De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 7

Chapter 73,782 wordsPublic domain

Een laatste voorbeeld, met dat van Oom Tom overeenstemmende, is te vinden in de gedenkschriften, door den eerwaardigen Josiah Henson uitgegeven, die thans, gelijk wij gezegd hebben, een geestelijke in Canada is. Hij werd in den Staat Maryland "opgebragt." Zijne eerste herinneringen waren, dat hij zijnen vader verminkt en met bloed bedekt zag, daar hij de straf had ondergaan, door de wet bepaald op de misdaad van hem, die de hand tegen eenen blanke opheft--die blanke was de opzigter, die beproefd had aan zijne moeder geweld te plegen. Deze straf deed zijnen vader stuursch en gevaarlijk worden, en hij werd daarna naar het Zuiden verkocht, en aldus voor altijd van vrouw en kinderen gescheiden. Henson groeide in eenen staat van heidensche onkunde op, zonder eenig godsdienstig onderrigt, tot hij in eene veldpredikatie voor het eerst den naam van Jezus Christus hoorde, en diep getroffen werd door het groote nieuws, dat Hij voor alle menschen, slaven zoowel als vrijen, den dood had ondergaan. Deze tijding bragt eene onmiddellijke bekeering voort, gelijk die, waarvan wij in de Handelingen der Apostelen lezen, waar de kamerling, na één gesprek, de geschiedenis des kruises gehoord hebbende, terstond gelooft en gedoopt wordt. Henson werd niet alleen terstond een Christen, maar begon ook het nieuws aan anderen mede te deelen; en daar hij een man van buitengemeen natuurlijke kracht van geest en karakter was, slaagde hij zoo gelukkig in zijne ernstige pogingen, om zijne heidensche broeders te verlichten, dat hij langzamerhand den post van neger-prediker op zich nam; en hoewel hij geen woord van den Bijbel of het gezangboek kon lezen, was zijn arbeid in dezen kring zeer voorspoedig. Hij werd terstond een zeer kostbare slaaf voor zijnen meester, en door dezen met het opzigt over het geheele goed vertrouwd, dat hij met veel oordeel en voorzigtigheid beheerde. Zijn meester schijnt in alle opzigten een zeer alledaagsch mensch te zijn geweest, geheel buiten staat om hem uit een ander oogpunt te beschouwen, dan als een zeer kostbaar eigendom, zoodat zijn buitengewone trouw geen ander gevoel bij hem opwekte, dan het verlangen om zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. Toen zijne zaken achteruit gingen, werd hij geraden om al zijne Negers naar Kentucky te vervoeren, en hij vertrouwde het bewerkstelligen daarvan geheel aan zijnen opzigter toe. Henson zou hen alleen, zonder eenig ander geleide, uit Maryland naar Kentucky brengen, eenen afstand van eenige duizend mijlen, en gaf alleen zijne belofte als een Christen, dat hij deze taak getrouw zou verrigten. Op weg daarheen kwamen zij door een gedeelte van Ohio, en daar werd Henson onderrigt, dat hij nu zijne eigene vrijheid en die van al zijne makkers kon verzekeren, en werd hij sterk gedrongen om dit te doen. Hij kwam in zware verzoeking en beproeving, maar zijne Christelijke beginselen bleven onwankelbaar. Niets kon hem bewegen om te denken, dat het een Christen geoorloofd was, eene plegtig gegevene belofte te schenden, en zijn invloed op den geheelen troep was zoo groot, dat hij hen allen mede naar Kentucky bragt. Die casuïsten onder ons, die in den jongsten tijd schijnen te denken en te leeren, dat het ons geoorloofd is de duidelijke geboden van God te schenden, wanneer daardoor een groot algemeen goed kan bewerkt worden, mogten wel eens nadenken over de onwankelbare beginselen van dezen armen slaaf, die, zonder een woord van den Bijbel te kunnen lezen, toch in staat was tot deze verhevene daad van zelfverloochening uit gehoorzaamheid aan de geboden des Bijbels. Vervolgens werd zijn meester, in een oogenblik van weekhartigheid, door eenen vriend overgehaald, om hem voor vier honderd dollars zijne vrijheid te verkoopen; maar toen zijne aandoening bedaard was, speet het hem, dat hij zulk een kostbaar stuk eigendom voor zulk eene geringe vergoeding uit zijne handen had gegeven. Hij maakte dus door eene onwaardige kunstgreep de vrijbrieven van zijnen dienaar in zijn bezit te krijgen, en bleef hem toch in hopelooze slavernij houden. Toen naderhand zijne zaken nog meer achteruit gingen, zond hij zijnen zoon de rivier af met eene schuit met vee en veldgewas, voor de markt van New-Orleans bevracht, en belastte hem Henson mede te nemen, en dezen, nadat hij het vee en de schuit verkocht had, insgelijks te verkoopen. Des Negers geheele ziel kwam tegen dit gruwelijke blijk van ondankbaarheid, onregtvaardigheid en wreedheid in opstand, en terwijl hij voor het uitwendige kalm bleef, streed hij innerlijk met de bitterste verzoekingen, welke hij, daar hij den Bijbel niet lezen kon, alleen door de herinnering van deszelfs heilige waarheden en ernstige gebeden kon bekampen. Toen hij de markt van New-Orleans naderde, zegt hij, dat deze ziele-stuiptrekkingen toenamen, vooral toen hij eenigen zijner oude makkers uit Kentucky ontmoette, wier wanhopige gezigten en vermagerde gestalten van zwaar werk en ongenoegzaam voedsel spraken, en het ergste, dat hij van het lage land gevreesd had, bevestigden. In zijne vlagen van wanhoop, drong de verzoeking hem nog sterker, om zijnen jongen meester en den anderen op de schuit in hunnen slaap te vermoorden, zich zoo van de boot meester te maken en te ontvlugten. Hij verhaalt aldus het tooneel, toen hij bijna tot de volvoering van deze daad werd gedreven:

