De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar

Chapter 11

Chapter 113,771 wordsPublic domain

Nu eens meenden zij een woonhuis te ontwaren, terwijl het slechts een muur van groen was, die zich als eene gordijn van den eenen boomstam naar den anderen uitstrekte.

Dan eens verbeeldden zij zich een man te zien, die hen onbewegelijk stond aan te kijken, en bij nader onderzoek was het slechts een oude stronk, die zonderling gegroeid was en wel eenige overeenkomst met een menschengestalte vertoonde.

Zij spitsten scherp hun gehoor.

»Want", sprak de een, »waar het oog faalt, kan het oor soms goede diensten bewijzen."

Dat was waar; want in die stilte der wouden is het minste gerucht voldoende om de tegenwoordigheid van een levend wezen te verraden.

Beiden waren een half uur later bij het Centraal-eilandje aangekomen.

Het bouwvallige blokhuis was zoo volkomen tusschen het struikgewas en door de slingerplanten verborgen, dat er hoegenaamd niets van te bespeuren was.

Het kwam hen zelfs voor, dat de kreek daar ten einde liep, dat de met takken en grasgewassen versperde kanalen niet meer bevaarbaar waren. Daar verrees ook eene dichte afsluiting van zwaar struikgewas tusschen de laatste kronkelingen van de vaarwaters en het moerassige woud, hetwelk zich over het geheele graafschap Duval op den linkeroever der Sint John uitstrekte.

»Het komt mij onmogelijk voor, verder te kunnen doordringen," merkte de mesties op.

»Mij ook, Mars."

»Het water ontbreekt daarenboven, master Gilbert..."

»En toch, wij hebben ons straks niet vergist..."

»Neen, dat hebben wij niet."

»Wij hebben wel degelijk sporen van landbouw waargenomen."

»Ongetwijfeld."

»Menschelijke wezens bezoeken deze kreek. Misschien waren zij er kort geleden."

»Ja, dat kan."

»Misschien zijn zij er nog."

»Ja, dat is ook mogelijk," hernam Mars, »maar het wordt zaak om, van hetgeen nog van den dag overblijft, gebruik te maken, om naar de Sint John terug te keeren. Dunkt u dat ook niet, master Gilbert?"

Deze antwoordde niet en scheen in gedachten verzonken.

»De nacht begint reeds in te vallen," ging de mesties voort, »en de duisternis zal weldra zwart zijn. Hoe zullen wij onzen weg in dit bochtige vaarwater weer vinden? Ik geloof, master Gilbert, dat het voorzichtig is terug te keeren. Wij kunnen dan onze nasporingen morgen ochtend bij het krieken van den dag hervatten. Laten wij, zooals wij gewoon zijn te doen, naar Castle-House wederkeeren. Wij zullen daar vertellen, wat wij gezien hebben. Wij zullen dan eene meer volledige verkenning organiseeren van de Zwarte Kreek, en wij zullen dat dan onder veel betere omstandigheden kunnen ondernemen."

»Ja, dat moet," antwoordde de jeugdige zeeofficier.

»Juist, master Gilbert."

»Maar toch wenschte ik, alvorens heen te gaan..."

Hij was blijven stilstaan en wierp nog een uitvorschenden blik onder het hooge geboomte. Hij steeg toen in de sloep en was op het punt om het bevel te geven om van den wal te steken, toen hem plotseling Mars met een gebaar weerhield.

De mesties bleef roerloos staan, spitste de ooren en luisterde.

Een kreet of beter uitgedrukt een soort van voortdurend gekerm, dat niet te verwarren was met de gewone bosch-geluiden, werd vernomen. Het was als een wanhoopsgil, als de klacht van een menschelijk wezen, die door hevig lijden ontwrongen werd. Men zou gezegd hebben, dat het 't laatste geroep was van eene stem, die op het punt was weg te sterven.

»Een mensch is daar!..." riep Gilbert Burbank uit.

