De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 61
Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk met ijver bevorderde, had de strekking, om de uitbreiding der slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias, welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt: "Wij weten hoe velen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij er anderen uit mogten bevrijden" (Eerste Brief aan de Corinthiërs, § 55, of Hoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: "De zaak des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die dagen dikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven, die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen en betaalde hun prijs." Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke bisschoppen zijn er niet meer! "Door zijn toedoen verkregen soms honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste, dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst in een of ander klooster te verschaffen."
Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5den canon van het in 585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten zal verduisterd hebben met eenig ander doel dan het loskoopen van gevangenen; en uit den 12den canon van het Concilie van Verneuil, in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat weldadig doel gebruikt werden.
Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de bisschoppen in de aanbevelings-brieven, die zij aan de vrijgekochte slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden, zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden, dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld, dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7, Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen, die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.
Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen bewijzen.
In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen, die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te brengen. De 27ste canon van het Concilie van Londen, gehouden in 1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap te drijven, gelijk in dieren; en de 7de canon van het Concilie van Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien, dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd, toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen van slaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het vereischte rantsoen bijeen te zamelen.
In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk, ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren, en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.
Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren, konden voor twaalf sous losgekocht worden. Daar de Joden onder de grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod eene reuzenschrede naar eene algemeene emancipatie.
Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in 595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.
Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven, dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons aangehaalde voorbeeld van een predikant, met twee teenen afgesneden en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom van dien tijd.
Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan, door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen, het navolgende aantoonen: "Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppen altijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken in den boezem der Kerk."
Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft, hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in Amerika zijn.
De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen, vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven te bevrijden? Waar zijn de van Jezus' liefde bezielde herders, die zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te hereenigen? Waar zijn die klagten der wereld, eene eerekroon voor de betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen, om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel, liefde van Jezus,--waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?
HOOFDSTUK VIII.
IS DE SLAVERNIJ MET HET EVANGELIE OVEREEN TE BRENGEN?
Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.
Uit hetgeen in het vorige hoofdstuk gezegd is gelooven wij, dat blijken zal, dat de Christelijke Kerk in Amerika tot de slavernij geenszins in die verhouding staat, als waarin de Apostelen, of de Kerk in de eerste tijden, tot haar stonden.
Hoe men de taal der Apostelen ook verkieze uit te leggen, onbetwistbaar is het, dat de kerkelijke inrigting, welke na die heilige vermaningen verrees, de afschaffing der slavernij op het oog had en ook verwezenlijkte.
Maar wij willen nog eens stil blijven staan bij een denkbeeld, dat dikwijls op den voorgrond wordt gesteld door degenen, die de Amerikaansche slavernij verdedigen; dit namelijk: dat de instelling niet uit zich-zelve zondig is, en dat de eenige zonde bestaat in de veronachtzaming van de daartoe betrekkelijke verpligtingen. Al wat noodig is, zeggen zij, is die instelling overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie; en zij geven toe, dat geene slavernij te verdedigen is, die niet aldus is geregeld.
Indien het dan blijkt, dat de Amerikaansche slavenwetten niet zijn overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie, ten minste zonder zulke veranderingen, die het geheele stelsel den bodem inslaan, dan zal daaruit blijken, dat het eene onchristelijke instelling is, tegen welke ieder Christen moet opkomen en waaraan hij zich geheel moet onttrekken.