In eenen donkeren, regenachtigen nacht, op weinige dagen afstands van New-Orleans, scheen mijn uur gekomen te zijn. Ik was alleen op het dek; Mr. Amos en de anderen waren allen beneden in slaap, en ik kroop stil naar omlaag, nam eene bijl, trad de kajuit binnen, en daar met hulp van het flaauwe licht naar mijne slagtoffers zoekende, vielen mijne oogen op Mr. Amos, die het digtst bij mij was; mijne hand gleed langs de steel der bijl, ik hief haar op, om den noodlottigen slag te doen, toen de gedachte mij inviel: "Wat, moord plegen! En gij een Christen?" Ik had het te voren geen moord genoemd. Het was slechts zelfverdediging--het was anderen te verhinderen, om mij te vermoorden--het was verschoonbaar, het was zelfs prijzenswaardig. Maar nu op eens overstelpte mij de waarheid, dat het eene misdaad was. Ik wilde eenen jongman dooden, die niets gedaan had om mij te benadeelen, maar bevelen gehoorzaamde, die hij niet kon wederstaan; ik was op het punt om de vrucht van al mijne pogingen tot zelfverbetering te verliezen, den goeden naam, dien ik verworven had, en de gemoedsrust, die mij nooit had verlaten. Dit alles kwam mij oogenblikkelijk te binnen, en met eene duidelijkheid, die mij bijna deed denken, dat het mij in het oor werd gefluisterd; en ik geloof dat ik zelfs mijn hoofd omkeerde, om te luisteren. Ik deinsde terug, legde de bijl neêr, kroop weder naar het dek, en dankte God, gelijk ik sedert dagelijks gedaan heb, dat ik geen moord had gepleegd.

Mijn gemoed was nog bewogen, maar het was eene beweging van geheel anderen aard. Schaamte en berouw over het oogmerk, dat ik gekoesterd had, vervulden mij, en daarbij kwam de vrees, dat mijne makkers dit op mijn gezigt zouden lezen, of dat een onbedacht woord mijne misdadige gedachten zou verraden. Ik bleef den geheelen nacht op het dek, in plaats van een der lieden te wekken, om mij af te lossen; en niets bragt mijn gemoed tot bedaren, dan het plegtige besluit dat ik opvatte, om in den wil van God te berusten, en met dankbaarheid, indien ik kon, of toch met onderwerping aan te nemen, wat Hij beslissen mogt, dat mijn lot moest wezen. Ik bedacht dat ik, indien mijn leven verkort werd, des te minder te lijden zou hebben, en dat het beter was met de hoop eens Christens en een gerust geweten te sterven, dan te leven met de onophoudelijke herinnering eener misdaad, die de waarde des levens zou vernietigen, en onder den druk van een geheim, dat alle genoegen zou smoren, hetwelk ik van de vrijheid en alle andere zegeningen verwachten kon.