Mars knikte bevestigend.

»Hij smeekt om hulp," vervolgde de jeugdige officier. »Hij is misschien stervende!"

»Ja," antwoordde Mars. »Wij moeten naar hem toe!... Wij moeten weten wie hij is!... Kom dadelijk de schuit uit!..."

Dat was terstond geschied.

Het vaartuig werd stevig vastgebonden. Gilbert Burbank en Mars sprongen op den oever en stoven onder het geboomte voort.

Daar troffen zij alras eenige sporen van een voetpad aan, dat tusschen de struiken door slingerde. Hier en daar kon men zelfs den afdruk van een menschenvoet waarnemen. Dat daar menschen geloopen hadden, was thans boven allen twijfel verheven.

Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. Zij luisterden. De klagende geluiden lieten zich nog steeds vernemen. Op dezen, op dezen slechts konden zij richting nemen.

Beiden hoorden ze andermaal en thans zeer dicht bij. In weerwil van de duisternis, die al meer en meer inviel, zou het niet onmogelijk zijn de plek te bereiken, waar dat gekerm geslaakt werd.

Plotseling weerklonk een nog pijnlijker kreet. Men kon zich omtrent de richting, die gevolgd moest worden, niet vergissen.

Gilbert Burbank en Mars drongen door een boschje van dicht struikgewas en bevonden zich toen in tegenwoordigheid van een man, die bij eene palissadeering uitgestrekt lag en het sterven nabij was.

Hij had een dolksteek in de volle borst ontvangen en een stroom bloed overdekte den ongelukkige. Met moeite bracht hij nog eenige zuchten uit. Blijkbaar had hij nog slechts weinige oogenblikken te leven.

Gilbert Burbank en Mars bukten zich over dien man. Deze opende de oogen, maar poogde tevergeefs op hunne vragen te antwoorden.

»Wij moeten dien man zien!" riep Gilbert uit. »Wij moeten zijn gelaat kunnen zien! Spoedig, eene flambouw... een vlammend stuk hout!..."

Mars had reeds een tak afgerukt van een der harshoudende boomen, die in grooten getale op het eilandje groeiden. Hij stak dien met een lucifer aan, en een rookachtige vlam verspreidde eenig licht in het donker.

Gilbert Burbank knielde naast den stervende neder.

Het was een neger, een slaaf, die nog zeer jong scheen. Zijn hemd was geopend en liet ter hoogte van de borst eene diep doordringende wond ontwaren, waaruit het bloed vloeide. Die wond moest doodelijk geacht worden, daar het lemmet van den dolk de long doorstoken had.

»Wie zijt gij?..." vroeg Gilbert.

Geen antwoord.

»Wie zijt gij?..." herhaalde Mars luider.

De lijder bewoog zich niet.

»Wie heeft u getroffen?"

De arme slaaf kon geen enkel woord meer uitbrengen, welke moeite hij daartoe ook aanwendde.

Mars zwaaide evenwel den brandenden tak, om licht te verspreiden, ten einde de plaats te verkennen, waar die gruwelijke moord bedreven was.

Hij ontwaarde toen de palissadeering, en door de potern, die openstond, de onduidelijke omtrekken van het blokhuis.

»Het fortje!" riep Mars uit.

Het was inderdaad de versterking van de Zwarte Kreek, waarvan het bestaan in dit gedeelte van het graafschap Duval zelfs niet meer vermoed werd.

En zijn meester bij den armen slaaf latende, die den doodsstrijd begonnen was, spoedde hij zich voort door de potern van het fortje.

