De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 62
Indien de wetten op het stuk van slavernij gemaakt waren door een despotisch vorst, op wiens handelingen de meesters geen invloed konden uitoefenen, dan kon deze handelwijze misschien regt en billijk genoemd worden; maar daar zij gemaakt zijn en in werking gehouden worden door die Christelijke meesters, die predikanten en die ledematen, in vereeniging met menschen die dat niet zijn, zoo onthoudt ieder zijnen slaven wat regt en billijk is, zoo lang hij niet streeft naar de intrekking dier wetten; en indien zij die afschaffing niet kunnen verwerven, is het hun pligt de slaven daaraan te ontrukken, daar die wetten met zulk eene duivelsche arglistigheid zijn zamengesteld, dat zij al wat de meester tot verheffing en welzijn van zijne slaven beproeft, volkomen krachteloos maken.
Niemand zou begeeren zijne eigene kinderen als slaven onder de magt te laten van den zachtzinnigsten meester die ooit het levenslicht aanschouwde; en wat hij zijnen eigenen kinderen niet aangedaan zou wenschen te zien, behoorde hij ook niet te doen aan de kinderen van anderen.
Maar men zal zeggen, dat het der Christelijke Kerk niet past, zich in staatszaken te mengen. Nogmaals vragen wij: wat is de Christelijke Kerk? Is zij niet eene vereeniging van republikeinsche burgers, van welke ieder zijne regten en pligten als wettig stemgeregtigde heeft?
Stel eens, dat eene wet werd aangenomen, die de waarde van de katoen of de suiker met drie cents per pond verminderde; zouden deze menschen de omstandigheid dat zij ledematen zijn, dan beschouwen als eene reden om niet aan te dringen op de intrekking van die wet? Gewis niet. Zulk eene wet zou weggevaagd worden als een spinneweb, schier eer zij nog bestond. Iedere wet waarmede de meerderheid der burgers niet instemt, is in dit land terstond vernietigd.
Waarom blijft dit monsterachtig stelsel dan van eeuw tot eeuw voortduren? Omdat de meerderheid der burgers er in toestemt. Door hunne stilzwijgende goedkeuring vernieuwen zij die wetten elken dag.
Het rijk van onzen Heer Jezus Christus is niet van deze wereld, zeggen de Presbyterijen in Zuid-Carolina; daarom heeft de Kerk geen regt om zich met eenigerhande burgerlijke instelling te bemoeijen; maar toch is de geheele geestelijkheid van Charleston en corps opgekomen om hare goedkeuring te hechten aan de handelingen van het groote "Vigilance Committee." Zij kon niet voegzaam den minsten invloed uitoefenen tegen de slavernij, maar wel al het gewigt van haar invloed in de schaal werpen ter gunste daarvan.
Maakt men door het voorstaan van den verdrukker, het rijk van onzen Heer Jezus Christus niet evenzeer van deze wereld, als door het beschermen van den verdrukte?
HOOFDSTUK IX.
KOMT HET GODSDIENSTIG ONDERRIGT, DAT MEN DEN SLAAF GEEFT, MET HET EVANGELIE OVEREEN?
De Vrouwen van Engeland hebben in haar adres aan de Vrouwen van Amerika in het bijzonder er van gewaagd, dat den slaaf het Evangelie onthouden wordt. Men heeft zich daarover hier te lande zeer verontwaardigd betoond, en beweerd, dat het Evangelie ruimschoots ter kennisse van de slaven wordt gebragt.
Wie het werk van den heer C. C. Jones, betreffende het Godsdienstig onderrigt der negers, leest, zal geen twijfel koesteren aangaande de volgende punten:
1. Dat er jaar op jaar, sedert den invoer van negers in dit land, door verscheidene vrome en welgezinde personen pogingen voor hun geestelijk welzijn zijn aangewend.
2. Dat die pogingen van jaar tot jaar talrijker zijn geworden.
3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel is aan den dag gelegd.