Vervolgens werd zijn jonge meester zwaar ziek aan de rivierkoorts, en zoo hulpeloos als een kind. Hij smeekte Henson met hartstogtelijke aandoening, om hem niet te verlaten, maar voor het verkoopen der schuit en der goederen te zorgen, en hem aan boord der stoomboot te brengen, en hem levend of dood niet te verlaten, voordat hij hem weder bij zijnen vader had gebragt.

De jonge meester werd in de armen van zijnen trouwen dienaar naar de stoomboot gedragen, en daar, gedurende de reis op de rivier, met onvermoeide oplettendheid door hem opgepast; ook verliet Henson hem niet, eer hij hem in de armen van zijnen vader had gebragt.

Onze liefde voor de menschheid doet er ons met smart bijvoegen, dat al deze belangloosheid en goedheid alleen met ijdele loftuitingen, gelijk men aan een zeer fraaijen hond geven zou, werden beloond. Henson besloot met verontwaardiging, om zich niet langer aan het onregt te onderwerpen. Met eene mate van voorzigtigheid, moed en beleid, waarvan men in de geschiedenis bezwaarlijk een voorbeeld zou vinden, wist hij met zijne vrouw en twee kinderen naar Canada te ontkomen. Hier leerde hij lezen, en door zijne talenten en geschiktheid tot het beheer van zaken, legde hij den grondslag tot de volkplanting van vlugtelingen te Dawn, welke men verneemt dat eene der welvarendste in Canada is.

Het zou voor de meest beschaafden onder ons nuttig zijn te vragen, of onze tien talenten ten opzigte van godsdienstige kennis ons in staat hebben gesteld, om zooveel vrucht ter eere van God voort te brengen, om zoo geduldig verzoekingen te wederstaan, om zoo belangeloos kwaad met goed te vergelden, als deze arme, onkundige slaaf. Een schrijver in Engeland heeft smalend aangemerkt, dat zulk een man als Oom Tom, wel zendeling mogt worden, om de meest beschaafden in Engeland of in Amerika den waren aard der godsdienst te leeren. Deze voorbeelden bewijzen dat datgene wat zoo smalend is gezegd, in ernst de waarheid is; en het behoorde nooit vergeten te worden, dat uit dit geslacht, door de menschen veracht, dikwijls door God ware boden zijner genade en tempelen tot woonstede van Zijnen Geest zijn gekozen.

"Want alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van eenen verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden."

Het visioen aan Oom Tom toegeschreven, brengt ons tot een bijzonder zielkundig verschijnsel bij het negergeslacht, eene eigenaardigheid die veel afdoet om te bewijzen hoezeer zij van den stam der blanken verschillen. Zij bezitten een bijzonder prikkelbaar en ligt aandoenlijk zenuwgestel. Hunne gewaarwordingen en aandoeningen zijn zeer levendig, hunne verbeelding wordt ligt opgewonden. In dit opzigt heeft deze stam een oostersch karakter, en verraadt zijnen tropischen oorsprong. Gelijk de oude Hebreërs en de oostersche volken van den tegenwoordigen tijd, gevoelen zij en ontboezemen zij hunne aandoeningen met de grootste levendigheid van uitdrukking, en geheel hun ligchaamsgestel neemt deel aan de beweging van hun gemoed. Wanneer zij bedroefd zijn, heffen zij in den eigenlijken zin hunne stem op om te schreijen, en "schreeuwen met een grooten en bitteren schreeuw gansch zeer." Wanneer zij schrikken, worden zij dikwijls als verlamd en geheel hulpeloos. Hunne godsdienstige oefeningen worden allen door dit buitengemeen gevoelige en levendige temperament gekleurd. Gelijk de oostersche volken, zijn zij zeer genegen tot uitwendige vertooningen, heftige gebaren en ontroerde ligchaamsbewegingen. Somtijds springen zij in hunne godsdienstige bijeenkomsten verscheidene malen achtereen van den grond op, met eene kracht en snelheid, die werkelijk verbazend zijn. Zij lagchen, schreijen, omhelzen elkander hartstogtelijk, en krijgen somtijds stuiptrekkingen of vlagen van verlamming. Een geestelijke uit het Noorden, berispte een uit het Zuiden, dat hij zulke buitensporigheden in zijne gemeente toe liet. Het antwoord van den prediker uit het Zuiden, was hoofdzakelijk dit: "mijnheer, ik ben overtuigd dat de stammen zoo wezenlijk verschillend zijn, dat zij niet volgens dezelfde regelen kunnen bestuurd worden. In het eerst dacht ik even als gij; en hoewel ik zag dat er opregte bekeeringen plaats hadden, met al deze vertooningen, hinderden zij mij toch zoodanig, dat ik ze onder mijne negers verbood, tot dat ik mij overtuigde dat het onderdrukken daarvan eene ernstige belemmering was voor het ware godsdienstige gevoel; en toen werd ik overtuigd, dat alle menschen in hunne godsdienstige oefeningen niet aan éénen regel kunnen gebonden worden. Ik ben zeker, dat bekeeringen, met deze bijzaken tot stand gekomen, evenzeer echt kunnen zijn, en even veel invloed op het hart en leven kunnen uitoefenen, als die op eenige andere wijze volbragt worden." De zaak is, dat de Anglo-Saksische stam,--koel, redenerend en practisch--nog verdraagzaamheid voor de eigenaardigheden van andere stammen moet leeren; en misschien was het met een voorzigt van hun eigenaardig karakter, en hunne heerschende stelling op de aarde, dat God hun den Bijbel gaf in de vurige taal en met de gloeijende beelden der meer aandoenlijke en hartstogtelijke oostersche geslachten.

