woud te banen. Zoodanig was het plan dat men ontworpen had en dat stipt opgevolgd zoude worden.

Vooreerst had men den oostelijken oever van het Washington-meer te volgen. Die oever was over het algemeen geheel vlak en bestond zijn bodem gedeeltelijk uit mul zand. Wel bestonden er bosschen, maar die waren, noch wat uitgestrektheid, noch wat dichtheid betreft, te vergelijken met diegenen, welke men later aantreffen zoude. De reden daarvan lag geheel in de geaardheid zelve dier gewassen.

Men ontmoette veel struikgewas, dat den marsch zeer vertraagde; maar tegen den avond was dat doorgeworsteld en betrad men het groote cypressenbosch, dat zich tot bij de Everglades uitstrekt.

Men had gedurende dien eersten dag ruim twintig mijlen afgelegd. Gilbert vroeg dan ook aan zijne tochtgenooten, of zij zich niet te zeer vermoeid gevoelden.

»Wij zijn gereed om verder te trekken," antwoordde een der negers, die in naam zijner makkers sprak.

»Maar loopen wij geen gevaar gedurende den nacht te verdwalen?" vroeg Edward Carrol.

»Geenszins," antwoordde Mars, »daar wij steeds bij de Sint John blijven."

»Bovendien," meende de jeugdige officier, »de nacht zal helder zijn, daar de hemel geheel wolkeloos is. De maan, die tegen negen uur opgaat, zal den geheelen nacht schijnen. Daarenboven is de bladerenkruin der cypressen zeer dun, zoodat de duisternis in dit woud zoo erg niet is als in ieder ander."

Men vertrok dus. Toen de dag aanbrak, maakte de kleine troep halt aan den voet van een buitengewoon dikken cypresboom, om te ontbijten.

Gedurende dien tweeden dag werd geen enkel spoor waargenomen, dat op de tegenwoordigheid van benden Zuidelijken of van zwervende troepen Seminool-Indianen kon duiden. Ook werd niets omtrent Texar of zijne makkers vernomen. Het was mogelijk dat de Spanjaard den linker-oever der rivier gevolgd had. Maar wat zou dat? Dat zou geen hinderpaal opleveren. Men begaf zich, of men den eenen of den anderen oever der Sint John volgde, even direct naar dat gedeelte van Beneden-Florida, hetwelk door het briefje van Zermah aangeduid werd.

Toen de avond viel, hield het troepje van James Burbank halt, en rustte gedurende zes uren.

Na middernacht werd de marsch in allerijl voortgezet. Niets deed zich voor, wat vertraging kon veroorzaken. Het woud was eenzaam en stil. De maan, die reeds den sikkelvorm vertoonde, wierp vreemde schaduwen door het ijle loof van het hooge geboomte. Het water der rivier murmelde zachtkens. Vele zandbanken werden aan de oppervlakte ontwaard, en het kwam allen voor, dat het niet moeielijk kon zijn den overkant der rivier te bereiken, wanneer dat noodig mocht geoordeeld worden.

Den volgenden morgen hervatte de troep, na eene rust van twee uren, den tocht steeds in zuidelijke richting. Intusschen raakte men dien dag den geleiddraad, dien men tot nu toe gevolgd had, kwijt. En inderdaad, de Sint John, die nog slechts een onbeduidend sprankje was, verdween onder een boschje kinaboomen, die zich aan zijne bron laafden. Verderop strekte zich het onmetelijke cypressenwoud uit en bedekte het drie vierde gedeelte van den omtrek van den gezichteinder.

Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken godsdienst bekeerd waren en tot in den dood trouw aan het Katholieke geloof gebleven waren. Hier en daar verhieven zich bescheiden eenige kruisen, sommigen van steen, anderen van hout, maar allen geplant op eene lichte zoeling van den grond, die de plaatsen der graven tusschen de boomen aanduidden. Hier en daar ontwaarde men enkele begraafplaatsen boven den grond. Dat waren lijken of geraamten, die aan in den grond geplante takken vastgebonden waren en naar den drang van den luchtstroom heen en weer wiegelden.

»Het bestaan van een kerkhof in deze streek," merkte Edward Carrol op, »duidt op de nabijheid van een dorp of een gehucht..."

»Dat evenwel niet meer bestaat," antwoordde Gilbert, »daar men er geen spoor van op onze kaarten vindt. Die verdwijning van geheele dorpen komt maar al te dikwijls in Beneden-Florida voor, hetzij dat zij door hunne bewoners verlaten werden, hetzij zij door de Indianen verwoest werden."