De Romeinsche slavenwet was opgesteld door heidenen,--bovendien door een geslacht, welks barschheid en gevoelloosheid tot een spreekwoord geworden is. Zij werd vervaardigd in de donkerste eeuwen, eer de dageraad van het Evangelie aangebroken was. Het Christendom schafte haar trapsgewijze maar zonder falen af. Eenige eeuwen later gaat eene bende Christenen naar het vaste land van Afrika, stookt daar oorlogen aan, zaait verdeeldheid, zet met duivelenwoede den eenen stam tegen den anderen op, steekt dorpen in brand en rooft en vervoert te midden van al die verwarring, van tijd tot tijd, honderden en duizenden beklagenswaardige gevangenen. Zij, die niet van ontzetting, smart, verstikking, koorts of andere afgrijselijkheden sterven, worden op de kusten van Amerika gebragt. Zij zijn hier. En nu komt eene schare Christelijke wetgevers bijeen om voor deze rampzaligen een wettelijk stelsel van slavernij te maken, dat later beschouwd moet worden als eene Christelijke instelling.
Om eenige geldige aanspraak op zulk een naam te hebben, moet die instelling natuurlijk bestuurd worden door de beginselen, die Christus en Zijne Apostelen gesteld hebben voor degenen, die met de betrekking van meesters bekleed worden. Het Nieuwe Testament legt die beginselen in eene enkele zinsnede neder: "Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is."
Doch, daar er altijd eenige verwarring van begrippen bestaat ten opzigte van hetgeen voor onzen buurman regt en billijk is, heeft de Heer ons nog deze aanwijzing gegeven, waardoor wij tot onfeilbare zekerheid kunnen komen: "Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen."
Het is dus blijkbaar, dat indien Christelijke wetgevers een Christelijk stelsel van dienstbaarheid willen invoeren, zij het gronden moeten op deze beide voorschriften, van welke het eene de bepaalde verduidelijking is van het andere.
Laten wij nu eens eenige bijzondere punten nagaan van het wetboek, dat zij opgesteld hebben, en zien of het dit karakter draagt.
Vooreerst beginnen zij met te verklaren, dat hun broeder niet langer zal beschouwd worden als een mensch, maar gewaardeerd, verkocht, afgeleverd en te boek gesteld als een roerend goed.--Dit is "regt en billijk!"
Uit dezen grondslag van het stelsel vloeijen de hieronder beschreven gevolgen voort:
1. Dat hij geen regt zal hebben om eenigen eigendom hoegenaamd te bezitten.--Regt en billijk!
2. Dat hij geen regt zal hebben om een wettig huwelijk aan te gaan, noch om eenige vrouw in het bijzonder als zijne echtgenoote aan te merken.--Regt en billijk!
3. Dat hij geen regt zal hebben om zijne kinderen te beschermen, te straffen, voor te lichten of op te voeden.--Regt en billijk!
4. Dat de magt van den meester over hem, eene volstrekte magt zal wezen, zonder mogelijkheid van beroep of herstel wegens eenige mishandeling, hoe ook genaamd.
Om hiervoor goed te zorgen, hebben zij bepaald, dat hij onbevoegd is om eenig regtsgeding, van welken aard ook, aanhangig te maken.--Regt en billijk!
Dat hij geene getuigenis mag afleggen voor de regtbank, wanneer een blanke in de zaak betrokken is.--Regt en billijk!
Dat de eigenaar van een slaaf niet vervolgd kan worden "wegens het baldadig, wreedaardig en overdreven slaan van dien slaaf."--Regt en billijk!
Verder is bepaald, dat geen slaaf door eene zijdelingsche wijze van procederen, bijv. door een voogd, vergoeding voor mishandeling kan verkrijgen (Proces van Dorothea contra Coquillon c. s., 9 Martin La., Rep. 350).--Regt en billijk!
5. Er is bepaald, dat de slaaf niet alleen op den weg van regten geen verhaal heeft op zijn meester wegens mishandelingen, die hij van dezen heeft ondergaan, maar dat hij evenmin regt zal verkrijgen voor die, welke een ander persoon hem heeft aangedaan, tenzij hierdoor zijne waarde als verhandelbaar artikel is verminderd.--Regt en billijk!
Onder die rubriek staat duidelijk het volgende te lezen:
"Het eenvoudig slaan van een slaaf, zonder daarmede gepaard gaande wreedheid of poging tot moord, is geen vergrijp tegen de rust van den staat. De rust van den staat wordt daardoor niet verstoord." (De Staat contra Maner, 2 Hill's Rep. S. C.).--Regt en billijk!