Magnetiseurs hebben bevonden, dat de negers bijzonder vatbaar zijn voor al die invloeden, welke zinverdooving, magnetischen slaap en verschijnselen van gedeeltelijke clair-voyance voortbrengen.

De Afrikanen gelooven in hun eigen klimaat aan betooveringen, aan "fetish en obi," aan het booze oog, en andere zonderlinge werkingen, waarvan waarschijnlijk de reden in de eigenaardigheid van hun gestel is te zoeken. De toovenaars in de bijbelsche geschiedenis waren Afrikanen, en de zoogenoemde magische kunsten worden nog in Egypte en andere deelen van Afrika uitgeoefend, met eene bekwaamheid en een gevolg, welke alleen verklaard kunnen worden door het veronderstellen van eigenaardigheden in het zenuwstelsel, geheel verschillend van die der blanken. Deze kenmerkende trekken der stammen overwegende, is het niet te verwonderen, wanneer men in hunne godsdienstige aandoeningen, als hun gemoed door den krachtigen prikkel der Christelijke godsdienst wordt aangedaan, zeer eigenaardige verschijnselen vindt. Het bevreemdt ons niet in de verhalen hunner godsdienstige bevindingen te hooren, van hemelsche stemmen, van geheime sympathieën en overstortingen van kennis van het eene hart in het andere, zonder tusschenkomst der zinnen, of van wat de kwakers noemen, "gedoopt te worden in den geest van afwezigen."

Gevallen van dien aard komen in hunne geschiedenissen gedurig voor. De jongman wiens geschiedenis aan de dame van Boston werd verhaald, en in het hoofdstuk over George Harris is medegedeeld, verhaalde met betrekking tot zijne bevrijding, de volgende omstandigheid: dat hij na het vertrek zijner vrouw en zuster, langen tijd en zeer ernstig eene gelegenheid zocht, om te ontsnappen, maar dat elke uitweg voor hem gesloten scheen. Eindelijk ging hij in wanhoop naar zijne kamer en wierp zich op zijn bed, met voornemen om van de onderneming af te zien, toen hij, juist daar hij in slaap viel, gewekt werd door eene stem, die hem in het oor zeide: "waarom slaapt gij nu? Sta op, als gij ooit vrij denkt te zijn!" Hij sprong op, ging terstond uit, en ontdekte in den tijd van een paar uren het middel ter ontkoming, dat hij gebruikte.

Eene dame wier geschiedenis aan de schrijfster bekend is, woonde eenen tijd lang op eene zuidelijke plantaadje, en was gewoon den slaven godsdienstig onderwijs mede te deelen. Eens kwam eene vrouw van eene afgelegene plantaadje haar aan hare woning opzoeken en vroeg naar haar. De dame zeide verwonderd: "hoe wist gij van mij?" Het antwoord der oude vrouw was, dat zij lang beangst over hare ziel was geweest; maar dat, eenige nachten geleden, iemand haar in haren droom was verschenen en haar gezegd had, naar deze plantaadje te gaan en naar de vreemde dame daar te vragen, en dat zij haar de weg naar den hemel zou leeren.