»Gilbert," vroeg James Burbank, »hoe zullen wij thans handelen, nu wij de Sint John niet meer tot gids hebben?"

»Wij moeten thans op het kompas marcheeren, vader," antwoordde de officier. »Hoe uitgebreid en hoe dicht dit woud ook moge wezen, is het onmogelijk dat wij daarin verdwalen."

»Welnu, voorwaarts dan, master Gib!" riep Mars uit, die vooral gedurende de halten en rusttijden ongeduldig en onrustig was. »Welnu, voorwaarts en dat God ons geleide!"

Toen men het Indiaansche kerkhof een halve mijl achter den rug had, trok de kleine troep het woud in, alwaar men slechts met behulp van het kompas kon marcheeren. De richting bleef zuidelijk.

Gedurende het eerste gedeelte van dien dag viel niets meldenswaardigs voor. Tot nu toe had niets dien onderzoekingstocht vertraagd of ook maar hinderpalen in den weg gelegd. Zou dat zoo tot het einde toe blijven? Zou men het doel, waarnaar men streefde, bereiken, of zou de familie Burbank aan de wanhoop ten prooi blijven? Het zou toch eene voortdurende marteling moeten heeten, wanneer de kleine Dy en Zermah niet gevonden werden, terwijl men wist aan welke ellende, aan welke vernederingen, aan welke beleedigingen zij blootgesteld waren, en dan zich bewust te zijn haar niet te kunnen verlossen!

Tegen het middaguur werd halt gemaakt.

Gilbert, die zorgvuldig den afstand berekende, dien men van het Washington-meer af had afgelegd, giste dan dat men zich nog op vijftig mijlen van het meer Okee-cho-bee bevond. Men was nu acht dagen onderweg sedert men Camdless-Bay verlaten had, en in die acht dagen had men driehonderd mijlen of ruim honderdveertig uren gaans afgelegd, hetgeen eene buitengewone snelheid mag genoemd worden. Het is waar, dat men op de rivier tot in de nabijheid harer bronnen en daarna in het cypressenbosch geene noemenswaardige hinderpalen of vertragingen had ondervonden. Gelukkig waren geene stortregens gevallen, die de Sint John door buitengewonen watertoevoer onbevaarbaar hadden kunnen maken, en de terreinen verderop hadden kunnen doorweken. Gelukkig hadden zij slechts heldere nachten en zeer veel nut van het maanlicht gehad; zoodat alles zoo gunstig mogelijk was medegeloopen.

Thans scheidde hen nog maar een betrekkelijk kleine afstand van het eiland Garneral. Men hoopte dat doel binnen tweemaal vier-en-twintig uren te bereiken. En dan zou de ontknooping, die evenwel niet te voorzien was, wel volgen.

Maar al had hun goed gesternte hen tot nu toe voor wederwaardigheden behoed, zoo moest master James Burbank er op bedacht zijn, dat men gedurende het tweede gedeelte van dien dag op bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou kunnen stuiten.

De tocht was, nadat men het middagmaal genuttigd had, onder den gewonen marschvorm hervat geworden. Niets ongewoons werd betrekkelijk de geaardheid van het terrein ontwaard.

Intusschen hield Mars des namiddags tegen vier uur ongeveer, plotseling halt. Toen zijne tochtgenooten hem ingehaald hadden, maakte hij hen opmerkzaam op voetstappen, die in den moerassigen grond afgedrukt waren. Men onderzocht die sporen ten nauwkeurigste.

»Er valt niet aan te twijfelen," zei master James Burbank, »een troep menschen is hier kort geleden voorbijgekomen."

»Een talrijke troep," vulde Edward Carrol aan.

»Van welken kant komen die voetstappen en waarheen richten zij zich?" vroeg Gilbert.

»Ja, van welken kant en waarheen? Dat is zoo gemakkelijk niet na te gaan," merkte master James Burbank op.

»En het is toch noodzakelijk, dat dit ten nauwkeurigste opgespoord worde," antwoordde zijn zoon.

»Waarom?" vroeg Edward Carrol.

»Omdat wij zonder stipte inlichting dienaangaande geen besluit kunnen nemen."

Dat begreep iedereen en de gevorderde nasporingen werden met de grootste nauwkeurigheid verricht.

Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters en zelfs verder kon men de indrukken van die voetstappen volgen. Het werd onnoodig geacht hen verder op te sporen. Uit de richting van die voetstappen bleek, dat een troep van ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd man, na de kuststreek van den Atlantischen Oceaan verlaten te hebben, dit gedeelte van het cypressenwoud doorgetrokken was. Die sporen werden in westelijke richting waargenomen en wendden zich naar de Golf van Mexico, zoodat die troep blijkbaar het geheele Floridasche schiereiland doorgetrokken was, dat op deze breedte niet minder dan tweehonderd mijlen uitgestrektheid van zee tot zee meet. Men merkte tevens op, dat dit detachement juist op dezelfde plek, die door Master James Burbank en zijne tochtgenooten thans bezet was, halt gemaakt en rust genoten had en dat het den marsch in dezelfde richting vervolgd had, welke onze opspoorders volgen moesten.

Gilbert Burbank waarschuwde zijne makkers, om tegen iedere verrassing waakzaam, tegen iederen overval op hunne hoede te zijn. Hij plaatste op een paar punten schildwachten, om het terrein voortdurend te overzien. Daarna ging hij, vergezeld van Mars, op verkenning uit, en kon, nadat hij even een kwart mijl door het bosch was gemarcheerd, constateeren, dat die voetstappen zich beslist in zuidelijke richting uitstrekten.

Ziet hier wat Gilbert Burbank rapporteerde, toen hij met Mars van zijne veldontdekking in het kampement teruggekomen was.

»Een troep menschen is ons vooruit, die van het Washington-meer af nauwkeurig denzelfden weg van ons volgt. Die troep is gewapend en het bewijs daarvan hebben wij gevonden in papieren patroonhulzen, die men gebezigd heeft, om de wachtvuren aan te maken, waarvan wij de asch en de gebluschte houtskolen aangetroffen hebben."

»Wie zijn die mannen?" vroeg zijn vader hem.

»Dat weet ik niet," antwoordde Gilbert Burbank. »Wat zeker is, dat is dat zij talrijk zijn en dat zij naar de Everglades marcheeren."

»Kunnen het geene zwervende Seminool-Indianen zijn?" vroeg Edward Carrol.

»Neen," antwoordde Mars beslist.

»Waaruit maakt gij dat op?"

»Hun voetafdruk wijst er duidelijk op, dat het Amerikanen zijn..."

»Misschien wel Floridasche militie-troepen?" merkte master James Burbank vragend op.

»Dat is inderdaad te verwachten," antwoordde de administrateur Perry.

»Waarom zou dat eerder te verwachten zijn dan de ontmoeting met Seminool-Indianen?" vroeg Edward Carrol.

»Omdat die Indianen slechts bij kleine troepen rondzwerven. En zooals gij ziet, is de troep, die hier voorbijtrok, vrij talrijk. Het kan zelfs de bende partijgangers van Texar niet zijn."

»Waarom niet?"

»Omdat ook die zoo talrijk niet is," antwoordde master Perry.

»Het zou toch kunnen zijn, dat zich een detachement militie-troepen bij hem en zijne partijgangers aangesloten had," meende Edward Carrol, »in welk geval die troep een paar honderd man sterk kon zijn..."

»Tegenover zeventien!..." zuchtte de administrateur.

»Om het even!" riep Gilbert Burbank uit. »Niemand onzer zal terugdeinzen, niet waar, hetzij wij aangetast worden, hetzij wij aanvallenderwijs te werk moeten gaan."

»Neen!... niemand onzer..." riepen de moedige tochtgenooten van den jeugdigen officier.

Dat werd geantwoord in een oogenblik van natuurlijke geestdriftvolle vervoering. En toch bij eenig nadenken moest een ieder tot het besef komen van den hachelijken toestand, waarin men zich bevond en hoeveel gevaren de omstandigheden konden doen geboren worden.

Toch verminderde die gedachte, in weerwil zij in ieders brein ontkiemde, niemands moed. Maar zoo'n hinderpaal zoo dicht bij het doel te ontmoeten, was dat niet om wanhopig te worden? En welke hinderpaal nog! Een detachement Zuidelijke troepen, misschien partijgangers van Texar, die poogden zich in de Everglades bij den Spanjaard te voegen, ten einde het gunstige oogenblik af te wachten om weer in het Noordelijk gedeelte van Florida te kunnen optreden.

