De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 63

Chapter 633,753 wordsPublic domain

Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook's Slavery, blz. 30-32):

Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels! weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,--weinig bedenkt gij dan, zeg ik, dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg, dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.

Uit dezen algemeenen regel nu,--namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,--ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.

In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: "de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn." Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard en norsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.

Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen.... Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is? Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt. En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!

Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak. Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen. Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de andere wereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.

Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?

De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: "Ik had geene gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren."

Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou, dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.

Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede. Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt, maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdele en zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.

Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.

Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden, die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch beschouwt.

Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.

Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gij verdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,--is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?

Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:

Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun hart haakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.

Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus gaat hij voort:

Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.

Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.

De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:

Gij leert hun, dat God "geen aannemer des persoons" is; "dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;" "gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;" "wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen." Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?

De heer Jones zegt dan vervolgens:

Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit een onvolkomen en onverstandig Godsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde met het opzettelijke doel om het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.

Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid de noodwendige gevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?

Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook's Slavery, blz. 32 en 33):

"Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;" dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.

Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschen behandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.

De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te verbreken en overtuigend te bewijzen dat "menig mes aan twee kanten snijdt." Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen, die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt, had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift hebben kunnen antwoorden: "Onderstel dat gij een slaaf waart,--dat gij uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt, geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt, arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,--hoe zou dit u bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit dien toestand bevrijdde?" Wij vragen ieder, die geen aannemer des persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?

Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.

Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne schilderingen van de bijzondere voordeelen van de slavernij als een middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven emancipeerde.

Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke schaduw,--door den slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen, waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel nagaan,--zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens, die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten waren in stede van menschen,--dan zullen wij ons een begrip kunnen vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt blootgesteld laat "aan al de wisselvalligheden van den eigendom."

HOOFDSTUK X.

WAT BEHOORT ER GEDAAN TE WORDEN?

Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken, is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich niet in naam maar met der daad moet vereenigen met het edele voornemen, dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten naar de volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de geheele Christenheid.

De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle andere landen roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Perzië, de Sandwich Eilanden en China. Allen schijnen door éénen geest bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen, die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen, wanneer wij barbaarschheden dulden, die zij verworpen hebben?

Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:

Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.

Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer dit verrigt is. Zoo lang zij het blijft veronachtzamen zal het een hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.

Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,--namelijk omdat zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.

Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: "In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde."

Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.

Vooreerst in reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,--het onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.