Een ander voorbeeld van denzelfden aard werd aan de schrijfster verhaald door eene slavin, welke de geheele smartelijke ondervinding van een slavenleven had doorgegaan. Zij was eens een jong meisje van bevallig voorkomen en zachten aard geweest, zorgvuldig opgebragt als naaister en oppaster bij de kinderen eener familie in Virginia, en met al de warmte van haar ligt aandoenlijk hart, aan die kinderen gehecht. Hoewel eene van de teederste moeders, toen de schrijfster haar kende, verzekerde zij deze echter, dat zij nooit een van hare eigene kinderen zoo lief had gehad, als het dierbare jonge meesteresje dat hare bijzondere zorg was. Waarschijnlijk ten gevolge van geldelijke ongelegenheden der familie, werd dit meisje, dat wij Louisa willen noemen, naar eene zuidelijke plantaadje verkocht. Zij heeft dikwijls het tooneel beschreven toen zij met geweld in een rijtuig werd gezet, en hare lieve jonge meesteres uit het venster zag leunen, hare armpjes naar haar uitsteken, met al de heftigheid van kinderlijke smart gillende en haren naam roepende. Zij werd in eenen troep vervoerd en als keukenmeid op eene zuidelijke plantaadje verkocht. Met den grootsten ernst van taal heeft zij de schrijfster haar geheele verlatenheid en de wanhopige droefheid van haar hart in dezen toestand beschreven, voor altijd gescheiden van alles wat haar op aarde dierbaar was, buiten de mogelijkheid zelfs om brieven of boodschappen te zenden, omringd door menschen die niet het minste belang in haar stelden, en gedwongen tot eenen arbeid, waarvoor hare teedere opvoeding haar geheel ongeschikt gemaakt had. Onder deze omstandigheden begon zij te gelooven dat het om eene of andere schrikkelijke zonde was, dat zij zoo bezocht werd. De geschiedenis van haar gemoed daarna, met hare eigene eenvoudige woorden verhaald, is deze:

"Daarna begon ik mij ontzettend goddeloos te voelen--o, zoo goddeloos, dat gij er geen denkbeeld van hebt! Ik voelde mij zoo goddeloos, dat mijne zonden als een last op mij schenen, en ik ging zoo zwaar den ganschen dag. Ik voelde mij zoo goddeloos, dat ik niet waardig was om in huis te bidden, en ik plagt heel ver weg te gaan in het veld, om te bidden. Eindelijk toen ik eens bad, kwam de Heer en sprak tegen mij."

"De Heer sprak tegen u?" zeide de schrijfster. "Wat meent gij, Louisa?"

Met een gezigt vol van den grootsten ernst, antwoordde zij: "Wel mevrouw, de Heer Jezus kwam en sprak tegen mij, weet ge; en nooit, tot op den laatsten dag van mijn leven, zal ik vergeten wat Hij tegen mij zeide."

"Wat was het dan?" zeide de schrijfster.

"Hij zeide: "Vrees niet, mijne kleine; uwe zonden zijn u vergeven."" En zij voegde hierbij eenige verzen, welke de schrijfster als regels uit een Methodistisch lied herkende.

Nieuwsgierig zijnde om dit verschijnsel nader te onderzoeken, zeide de schrijfster:

"Gij meent, dat gij dit gedroomd hebt, Louisa?"

Met een blik alsof haar gevoel daardoor gekwetst was en met grooten ernst, antwoordde zij:

"O neen, Mrs. Stowe; dat was geen droom, dat zult ge mij nooit doen gelooven."

Terstond kwam de gedachte bij de schrijfster op: "Indien de Heer Jezus inderdaad overal tegenwoordig is, en indien hij zoo teêrhartig en medelijdend is als Hij op aarde was--en wij weten dat Hij dit is--moet Hij dan somtijds niet verlangen tot den armen wanhopigen slaaf te spreken, wanneer Hij weet dat geene andere stem dan de Zijne zijne ziel kan troosten en genezen?"