Ja, dat was het, wat men voorzeker te duchten had. Dat gevoelden allen. Toen het eerste oogenblik van geestdrift voorbij was, zwegen dan ook allen stil en schenen, terwijl zij den jeugdigen aanvoerder aanstaarden, in nadenken verzonken en zich af te vragen, welke bevelen hij zou verstrekken.

Ook Gilbert was onder den indruk van de algemeene bekommering geraakt. Hij echter verhief fier het hoofd.

»Voorwaarts!" beval hij.

X.

ONTMOETING.

Ja! men moest voorwaarts marcheeren.

Evenwel, tegenover de schrikkelijke gebeurlijkheden, die men tegemoet trad, moesten alle mogelijke voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Het mocht voor onontbeerlijk gelden, dat de marsch behoorlijk verkend werd, dat geen verdachte stam van het cypressenwoud ononderzocht bleef, maar vooral dat men op iedere eventualiteit voorbereid bleef.

De wapens werden dus met de meeste zorg nagezien en in slagvaardigen toestand gebracht, gereed om ieder oogenblik benut te worden. Bij het geringste onraad zouden de eenmansvrachten op den bodem neergelegd worden, zoodat allen aan eene werkdadige verdediging deel konden nemen.

Wat de indeeling van het personeel gedurende den marsch betreft, deze onderging geene wijziging. Gilbert Burbank en Mars bleven de voorhoede uitmaken; zij bewogen zich evenwel op een grooteren afstand van den hoofdtroep, om ieder verrassend optreden van de tegenpartij bij tijds te kunnen verijdelen. Ieder was ten volle gereed zijn plicht te vervullen, ofschoon die brave lieden het hart in de borstkas ineenkromp, wanneer zij aan den hinderpaal dachten, die zich tusschen hen en hun doelwit had gesteld.

De marsch was niet vertraagd geworden. Intusschen had men het voorzichtig geoordeeld, niet de voetsporen te volgen, die steeds helder en duidelijk afgedrukt, bespeurd werden. Het werd beter geacht, niet op het detachement te stooten, dat dezelfde richting naar de Everglades volgde. Ongelukkig ontwaarde men al spoedig, dat dit pogen zeer moeielijk was. Want inderdaad, dat detachement marcheerde niet in rechtlijnige richting. De voetsporen duidden onwraakbaar aan, dat het vele wendingen ter rechter- en ter linkerzijde beschreef, waaruit de gevolgtrekking voortvloeide, dat er eene zekere aarzeling bij den marsch bestond.

Toch was de algemeene richting naar het Zuiden.

Andermaal was een dag voorbijgegaan, zonder dat zich iets meldenswaardigs had voorgedaan. Geen enkele ontmoeting had master James Burbank genoopt den marsch te staken. Men was met vluggen en stevigen tred voortgestapt en won blijkbaar op den troep, die zoowat in het cypressenwoud ronddwaalde. Dat ontwaarde men duidelijk uit de veelvuldige sporen, die zich van uur tot uur scherper en duidelijker afgedrukt vertoonden op dien plastischen bodem.

Niets was gemakkelijker geweest, dan het getal halten te bepalen, die hetzij om het middagmaal te gebruiken, hetzij om te rusten, gemaakt waren. In het eerste geval duidde het kruisen der sporen op een heen en weer geloop in alle richtingen; in het andere geval kon men aannemen, dat men den marsch slechts kortstondig gestaakt had, om over de te volgen richting te beraadslagen.

Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwkeurigheid na te gaan. Daar die sporen hen zeer veel wetenswaardigs konden mededeelen, sloegen zij ze met evenveel zorg gade als de Seminool-Indianen, die zoo scherpzinnig de geringste aanwijzingen op de terreinen, die zij bij hunne jacht- of krijgstochten doorkruisen, waarnemen.

Het was na een van die nasporingen, dat Gilbert Burbank in staat was stellig te verklaren:

»Vader, wij hebben thans de stellige zekerheid, dat noch Zermah noch mijne zuster deel uitmaken van den troep, die voor ons uit marcheert."

»Waaruit leidt gij dat af, Gilbert?" vroeg master James Burbank.

»Er wordt geen enkele afdruk van den hoef van een paard aangetroffen. Wanneer Zermah zich bij dien troep bevond, dan had zij te voet moeten gaan, terwijl zij mijn zusje in hare armen droeg. De afdrukken van hare voeten zouden dan gemakkelijk herkenbaar zijn geweest, alsook die van Dy, die toch gedurende de halten op den grond neergezet zoude zijn. Maar geen enkele afdruk van een vrouwen- of een kindervoet is waargenomen."

»Niet?"

»Neen, vader. Eene andere opmerking is, dat het ontwijfelbaar geacht moet worden, dat dit detachement van draagbare vuurwapens voorzien is. Op vele plaatsen waren toch de afdrukken der geweerkolven op den grond niet te miskennen. Ik heb zelfs opgemerkt, dat die kolven zeer veel overeenkomst met die der marine-geweren van de Noordelijken hebben. Het is dus waarschijnlijk, dat de Floridasche militie-troepen gewapend zijn geworden met geweren van datzelfde model. Anders is die bijzonderheid volkomen onverklaarbaar."

»En hebt gij nog meer opgemerkt, Gilbert?"

»Ja, vader, ook nog, en helaas dat is maar al te zeker, dat die troep op zijn minst genomen in getalsterkte tienmaal den onzen overtreft. Dus wij moeten, naarmate wij hem meer en meer naderen, met de meeste omzichtigheid te werk gaan!"

Er bleef niets anders over dan die aanwijzingen van den jeugdigen officier stipt op te volgen. Dat werd dan ook gedaan. Wat Gilbert's gevolgtrekkingen omtrent de talrijkheid en den vorm der indrukken betreft, die moesten nauwkeurig zijn. Dat de kleine Dy en Zermah geen deel uitmaakten van dat detachement, kon als stellig en zeker aangenomen worden, en was het wonder, dat men daaruit opmaakte, dat men zich niet op het spoor van den Spanjaard bevond? De mannen toch, die van de Zwarte-Kreek herwaarts gekomen waren, konden noch zoo talrijk, noch zoo goed gewapend zijn. Het scheen dus niet twijfelachtig te zijn, dat het een sterk detachement der Floridasche militie-troepen was, dat daar vooruitmarcheerde en zich naar de zuidelijke streken van het schiereiland, en dus naar de Everglades richtte, alwaar Texar zeer waarschijnlijk sedert gisteren of eergisteren was aangekomen.

Hoe men de zaak ook beschouwde, die troep, die daar vooruitmarcheerde, was voor master James Burbank en zijne tochtgenooten zeer te duchten.

Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. Die plek moest eenige uren vroeger bezet zijn geweest, zooals aangeduid werd door de overblijfselen van wacht- en keukenvuren, welker asch den tijd niet gehad had om af te koelen. Alles wees er op, dat die plek tot kampeerplaats gediend had.

Men kwam toen tot het besluit, om den tocht niet te hervatten dan wanneer de nacht gevallen zoude zijn. Het uitspansel, dat zwaar bewolkt was, zou zeer donker zijn. De maan, die in het laatste kwartier was, kwam eerst zeer laat op. Dat alles zoude veroorloven, het detachement onder de meest gunstige omstandigheden te kunnen naderen. Misschien zou het mogelijk zijn het te verkennen, zonder zelf bespeurd te worden, het om te trekken, terwijl men zich in het dichtste van het bosch verscholen hield, het vooruit te komen om in zuidwestelijke richting te marcheeren, ten einde het eerste het meer Okee-cho-bee en daarin het eiland Garneral te bereiken.

De kleine troep, die Gilbert Burbank en Mars steeds tot voorhoede had, vertrok tegen half negen en trok zoo stil mogelijk onder de loofkruinen der boomen en te midden eener dikke duisternis voort. Zoo stapte men gedurende twee uren ongeveer door, waarbij de voorzorg gebruikt werd de voeten zoo zacht mogelijk neer te zetten, om zich niet te verraden.

Het was zoo omstreeks half elf, toen master James Burbank, die zich met den administrateur Perry aan het hoofd van den hoofdtroep bevond, met een enkel woord het sein gaf om halt te houden. Gilbert en Mars waren toch in allerijl op den hoofdtroep teruggeweken. Allen wachtten ongeduldig maar volkomen bewegingloos de verklaring van dien plotselijken terugtocht af.

Die verklaring liet niet op zich wachten.

»Wat is er, Gilbert?..." vroeg master James Burbank.

»Shut!" waarschuwden de officier en Mars tot stilte.

»Maar wat hebt gij ontdekt?" vroeg James Burbank met gedempte stem.

»Een kampement onder de boomen opgeslagen en waarvan de vuren duidelijk zichtbaar zijn."