De stille kracht

Part 9

Chapter 93,904 wordsPublic domain

Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht; en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.... als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.

De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.

Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan [36] en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang [37] en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende de hiëratische lenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.... Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijn vóor zich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderen moesten zijn.

Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.

Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.

II.

De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is... Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel, plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie van den bloedvreemden, zielvreemden grond.

Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher met éen enkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt. Onuitgesproken hoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.

Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.

En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.

III.

Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.... Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels; ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten. Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.... Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s [38] tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar....

Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih [39] eensklaps uit de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, neêrhurkte, de semba maakte en sprak:

—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.

De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.

Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.

—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.

—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!

Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.

—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?

De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.

—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?

De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.... De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.... Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.

—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.

De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde: hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.... De stoet verdween in het donker.

Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.... Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.

Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.... Het kon niet anders.