Mars had niet veel tijd noodig om het innerlijke van het blokhuis te doorloopen. In een schier ondeelbaar oogenblik had hij alle vertrekken doorzocht, die allerwege op het centraal-reduit uitzicht verleenden. In een van die kamers vond hij de overblijfselen van een vuur, die nog rookten. Het fortje was dus kort geleden nog bewoond geweest. Maar door welk soort van lieden? Waren dat Floridianen of Seminolen, blanken of Indianen? Aan wie hunner strekte die versterking tot schuilplaats? Dat moest men, het koste wat het wilde, vernemen. Maar zou die gewonde, die stervende, dat kunnen mededeelen? Men moest weten, wie zijne moordenaars waren, die eerst ettelijke uren geleden de vlucht genomen hadden.

Mars kwam eindelijk weer buiten het blokhuis. Hij stapte langs de palissadeering rondom de afgesloten binnenruimte. Hij zwaaide zijn toorts onder iedere boomgroep, maar... hij ontwaarde niemand. Wanneer Gilbert Burbank en hij in den ochtend aangekomen waren, dan voorzeker zouden zij de bewoners van het fortje aangetroffen hebben. Thans was het te laat.

De mesties keerde naar zijn meester terug en deelde hem mede, dat zij zich thans bij het blokhuis van de Zwarte Kreek bevonden.

»Heeft die man u kunnen inlichten?" vroeg hij vervolgens.

»Neen..." antwoordde Gilbert Burbank.

»Waarom niet?"

»Hij is buiten kennis en ik twijfel er aan of hij zijn bewustzijn weer zal krijgen."

»Wij moeten toch alles beproeven, master Gilbert."

»Dat erken ik."

»Want het geldt hier een geheim, bij welks ontsluiering wij het grootste belang hebben."

»Inderdaad."

»En dat niemand zal kunnen openbaren, wanneer deze ongelukkige overleden zal zijn."

»Voorzeker, Mars. Maar laten wij hem in het fortje dragen. Dan zal hij wellicht tot bewustzijn komen... Wij kunnen hem toch niet hier op den oever den laatsten adem laten uitblazen."

»Neemt gij de flambouw, master Gilbert," antwoordde Mars. »Ik zal wel kracht genoeg bezitten om hem te dragen."

Gilbert Burbank greep den brandenden harsachtigen tak. De mesties tilde toen dat lichaam op, hetwelk niet veel meer was dan een beweginglooze klomp; klom de treden van de trap op, die naar de poterne voerde, schreed door de opening, die toegang tot de binnenruimte van de versterking verleende, en legde zijn last in een der vertrekken van het blokhuis neer.

Het hart van den ongelukkige klopte nog, hoewel zeer flauw en slechts met lange tusschenpoozen. De levensvonk ging ontbreken... Zou het geheim hem niet te ontlokken zijn vóórdat hij den laatsten zucht zoude geslaakt hebben?

De stervende was op eene laag gras neergelegd. Mars greep zijne veldflesch en bracht haren hals tusschen de lippen van den gewonde.

Die weinige droppels brandewijn schenen hem een weinig te verlevendigen. Hij opende de oogen en vestigde ze op Mars en op Gilbert Burbank, die ijverig in de weer waren om zijn leven aan den dood te betwisten.

Hij wilde spreken... Eenige onverstaanbare klanken ontsnapten aan zijne lippen... Een naam wellicht.

»Spreek!... Spreek!..." riep Mars.

De opgewondenheid, die den mesties beheerschte, was inderdaad onverklaarbaar. Het was of de uitslag van de taak, waaraan hij zijn leven gewijd had, geheel afhankelijk was van de laatste woorden van dezen stervende.

De jeugdige slaaf poogde herhaaldelijk maar steeds tevergeefs eenige woorden uit te brengen... De krachten daartoe schoten te kort...

In dit oogenblik voelde Mars, dat een stuk papier in den zak van den verwonde opgeborgen was.

Dit papier te grijpen, het bij het licht van den brandenden hars tak te lezen, in weerwil dat het met bloed gedrenkt was, dat alles was slechts het werk van een oogenblik.