Dit voorbeeld van Louisa stemt zoo zeer overeen met een ander geval, hetwelk de schrijfster uit eene geloofwaardige bron vernam, dat zij verlokt wordt om de twee naast elkander te plaatsen.

Onder de slaven, die naar de Nieuw-Engelsche Staten gebragt werden, in den tijd toen de slavernij heerschte, was eene vrouw, die terstond nadat men haar de geschiedenis der liefde van Jezus Christus had verhaald, uitriep: "Hij is het. Dit is wat ik verlangde."

Daar deze taal verwondering baarde, werd er naar hare geschiedenis vernomen. Zij was kortelijk deze:--Terwijl zij in hare eenvoudige hut in Afrika woonde, overvielen de menschenroovers eens haar gezin, en voerden haren man en hare kinderen weg naar het slavenschip, terwijl zij in de bosschen ontkwam. Toen zij naar hare eenzame woning terugkeerde, treurde zij met de bitterheid van "Rachel om hare kinderen schreijende." Vele dagen lang was haar hart door eenen last van smart ter neer gedrukt, en alle voedsel weigerende, zwierf zij door het eenzame bosch op en neer.

Eindelijk, zegt zij, overviel haar een sterke aandrang om te knielen en haar leed uit te storten in het oor van een onbekend Wezen, hetwelk zij zich verbeeldde dat boven haar in de lucht was.

Zij deed zulks, en tot hare verwondering kreeg zij een onuitsprekelijk gevoel van verligting. Daarna was het hare gewoonte dagelijks naar dezelfde plek te gaan en tot dien onbekenden Vriend te smeeken. Vervolgens werd zij zelve gevat en naar Amerika overgevoerd; en toen de geschiedenis van Jezus en zijne liefde haar verhaald werden, gevoelde zij terstond in hare ziel, dat deze Jezus de vriend was, die haar smachtend gemoed in het ver verwijderde Afrikaansche bosch had toegesproken.

Vergelijk nu deze bevindingen met de ernstige en schoone taal van Paulus: "Hij heeft uit eenen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren verordend, en de bepalingen van hunne woning, opdat zij den Heer zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mogten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons."

Is dit niet waarlijk naar God tasten en Hem vinden? En mogen wij niet hopen, dat het smachtend, onrustig, hulpeloos menschelijk hart, gedrukt door de duldelooze smart van dit korte leven, of vermoeid door de geheele ijdelheid daarvan, nooit vruchteloos de onschuldig smeekende handen tot God opheft? Is niet de sluijer, die ons van eenen almagtigen, albarmhartigen Vader afscheidt, veel dunner, dan wij, in den trots onzer philosophie, genegen zijn ons te verbeelden? en is het niet de waardigste voorstelling van Hem, te denken, dat hoe meer volslagen hulpeloos en onkundig het menschelijke wezen is, dat Zijne hulp zoekt, Zijne gemeenschap met die ziel des te teederder en meer nederbuigend zal zijn?

Indien eene moeder onder hare kinderen er een had, dat door ziekte blind, doof of stom geworden was, onbekwaam om door de gewone middelen van mededeeling kennis te verkrijgen, zou zij dan niet zoeken zijnen verduisterden geest te bereiken door wijzen van mededeeling, teerder en inniger dan die, welke zij met hare sterkere en meer begunstigde kinderen gebruikt? Hoe kan de liefde eener moeder met de oneindige liefde van Jezus vergeleken worden? Heeft Hij zichzelven niet beschreven als de goede herder, die de geheele kudde van veiligen en wel onderwezenen verlaat, om over de bergen der onkunde het ééne verdwaalde schaap te volgen, en wanneer Hij het gevonden heeft, zich meer daarover verheugt dan over de negen en negentig, die niet verdwaald waren? Heeft Hij ons niet gezegd dat elk dezer kleinen eenen beschermengel heeft, die altijd het aangezigt ziet van zijnen Vader die in den hemel is? En is het niet troostrijk voor ons te denken, dat Zijne liefde en zorg geëvenredigd zullen zijn aan de onkunde en de behoeften Zijner uitverkorenen?

Sedert het bovenstaande voor de drukpers werd gereed gemaakt, ontving de schrijfster het volgende uittreksel van eenen brief, door iemand in Missouri aan den uitgever van de Oberlin Evangelist (Ohio) geschreven: