De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 8
Ik dacht werkelijk, terwijl ik "Uncle Tom's Cabin" las, dat de schrijfster, toen zij het karakter van Tom beschreef, een slaaf voor den geest had gehad, met wien ik eenige jaren geleden in den Staat Mississippi kennis maakte, Oom Jacob geheeten. Ik vertoefde een paar dagen bij een planter, en toen ik in den avond op de werf was, hoorde ik in een der kwartieren een welbekend godsdienstig lied zingen en daarna eene biddende stem: en o, zulk een gebed! Welk een vuur, welk eene zalving--ja, die man bad wel waarlijk; en toen ik van Oom Tom las, hoe "niets de treffende eenvoudigheid, den kinderlijken ernst van zijn gebed kon overtreffen, in de taal der Heilige Schrift gekleed, die hem zoo geheel doordrongen scheen te hebben, dat zij als het ware een gedeelte van zijn eigen wezen was geworden," werd de herinnering aan dat avondgebed buitengemeen levendig bij mij. Toen ik weder in huis ging en sprak van wat ik gehoord had, antwoordde zijn meester: "O mijnheer, als ik iets in de wereld benijd, is het de godsdienst van Oom Jacob. Als er een braaf man op aarde is, is hij er zekerlijk een." Hij zeide dat Oom Jacob "regulator" op de plantaadje was; en dat een woord of blik van hem, tot de jongere slaven gerigt, meer indruk maakte dan een slag van den opzigter.
Den volgenden morgen onderrigtte Oom Jacob mij, dat hij uit Kentucky, tegenover Cincinnati, was; dat hij veel gelegenheid had gehad om de godsdienstoefening bij te wonen; dat hij op den ouderdom van ongeveer veertig jaren naar het Zuiden was verkocht en aan het katoenplukken gezet; hij kon, al deed hij zijn best, de hem gestelde taak niet plukken; werd gegeeseld en gegeeseld, hij kon met geene mogelijkheid zeggen hoe dikwijls; was van gedachte, dat de opzigter eindelijk tot het begrip kwam, dat met geeselen geen pond meer van hem te krijgen was, want hij zette hem aan het drijven van een wagenspan. Voor dit en ander werk was hij zoo goed als een ander. Hij had drie of viermalen van eigenaar verwisseld. Hij verklaarde zich zoo wel tevreden met zijnen tegenwoordigen toestand als hij verwachtte in het Zuiden te zullen zijn, maar verlangde zeer tot zijne vroegere betrekkingen in Kentucky terug te keeren.
HOOFDSTUK VII.
MISS OPHELIA.
Miss Ophelia is de vertegenwoordigster eener talrijke klasse der besten onder de bevolking van het Noorden; tot welke misschien onze Heer, indien Hij weder eenen brief aan zijne kerken mogt rigten, gelijk hij aan die van den ouden tijd deed, dezelfde woorden als toen zou bezigen: "Ik weet uwe werken en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden; en gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om mijns naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden. Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten."
Er bestaat in deze klasse van menschen werkzaamheid, ijver, onverzettelijke trouw aan hun geweten, heldere onderscheiding tusschen waarheid en dwaling, groote juistheid van redenering en zuiverheid van leer; maar er is gebrek aan dien geest der liefde, zonder welken in de oogen van Christus het volmaaktste karakter even gebrekkig is als eene van was gemaakte bloem--die geen leven en geene geur heeft.
Evenwel is dit gezegende beginsel niet dood in hunne harten, maar het slaapt slechts; en zoo groot is de wezenlijke en echte goedheid, dat wanneer de ware magneet der goddelijke liefde wordt aangewend, zij altijd aan zijne kracht gehoor zal geven.
Wanneer dus de zachtaardige Eva, die eene voorstelling der liefde van Christus in kinderlijke gedaante is, door een gezegend instinct terstond het vraagstuk oplost, hetwelk Ophelia in langen tijd en met de grootste moeite en inspanning niet heeft kunnen oplossen, bemerkt en erkent zij met haar goed en opregt hart dadelijk haren misslag en is zij gewillig om zelfs van een klein kind te leeren.
Miss Ophelia vertegenwoordigt wederom eene groote zonde, waaraan Amerikaansche Christenen, zonder het te weten, zich hebben laten schuldig worden. Zonder het te weten moet het zijn, want nergens heerscht het geweten zoo zeer als onder deze klasse, en nergens wordt opregter gestreefd om elke gedachte onder de gehoorzaamheid van Christus te brengen.