Ettelijke woorden slechts waren er met houtskool opgekrabbeld. Het waren de navolgende:

»Door Texar bij de Marino-Kreek ontvoerd... Naar de Everglades overgebracht... en gevangen gehouden op het eiland Garneral... Dit briefje bestemd voor master James Burbank... toevertrouwd aan dezen jeugdigen slaaf."

Mars herkende dit schrift dadelijk.

»Van Zermah!..." zei hij.

Bij het hooren van dien naam opende de stervende de oogen en bewoog het hoofd, alsof hij dat gezegde wilde bevestigen.

Gilbert Burbank tilde hem een weinig op en ondervroeg hem:

»Van Zermah?"

»Ja!"

»En van Dy?"

»Ja!"

»Wie heeft u verwond?"

»Texar."

Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. Hij stiet een kreet uit, daarna nog een zucht, rekte zich uit en viel dood op zijn grasleger neder.

VIII.

VAN CAMDLESS-BAY NAAR HET MEER WASHINGTON.

Dienzelfden avond waren Gilbert Burbank en Mars nog vóór het middernachtelijk uur op Castle House teruggekeerd.

Maar welke moeielijkheden zij te overwinnen hadden gehad, om buiten de Zwarte Kreek te geraken, is eenvoudig onmogelijk om mede te deelen.

Toen zij het blokhuis verlieten, was de nacht reeds over het dal der Sint John gedaald. De duisternis was dan ook volkomen onder de dichte loofkruinen van die zoo begroeide lagune. Zonder een soort van instinct, dat Mars geleidde door de vaarwaters tusschen die eilandjes, welke in den zwarten nacht niet te onderscheiden waren, zouden geen van beiden de hoofdrivier teruggevonden hebben. Twintig malen raakte hun vaartuig op eene ondiepte vast, die onoverkomelijk was, en moest men terugkeeren, om een meer bevaarbaar kanaal op te zoeken en door te stevenen.

Men moest takken van harshoudend hout ontsteken en die op de voorplecht van het schuitje vastmaken, om zoodoende de vaart zoo goed mogelijk te verlichten. Maar de moeielijkheden werden buitengewoon groot, toen Mars op het punt meende aangekomen te zijn, waar de wateren van de Zwarte Kreek zich in de Sint John uitstortten. De mesties vond de plek niet meer terug waar de boeg van de sloep zich een weg door de rietstengels eenige uren vroeger gebaand had. Gelukkig was de eb ingetreden, zoodat het voldoende was het vaartuig aan den invloed van den stroomdraad over te laten, die het in zijn natuurlijk vergaarbekken zoude voeren.

Mars en Gilbert Burbank ontscheepten, na de twintig mijlen, die de Zwarte Kreek van de plantage scheidden, zoo spoedig mogelijk afgelegd te hebben, eindelijk op de pier van Camdless-Bay.

Men wachtte hen natuurlijk vol ongerustheid op Castle-House.

Noch James Burbank, noch een zijner huisgenooten waren naar hunne slaapvertrekken gegaan. Zij bespraken natuurlijk dat ongewoon lange uitblijven. Gilbert en Mars waren toch in den regel iederen dag bij het vallen van den avond te huis.

Waarom waren zij thans niet teruggekeerd?

Moest of mocht men daaruit opmaken, dat zij een nieuw spoor gevonden hadden? Zouden hunne pogingen eindelijk slagen?

O, wat was dat wachten pijnlijk en wreed!

Eindelijk kwamen zij aan, en toen zij de hall binnentraden, vloog het geheele huisgezin hen tegemoet.

»Welnu.... Gilbert...." riep master James Burbank hartstochtelijk uit.

»Vader," antwoordde de jeugdige officier. »Alice heeft zich niet vergist!... Het is wel degelijk Texar, die mijn zusje en Zermah ontvoerd heeft."

»Hebt gij er het bewijs van?"

»Ja!"

»Waar is het?"

»Lees!"

En Gilbert Burbank bood zijnen vader het verkreukt en bloederig papier aan, waarop de woorden, door de mestische vrouw gekrabbeld, te lezen stonden.