4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen, gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.
5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak, waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.
Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen, die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees, dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niet het ware en zuivere stelsel van het Evangelie is, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo ver de schrijfster, hetgeen haar wordt medegedeeld, heeft kunnen nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem, dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde, onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd; dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem, dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoede op deze wereld zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.
Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.
Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig, gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, "aan al de wisselingen van den eigendom," moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan, verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin in den geest van den slaaf prent.
Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil, verhaalt de heer Jones ons--hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet begrepen hebben--dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder het geringste spoor van schuldgevoel.
Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde in een toestand, waarin hij een wettig huwelijk kan aangaan en hieraan trouw kan blijven nadat het gesloten is.
Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen met de verklaring, dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken toestand van den slaaf te bemoeijen.
Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed, onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden, zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.
Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.
Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt gebragt wordt,--gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus, overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs; neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;--zooveel is zeker, dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen bedreigd wordt.
Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd worden?
Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis van het woord?
Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren, en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.
Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd, dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten, die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk te moeten zijn van het voorlezen van anderen,--vooral wanneer wij gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het geval is,--en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het Evangelie is!
Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind, verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren; en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak, kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zaken goed is.
Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door het gezag der Godsdienst, nu en dan een sterke geest zich daartegen verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden, onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt kon worden.
Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want, sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden onderworpen is, zegt hij op blz. 127:
Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,--tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnige critici en wijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.
Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de "Vereeniging voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County, in Georgia:"
Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen "dat dit het Evangelie niet was;" nog anderen "dat ik predikte om hunnen meesters te behagen," weder anderen "dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken."--Blz. 24 en 25.
Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheid bijzonder ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen, dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de Joden dachten: "Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?"
Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie, zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden, eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.
Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel, dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel, hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die den gevangene verlossing kwam aankondigen.
Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene predikatiën en redevoeringen mededeelen.
Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen, zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:
Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van de voordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk van mondelinge mededeelingen. En van wie? Van hunne meesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, de uitsluitende bestierders van hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunne geheele bekeering op zich nemen!
Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die, welke zich in het vertrouwen hunner meesters hebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunne geheele afhankelijkheid van ons-zelven aan te toonen.
Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping en beantwoordt die volgenderwijze:
Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.
Wij antwoorden daarop: dat wij hun Godsdienstigen en hun maatschappelijken toestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Ons beginsel is dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: "Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is." En Christus en Zijne Apostelen zijn onze voorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.
De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den heer Jones, blz. 83, 91 en 92:
Vraag. Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?--Antwoord. Slechts van twee.
V. Welke zijn die?--A. Hemel en hel.
V. Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?--A. Naar den hemel.
V. Welke soort van plaats is de hemel?--A. Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.
V. Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?--A. Neen.
V. Zeg op: "En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen."--A. "En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan."
V. Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?--A. Ja.
V. En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?--A. Ja.
V. Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?--A. Naar den hemel.
V. In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?--A. In de hel.
V. Zeg op: "De goddeloozen zullen geworpen worden."--A. "De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten."
V. Welke soort van plaats is de hel?--A. Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.
V. Wat brandt daar?--A. Een eeuwigdurend vuur.
V. Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?--A. De duivel en zijne engelen.
V. Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?--A. Geween en knarsinge der tanden.
V. Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammen gefolterd werd?--A. Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.
V. Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?--A. Neen.
V. Zullen zij immer uit de hel komen?--A. Neen, nimmer.
V. Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?--A. Neen.
V. Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?--A. Een groote afgrond.
V. Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?--A. Eeuwigdurende straf.
V. Zal deze straf hen beter maken?--A. Neen.
V. Zeg op: "Het is vreeselijk."--A. "Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods."
V. Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?--A. Een verterend vuur.
V. Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?--A. De hel.
De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van het All-Saints kerspel, te Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene keur van die preken in het licht, onder den titel van: Leerredenen, gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers. Er komen zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):
Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigen aan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!
Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: "Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen." Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.
(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: "De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op." Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.