Eene der eerste en meest openlijk verklaarde bedoelingen van het evangelie is geweest, al die onredelijke scheidsmuren en vooroordeelen neer te werpen, welke de menschelijke broederschap in afgezonderde en oorlogende stammen verdeelen. Paulus zegt: "in Christus is niet Jood en Griek, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije." De Joden waren in dien tijd door eenen onoverkomelijken muur van vooroordeelen van de Heidenen gescheiden. Zij konden niet te zamen eten en drinken, niet te zamen bidden. Doch de apostelen arbeidden zeer ernstig om hen het zondige van dit vooroordeel te doen inzien. Paulus zegt tot de Ephesiërs, van deze vroegere verdeeldheid sprekende: "Hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels tusschen ons gebroken heeft."
Het is zeer gemakkelijk te zien dat, hoewel de slavernij in de Staten van Nieuw-Engeland is afgeschaft, zij echter de noodlottigste eigenschap van het stelsel heeft nagelaten--datgene wat de Amerikaansche erger dan de Romeinsche slavernij maakt--het vooroordeel van caste en kleur. In de Staten van Nieuw-Engeland wordt de Neger behandeld alsof hij tot een lager geslacht van wezens behoorde; genoodzaakt om op de plaats van godsvereering afzonderlijk te zitten; zijne kinderen van de scholen uitgesloten; hij zelf uitgesloten van den spoorwagen en den omnibus; en de eigenaardigheden van zijnen stam worden tot voorwerpen van bittere verachting en spotternij gemaakt.
Men heeft deze handelwijs geregtvaardigd door te zeggen, dat zij een verlaagd geslacht zijn. Maar hoe kwamen zij verlaagd? Neem welke klasse van menschen gij wilt, en ontzeg hun de middelen van opvoeding, ontneem hun hoop en gevoel van eigenwaarde, sluit voor hen alle paden van regtmatige eerzucht, en gij zult hen tot juist zulk een geslacht maken als de Negers onder ons geweest zijn.
Zoo zonderling en zoo treurig is de heerschappij van het vooroordeel over het menschelijk gemoed, dat belijders des Christendoms in onze Nieuw-Engelsche Staten dikwijls, met zeer gewigtige opoffering en zelfverloochening, het Evangelie gezonden hebben tot heidenen even donker van kleur als de Afrikanen, terwijl in hunne nabijheid personen van donkere kleur waren, aan welke om die kleur verboden was hunne kinderen ter school te zenden, terwijl zij zelven werden afgeschrikt om de kerken binnen te treden. Het gevolg daarvan is geweest, dat het geslacht verlaagd werd en verbasterde; en toen heeft men juist deze verlaging en verbastering als eene reden aangevoerd om in deze handelwijs te volharden.
Niet lang geleden bezocht de schrijfster eene menschlievende dame, en kwam bij dit bezoek het gesprek op de omstandigheden van eenen brand, die den vorigen nacht in de nabijheid had plaats gehad. Een ledig staand huis was tot aan den grond toe afgebrand. De dame zeide, dat men vermoedde dat het in brand was gestoken. "Welke reden kon iemand hebben, om het in brand te steken?" zeide de schrijfster.
"Wel," antwoordde de dame, "men meende dat eene familie van kleurlingen het stond te betrekken, en men dacht dat de buurt dit niet wilde toelaten. En dus vermoedde men dat dit de reden was."
Dit werd met alle eenvoudigheid en zeer onverschillig gezegd.
De schrijfster vroeg: "Heeft dat huishouden een slechten naam?"
"Neen, niet bijzonder, zoo ver ik weet," antwoordde de dame. "Maar het zijn Negers, weet ge!"
Nu is deze dame eene zeer godvreezende vrouw. Waarschijnlijk zou zij zichzelve verloocheningen willen opleggen, om het Evangelie aan de heidenen te zenden; en indien zij er ooit aan gedacht had om deze familie als eene heidensche te beschouwen, zou zij de grootste belangstelling voor hun welzijn hebben gevoeld, omdat zij wat haren pligt jegens de heidenen betrof dikwijls onderrigt van den predikstoel had ontvangen, en haar geweten en godsdienstig gevoel in dit opzigt wakker waren. Waarschijnlijk had zij nooit eene preek gehoord, waarin de groote waarheid verkondigd werd: "dat in Christus geen Jood of Griek, barbaar, Scyth, dienstknecht of vrije is."