»Ja," zei hij, »thans is geen twijfel meer geoorloofd. Het is de Spanjaard! En hij heeft zijne beide slachtoffers naar het fortje vervoerd of doen vervoeren. Daar woonde hij, hetgeen niemand wist. Een arme slaaf, aan wien Zermah dat papier had toevertrouwd, om het naar Castle House over te brengen en van wien zij waarschijnlijk vernomen had, dat Texar naar het eiland Garneral zou vertrekken, heeft zijn voornemen om zich voor haar nuttig te maken met zijn leven geboet. Wij hebben hem stervende gevonden. Hij werd door de hand van Texar getroffen en thans is hij dood. Maar al zijn de kleine Dy en Zermah niet meer in de Zwarte Kreek, wij weten ten minste thans naar welk gedeelte van Florida men ze vervoerd heeft. Dat is naar de Everglades, en daar moeten wij heen om haar te verlossen. Morgen reeds, vader, morgen reeds moeten wij derwaarts vertrekken!..."

»Wij zijn gereed, Gilbert."

»Dus morgen!"

»Ja, morgen!"

De hoop was op Castle House weergekeerd. Men zou zich thans niet meer vergissen. Men zou thans niet meer op een dwaalspoor geraken. Men zou thans geene vruchtelooze pogingen meer ondernemen. Mevrouw Burbank werd geheel en al op de hoogte gebracht, en deze waardige moeder gevoelde zich bij die tijdingen als het ware herleven. Zij had de kracht om op te staan, om te knielen en een dankgebed tot God te richten.

Dus volgens de bekentenis van Zermah, was het Texar in persoon geweest, die de ontvoering van de kleine Dy in de Marino Kreek had gepleegd. Hij was het dus, dien miss Alice Stannard voor op de plecht van het vaartuig gezien had, toen dat naar het midden der rivier stevende.

En toch.... hoe was dat alles overeen te brengen, met het alibi, waarop de Spanjaard zich beroepen en wat hij bewezen had? Hoe kon hij op hetzelfde oogenblik, dat hij die misdaad bedreef, krijgsgevangene der Federalisten aan boord van een der kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont zijn?

Dat alibi moest ongetwijfeld valsch zijn, valsch evenals al de anderen waren.

Maar waarin bestond die valschheid? Hoe haar te bewijzen?

Zou men ooit het geheim vernemen van die alomtegenwoordigheid, waarvan Texar zoo behendig bewijzen scheen te kunnen afleggen?

Maar wat kon dat, alles wel beschouwd, schelen? Wat thans als bewezen kon aangenomen worden, was dat de mestische vrouw en het kleine meisje eerst naar het blokhuis van de Zwarte Kreek overgevoerd waren geworden en daarna naar het eiland Garneral.

Daar moest men haar zoeken. Daar moest men Texar overvallen. Ditmaal zou niets hem aan de straf kunnen onttrekken, welke zijne misdadige kuiperijen zoo dubbel en dwars verdiend hadden.

Er was bovendien geen tijd te verliezen.

De afstand van Camdless-Bay tot de Everglades is vrij aanzienlijk. Men zou verscheidene dagen noodig hebben, om hem af te leggen. Gelukkig dat, zooals meester James Burbank verzekerd had, de expeditie, die door hem uitgerust was, op en top gereed was om Castle House te kunnen verlaten.

Wat het eiland Garneral betrof, de kaarten van het Floridasche schiereiland gaven aan, dat het gelegen was in het meer Okee-cho-bee.

En wat de Everglades aangaat, aldus wordt eene moerassige landstreek genoemd, die aan het meer Okee-cho-bee grenst en een weinig ten zuiden van den zeven-en-twintigsten breedtegraad in het zuidelijkste gedeelte van den Staat Florida gelegen is.

De afstand tusschen Jacksonville en dat meer werd op vierhonderd mijlen of op honderdtachtig uren gaans gerekend. Verderop was de streek zeer weinig bezocht en op dat tijdstip bijna geheel onbekend.

Indien de Sint John tot aan haren oorsprong bevaarbaar ware geweest, dan zou die afstand in korten tijd en zonder groote moeielijkheden kunnen worden afgelegd. Maar zeer waarschijnlijk zou men den stroom slechts over een betrekkelijk klein gedeelte van zijne uitgestrektheid kunnen benutten, dat wil zeggen tot aan het George-meer of over een afstand van honderd-zeven mijlen ongeveer.

Verderop zouden op haren verhinderden loop kleine eilanden verschijnen, ondiepten, waartusschen geen vaarwater voldoende aangegeven was, armen en spruiten, soms drooggeloopen in den ebtijd. Waarlijk, een eenigszins diepgeladen vaartuig zoude daar ernstige hinderpalen of voor het minst aanmerkelijke vertragingen hebben ondervonden. Wanneer het intusschen mogelijk bleek, den stroom tot bij het meer Washington op te stevenen, dat wil zeggen ter hoogte van den acht-en-twintigsten breedtegraad, dwars van kaap Malabar, dan zou men reeds veel gewonnen hebben; want dan zou men het einddoel meer nabij gekomen zijn.

Intusschen mocht daarop niet te veel vertrouwd worden. Het beste was, om zich gereed te houden tot het afleggen van een afstand van tweehonderd-en-vijftig mijlen te midden van eene bijna eenzame landstreek, waar het kompas en alle andere hulpmiddelen, zoo onontbeerlijk voor eene expeditie, die met snelheid gevoerd moest worden, niet zouden mogen ontbreken.

Het was dan ook met het oog op dergelijke gebeurlijkheden, dat master James Burbank zijne voorbereidende maatregelen getroffen had.

Den volgenden ochtend, zijnde den 20sten Maart, stond het personeel der expeditie op de pier van Camdless Bay vereenigd, gereed om te vertrekken.

Master James Burbank en zijn zoon Gilbert hadden mevrouw Burbank, die hare kamer nog niet verlaten kon, vaarwel gezegd en omhelsd, evenwel niet zonder daarbij eene angstige gewaarwording te ondervinden. Miss Alice, haar vader master Walter Stannard en de onder-administrateurs van de plantage vergezelden hen. Zelfs Pyg was master Perry, voor wien hij thans eene zekere toegenegenheid koesterde, komen vaarwel zeggen. Hij herinnerde zich de lessen en de raadgevingen van den waardigen administrateur, ter zake van de bezwaren eener vrijheid, waarvoor hij zich nog niet rijp of geschikt gevoelde.

De expeditie was volgenderwijze samengesteld:

Master James Burbank, zijn zwager master Edward Carrol, die van zijn verwonding genezen was, zijn zoon Gilbert Burbank, de hoofdadministrateur Perry, Mars en een dozijn negers, uitgekozen onder de dappersten en onder de meest toewijdingsvollen van de geheele plantage--in het geheel zeventien personen.

Mars kende genoegzaam den loop der Sint John, om als loods dienst te doen, zoolang deze bevaarbaar bleef. Dat wil zeggen tot voorbij het George-meer. Wat de negers betreft, die waren gewoon met de roeiriemen om te gaan. Zij zouden zich met hunne krachtige armen van hunne taak behoorlijk weten te kwijten, wanneer de wind of de stroom hen in den steek zou laten.

Het vaartuig, dat onder de grootsten van Camdless-Bay uitgekozen was, kon een zeil voeren, dat, doelmatig getuigd, veroorloofde als het noodig was scherp bij den wind te loopen. Dat kon van onschatbare waarde gerekend worden, om het soms sterk kronkelende vaarwater te kunnen volgen. Het vaartuig was bewapend en had genoeg oorlogsmunitiën aan boord, om master James Burbank en zijne metgezellen volkomen gerust te stellen ten opzichte van de benden Seminool-Indianen, die nog in beneden Florida aangetroffen worden, en ten opzichte van de makkers van Texar, wanneer de Spanjaard namelijk eenigen hunner rondom zich verzameld mocht hebben.