Indien onze Heer nog op aarde was, gelijk Hij eens geweest is, hoe zou Hij dan waarschijnlijk handelen, ten opzigte van dit onchristelijk vooroordeel van kleur?
Er was eene klasse van menschen in die dagen, evenzeer veracht bij de Joden als de Negers bij ons; en tegen Christus werd de klagt ingebragt, dat Hij een vriend van tollenaren en zondaren was. En indien Christus bij eene avondmaalsbediening eene plaats van godsvereering binnentrad, en den kleurling achteraf alleen zag zitten, zou het dan niet juist in zijnen geest wezen om daar bij hem te gaan zitten, liever dan eene plaats onder zijne rijkere en meer welvarende broederen te nemen?
Het is echter niet meer dan billijk van onze noordelijke Christenen te zeggen, dat zij de zonde in onkunde en ongeloof begaan hebben, en dat sedert eenige jaren teekenen van eenen veel beteren geest zich beginnen te vertoonen. In sommige plaatsen zijn onlangs de deuren der schoolhuizen voor de kinderen geopend, en menige goede Miss Ophelia heeft de oogen verbaasd opgeslagen, toen zij vernam, dat er, terwijl zij getrouw de Missionary Herald las, en zich boter op haar brood en suiker in hare thee ontzeide om het Evangelie naar de Sandwichs Eilanden te helpen zenden, te huis in hare eigene buurt eene zeer bloeijende kolonie van heidenen bestond; en getrouw aan eigen goed en opregt hart, heeft zij besloten om hare gebeden en pogingen voor de heidenen buiten 's lands niet te staken, maar daarbij nog haren arbeid te voegen voor de heidenen te huis.
Onze veiligheid en hoop in dit opzigt bestaan hierin, dat er in al onze kerken zeer velen zijn, die waarlijk en opregtelijk Christus liefhebben, en die, zoodra een weinig nadenken hen hunnen pligt te dezen aanzien zal hebben doen kennen, dien met allen ernst zullen vervullen.
Het is waar dat zij, indien zij dit doen, misschien Abolitionisten zullen genoemd worden; maar de echte Miss Ophelia is niet bang voor eenen leelijken naam in eene goede zaak en heeft veeleer geleerd, "de smaadheid van Christus eenen grooteren schat te achten dan de rijkdommen van Egypte."
Dat er reeds veel door Christenen kan gedaan worden, om het zedelijke gevoel der maatschappij in dit opzigt wakker te maken, zal blijken wanneer men bedenkt, dat zulk een wel opgevoed en fatsoenlijk man als Frederick Douglass onlangs, terwijl hij in zwakke gezondheid verkeerde, genoodzaakt was om den nacht op het dek eener stoomboot door te brengen, omdat dit onzinnige vooroordeel hem van eene plaats in de kajuit beroofde; en dat een zeer werkzaam en nuttig geestelijke, Dr. Pennington van New-York, in den laatsten tijd zijne gezondheid dikwijls aan ernstig gevaar heeft moeten blootstellen door onder eene brandende zon te voet door zijn zeer uitgebreid kerspel te moeten rondgaan, om zijn herderlijk werk te verrigten, omdat hem het gewone gemak van den omnibus niet kon toegestaan worden, die alle klassen van blanken, van de beschaafdsten tot de laagsten en walgelijksten, vervoert.
Laten wij nu bedenken hoe groot het aantal belijders der godsdienst van Christus te New-York is, en ook bedenken, dat zij, door hunne belijdenis zelve, Dr. Pennington voor den broeder van hunnen Heer, en even als elk hunner voor een lid van het ligchaam van Christus houden.
Nu zijn deze Christenen aanzienlijk, rijk en magtig; zij kunnen de publieke meening dwingen in ieder opzigt dat zij van bijzonder belang achten, en zij belijden, volgens hunne godsdienst, "dat indien een lid lijdt, al de leden medelijden."
Het is eene ernstige vraag, of zulk eene in het oog vallende smaadheid, Christus en zijne prediking, in den persoon van eenen gekleurden broeder, zonder eenige tegenspraak van hunne zijde aangedaan, niet tot een algemeen gevoelen zal leiden, dat al wat de Bijbel over de vereeniging der Christenen zegt slechts een ijdele klank is en niets beteekent.