Met eene dergelijke gebeurlijkheid moest inderdaad rekening gehouden worden, wilde men den goeden uitslag der expeditie niet in groot gevaar brengen.

Eindelijk was het oogenblik van scheiden daar; Gilbert omhelsde miss Alice, master James Burbank sloot haar ook in zijne armen, inderdaad alsof zij reeds zijne eigene dochter ware.

»Vader!..." kreet zij snikkende. »Gilbert!... breng onze kleine Dy terug!... Breng mij mijne zuster terug!"

»Ja, lieve Alice," antwoordde de jeugdige officier. »Ja, met Gods hulp en bescherming zullen wij haar terugbrengen! Reken daar op!"

Master Walter Stannard, miss Alice, de opzichters der plantage, alsook Pyg waren op de pier van Camdless-Bay verbleven, terwijl het vaartuig afstak.

Allen wenkten en wuifden ten afscheid tot het oogenblik, dat de noordwestenwind het zeil van het vaartuig vulde en dit laatste, door den opkomenden vloed voortgestuwd, achter de landspits verdween, die zich aan den eenen kant der Marino-Kreek vormde.

Het was toen ongeveer zes uren in den ochtend. Het vaartuig stevende een uur later het gehucht Mandarijn voorbij en bevond zich, zonder dat men van de roeiriemen had behoeven gebruik te maken, zoo omstreeks tien uren ter hoogte van de Zwarte-Kreek.

Het hart klopte allen in de borstkas, toen zij langs dien linkeroever der Sint John stevenden, waarover het hooggaande water van den vloed heen stroomde. Daar achter die rietstengels, die biezen, die dichte strooken van rhisophoren, met hunne lucht- en steltwortels, waren de kleine Dy en Zermah aanvankelijk gevangen gehouden geworden. Daar was het, dat Texar en zijne medeplichtigen haar gedurende meer dan veertien dagen zoo geheimzinnig verborgen hadden gehouden, dat geen spoor van hunne misdadige ontvoering achtergebleven was. Tien malen, ja meer waren master James Burbank, master Walter Stannard en later Gilbert Burbank en Mars den stroom op- en neerwaarts gestevend en hadden die plek daar bij de lagune voorbijgevaren, zonder te kunnen gissen, dat het oude blokhuis de ontvoerde geliefden tot verblijfplaats strekte.

Ditmaal was het niet noodig daar stil te houden. Men moest de nasporingen eenige honderden mijlen meer zuidwaarts uitstrekken. De wind blies wakker in het zeil en het vaartuig stevende de Zwarte-Kreek voorbij, zonder haar aan te doen.

De eerste maaltijd werd gemeenschappelijk genoten. De kisten, die men medegenomen had, bevatten voldoenden voorraad van verduurzaamde levensmiddelen, voor een twintigtal dagen. Een gedeelte daarvan was in eenmansvrachten afgedeeld, om vervoerd te kunnen worden, wanneer de tocht over land voortgezet moest worden. Eenige kampements benoodigdheden zouden veroorloven om halt te houden, hetzij bij nacht, hetzij bij dag, hetzij te midden der maagdelijke wouden, hetzij te midden der uitgestrekte moerassen, waarmede de oeverstreken der Sint John overdekt zijn.

Toen de vloed tegen elf uur ongeveer kenterde en de eb intrad, bleef de wind toch gunstig. Toch moest men de roeiriemen te water brengen, om dezelfde snelheid te bewaren. De negers aanvaardden hunne taak, en weldra schoot de boot, onder den aandrang van vijf paren krachtige armen, met spoed vooruit en stevende onverdroten den stroom op.