Zij die verlangend zijn om regtstreeks iets te doen ten einde den toestand der slaven te verbeteren, kunnen dit op geene andere wijs beter doen, dan door den staat der vrije kleurlingen om hen heen te verheffen, en alle moeite te doen om hun gelijke regten en privilegiën te verschaffen.
Dit onchristelijke vooroordeel heeft ongetwijfeld de emancipatie van honderden van slaven verhinderd. De slavenhouder, die het kwaad der slavernij gevoelt en erkent, is naar het Noorden gekomen, en heeft de blijken dezer liefdelooze en onchristelijke gezindheid jegens den slaaf gezien, en bij zichzelven aldus geredeneerd:
"Indien ik mijnen slaaf in het Zuiden houd, is hij, wel is waar, onder de heerschappij eener zeer gestrenge wet; maar hij geniet toch ook de voordeelen van mijne vriendschap en hulp, en krijgt door zijne betrekking tot mij en mijne familie, zekere soort van positie in de maatschappij. Als mijn bediende wordt hem eene plaats in den spoorwagen en aan de tafel toegestaan. Maar als ik hem emancipeer en naar het Noorden zond, zal hij wat het wezen der zaak betreft al de nadeelen der slavernij ondervinden, zonder meester om hem te beschermen."
Deze wijs van redeneren heeft menigeen tot verschooning gediend om zijne slaven in eenen toestand te houden, dien hij bekennen moet, dat slecht is; en men zal wel terstond begrijpen dat, indien de toestand van den Neger in onze noordelijke Staten in het oogloopend veranderd werd, zulks van grooten invloed zou zijn op het emanciperen van slaven. Zij die dit vooroordeel in stand houden, kunnen dus in zekeren zin gezegd worden slavenhouders te zijn.
Hiermede wordt niet bedoeld, dat alle onderscheidingen in de maatschappij moesten afgeschaft worden, en dat men verpligt zou wezen, zijnen vertrouwelijken omgang te kiezen uit eene klasse, door opvoeding en gewoonte daartoe ongeschikt.
De Neger moest niet boven zijnen kring verheven worden, omdat hij een Neger is; maar hij moest in zijnen kring met Christelijke beleefdheid behandeld worden. In den spoorwagen, in den omnibus en op de stoomboot, plaatsen alle rangen en klassen van blanken zich met onbelemmerde vrijheid naast elkander; en de Christelijkheid eischt den Neger hetzelfde voorregt te geven.
Dat de morsigste en onbeschaafdste vreemdeling of Amerikaan, met een adem die naar jenever ruikt, met vuile en havelooze kleeren, een onbetwijfeld regt zou hebben om in den spoorwagen en op de stoomboot naast iedereen plaats te nemen, en dat de fatsoenlijke, beschaafde, welgekleede Neger hiervan uitgesloten zou zijn, alleen omdat hij een Neger is, kan niet anders dan voor iets onredelijks en onchristelijks gehouden worden; en ieder Christen, die zoo iets in zijn bijzijn zonder tegenspraak en het aanwenden van zijnen Christelijken invloed, laat geschieden, zal zeker zijne dwaling diep gevoelen, wanneer hij eindelijk tot een persoonlijk onderhoud met zijnen Heer komt.
Er is in dit opzigt niets te hopen, indien de liefde van Christus niet krachtig genoeg is, en indien het niet ten aanzien der twee stammen kan gezegd worden: Hij is onze vrede, die beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels tusschen ons verbroken heeft.
De tijd nadert snel, wanneer de hoogste klassen der maatschappij moeten leeren, dat hunne opvoeding, rijkdom en beschaving niet hun uitsluitend eigendom zijn; dat zij geen regt hebben om die tot hun eigen baatzuchtig voordeel te gebruiken; maar dat zij die veel eer, gelijk Fenelon het uitdrukt, een "ministerie" moeten achten, een rentmeesterschap, dat hun ten behoeve hunner armere broederen is toevertrouwd.
In sommigen der hoogste kringen van Engeland en Amerika, beginnen wij schitterende voorbeelden te zien van het begin van zulk eenen staat van zaken.
Een der vorstelijke kooplieden van Boston, wiens lijkplegtigheid onlangs in onze stad gevierd is, gaf in zijn leven een schoon voorbeeld van deze waarheid. Zijn rijkdom was de rijkdom van duizenden. Hij was de rentmeester van weduw en wees. Zijn kapitaal was eene spaarbank, waarin de hulpbronnen der armen bewaard werden; en de rouwdragers bij zijne begrafenis waren de leerlingen der scholen die hij gesticht had, de beambten der letterkundige instellingen, die zijne mildheid had begiftigd, de weezen en weduwen, die hij raad en hulp had verleend, en de mannen, van allen rang en stand, die hij door zijne weldadigheid had doen gevoelen dat zijn rijkdom hun rijkdom was. Moge God vele mannen in Boston verwekken om in den geest en den arbeid van Amos Lawrence te treden!
Dit is het ware socialisme, dat uit den geest van Christus spruit, en zonder de bestaande rangen der maatschappij om te werpen, door liefde het eigendom en de bezittingen der hoogere klasse tot het eigendom der lagere maakt.
De menschen zoeken altijd hunne hervormingen met het uitwendige en stoffelijke te beginnen. Christus begint zijne hervormingen in het hart. De menschen zouden alle rangen der maatschappij willen afbreken, en alle eigendom in een algemeenen voorraad werpen; maar Christus wil de hoogere klasse met dien Goddelijken Geest vervullen, door welke alle rijkdommen, middelen en voordeelen van hunnen stand ten nutte van de lagere gebruikt worden.
Wij zien ook in de hoogste aristocratie van Engeland voorbeelden van dezelfde rigting.
Onder den oudsten adel van dat land beginnen verhandelaars voor handwerkslieden en voorstanders van havelooze scholen op te staan; en men zegt dat zelfs op den troon van Engeland eene vrouw is, die wekelijks hare klasse van zondagscholieren, uit de kinderen in den omtrek van haar landverblijf, onderwijst.
Op deze wijze, en niet door eene uitwendige, stoffelijke verdeeling van eigendom zal men alle dingen gemeen hebben. En wanneer de blanke stam zijne meerderheid boven den gekleurde alleen als een talent zal beschouwen, hem ten behoeve van zijnen zwakkeren broeder toevertrouwd, dan zal het vooroordeel van caste in het licht des Christendoms verdwijnen.
HOOFDSTUK VIII.
MARIE ST. CLARE.
Marie St. Clare is de type eener klasse van vrouwen, die niet bijzonder aan eenig gewest of eenigen maatschappelijken toestand eigen zijn. Zij kan in Engeland en in Amerika gevonden worden. In de noordelijke Staten hebben wij vele Marie St. Clares, meer of minder volkomen ontwikkeld.
Wanneer zij op eene noordelijke breedte wordt aangetroffen, is zij altijd ontevreden over hare huiselijke omstandigheden. Hare bedienden doen nooit iets goeds. Vreemd genoeg, zij zijn niet volmaakt, en dit houdt zij voor zeer schandelijk. Zij is ten volle overtuigd, dat zij alle zedelijke en Christelijke deugden in hare keuken behoorde te hebben voor wat minder dan het gewone loon; en wanneer hare keukenmeid haar verlaat, omdat zij in een naburig huishouden beter loon voor minder werk kan bekomen, vindt zij dit gedrag ontzettend baatzuchtig en slecht. Zij is van meening, dat bedienden volmaakt belangloos behoorden te zijn; dat zij gewillig behoorden te wezen om de slechtste kamers in het huis met zeer matig loon en bijna slecht voedsel voor lief te nemen, wanneer zij het elders beter kunnen krijgen, alleen om haar genoegen te doen. Zij heeft gaarne vreemde dienstboden, die onze manieren nog niet hebben geleerd, die gewoon zijn voor gering loon te werken en bijna met alles tevreden zijn; maar dikwijls hoort men haar klagen, dat zij spoedig bedorven worden, en zooveel voorregten willen hebben als iemand anders, Marie wenscht dikwijls, dat zij slaven kon houden, of ergens woonde, waar de lagere klasse omlaag wordt gehouden, en men dienstboden hunne plaats leert kennen. Zij maakt altijd jagt op goedkoope naaisters, en zal u als een geheim vertellen, dat zij eene vrouw heeft ontdekt, die heerlijk linnen hemden naait, de hals- en mouwboorden dubbel stikt, en dat alles voor zeven en dertig cents, terwijl vele naaisters er een dollar voor krijgen; zij zegt dat zij het doet, omdat zij arm is en geene betrekkingen heeft; maar zij denkt dat gij moet oppassen als gij met haar spreekt, en haar niet laten merken wat de prijzen zijn, of anders zal zij bedorven worden--die naaisters zijn zoo inhalig. Als Marie St. Clare het ongeluk heeft van in een vrijen Staat te wonen, is er geen eind aan hare rampen. Hare keukenmeid gaat telkens heen om beter loon en een gemakkelijker dienst te zoeken; hare werkmeid, vreemd genoeg, heeft geen zin om voor half loon werkmeid en naaister te gelijk te zijn, en deserteert dus. Marie's keukenkabinet is dus altijd in een staat van revolutie, en dikwijls verklaart zij, met aandoenlijken ernst, dat de dienstboden de kwelling van haar leven zijn. Indien haar echtgenoot bedenkingen wil maken of eene andere manier van behandeling aanraden, is hij een hardvochtig, gevoelloos man, hij houdt niet van haar en hij heeft nooit van haar gehouden; en zoo wordt hij afgescheept.
Doch wanneer Marie onder een stelsel van wetten komt, dat haar eene volstrekte magt over hare afhangelingen geeft, dat haar in staat stelt om hen naar haar believen van hunne dierbaarste betrekkingen te scheiden, of hun de schandelijkste en pijnlijkste straffen op te leggen, zelfs zonder dat bedwang, hetwelk het zien der uitvoering daarvan mogelijk zou kunnen te weeg brengen--dan is het, dat dit karakter tot volle rijpheid komt. De natuur van den mensch is in het Zuiden niet erger dan in het Noorden; maar de wet in het Zuiden beschermt en vergemakkelijkt de ergste verkeerdheden, waaraan die natuur onderhevig is.
Dikwijls veronderstelt men, dat de huiselijke dienstbaarheid in de slavenstaten eene soort van paradijs is; dat huisbedienden altijd verwende gunstelingen zijn; dat jonge meesteressen altijd veel van hare "mammies" houden, en dat jonge meesters altijd even goedhartig en inschikkelijk als welgemaakt zijn.
Laat iedereen in Oud-Engeland of Nieuw-Engeland onder zijne onmiddellijke bekenden rondzien, en vragen hoe velen er zijn, die een volstrekte despotieke magt in een huisgezin zachtzinnig zouden gebruiken, vooral over eene klasse, door dienstbaarheid verlaagd, onkundig, traag, bedriegelijk, onbeschaamd, gelijk slaven bijna noodwendig zijn en altijd moeten zijn.
Laat hij in zijn eigen hart zien en zichzelven vragen of hij zich met zulk eene magt zou durven vertrouwen. Vindt hij in zichzelven geene verzoeking om onbillijk te zijn voor zijne minderen en afhangelingen? Vindt hij zichzelven niet genegen om heftig en wrevelig te worden, wanneer de dienst in zijn huis achteloos wordt verrigt? En indien hij de magt had om wreede straften aan te doen, of te doen aandoen door den schuldige naar eene plaats van tuchtiging te zenden, zou hij dan niet in verzoeking komen om van die vrijheid gebruik te maken?
Wat die vernederende straffen aangaat, welke aan vrouwen opgelegd worden, door haar naar geeselaars van beroep te zenden, of zulke lieden aan huis te laten komen--gelijk John Caphart getuigt, dat te Baltimore met hem dikwijls het geval was--wat kan er gezegd worden van haren invloed, zoowel op de hoogere als op de lagere klasse? Het is inderdaad pijnlijk, dit onderwerp te beschouwen. Het gemoed deinst onwillekeurig er voor terug; maar het is toch eene zeer ernstige vraag of het niet onze pligt is dat pijnlijke door te staan, ten einde ons medelijden tot levendiger werkzaamheid op te wekken. Om deze reden deelen wij hier de getuigenis van eenen heer mede, wiens naauwkeurigheid niet zal betwijfeld worden, en die zichzelven aan de pijniging onderwierp van in de "calaboose" te Nieuw-Orleans van zulk een tooneel getuige te zijn. Gelijk de lezer uit het verhaal zal zien, was het een zoo dikwijls voorkomend tooneel, dat het geene bijzondere aandacht trok, of eenige uitdrukking van medelijden uitlokte bij menschen van denzelfden staat en dezelfde kleur als de lijderes.