Indien een slaaf een blanke slaat moet hij ter dood veroordeeld worden; doch indien een meester zijn slaaf door pijnigingen doodt, terwijl geene blanke getuigen aanwezig zijn geweest, kan hij zich door zijn eigen eed zuiveren (In Louisiana).--Regt en billijk!
De wet bedreigt boete en gevangenisstraf tegen dengeen, die eens anders slaaf bevrijdt van de straf van den ijzeren halsboei. (Louisiana).--Regt en billijk!
Zij bedreigt eene veel geringere boete, zonder gevangenzetting, tegen den man, die zijn slaaf met gloeijende ijzers gepijnigd, de tong uitgesneden, de oogen uitgestoken, hem verschroeid of lam geslagen zal hebben. (Louisiana).--Regt en billijk!
Zij bedreigt dezelfde straf tegen dengeen die hem leert schrijven, als tegen dengeen die hem de oogen uitsteekt.--Regt en billijk!
Daar het te begrijpen is, dat alleen zeer domme en onbeschaafde menschen in zulk een toestand gehouden kunnen worden, vooral in een land waar ieder boek en nieuwsblad overkropt is met vertoogen over de regten van den mensch, zoo beveelt de wet, dat hij noch zijne kinderen, door alle geslachten heen, zullen mogen leeren lezen noch schrijven.--Regt en billijk!
En daar de slaven, wanneer zij tot het houden van Godsdienst-oefeningen bijeen mogten komen, plannen zouden kunnen smeden om te ontvlugten of om herstel van grieven te vorderen, zoo zegt de wet: "Geene negers mogen, onder voorwendsel van de Godsdienst, bijeenkomsten houden; elke slaaf, op zulke vergaderingen aangetroffen, zal zonder proces, terstond gecorrigeerd worden met vijf en twintig zweep- of bullepeesslagen op den blooten rug." (Wet van Georgia, Prince's Digest, blz. 447.)--Regt en billijk!
Ofschoon de dienstbare aldus in onwetendheid wordt gehouden, wordt hij voor gelijke misdrijven zwaarder gestraft dan de vrije.--Regt en billijk!
Bij maniere van bescherming tegen overmatig werk bepalen zij, dat hij hoogstens vijf uren langer mag arbeiden dan de tot dwangarbeid veroordeelden!
Ook schrijven zij voor, dat de meester of opzigter, niet hij-zelf, beslissen zullen wanneer hij te ziek is om te werken.--Regt en billijk!
Indien een meester, medelijden hebbende met het lot van den slaaf, daarin verbetering wil brengen, ontneemt de wet hem daartoe het vermogen door de volgende bepalingen:
1. Dat al zijne verdiensten aan zijn meester zullen behooren, niettegenstaande zijns meesters beloften ter contrarie; zoodat hij aansprakelijk wordt voor de schulden van zijn meester.--Regt en billijk!
2. Dat, indien zijn meester hem veroorlooft vee te houden voor zijn eigen gebruik, iedereen dit weg zal mogen nemen en de helft van het in beslag genomene zal genieten.--Regt en billijk.
3. Indien zijn meester hem op vrije voeten stelt, zal hij opgepakt en weder verkocht worden.--Regt en billijk!
Indien een man of vrouw aan dezen toestand ontvlugt en na indaging niet terugkeert, kunnen twee vrederegters hem of haar buiten de wet stellen, en dan staat het ieder in de gemeente vrij de vlugteling te dooden op de wijze die men zal goedvinden.--Regt en billijk!
Zoodanig zijn de wetten van dat slavenstelsel, hetwelk laat in den Christelijken tijd opgemaakt is door Christelijke meesters, en thans verdedigd wordt door Christenleeraars als eene bijzonder weldadig werkende instelling.
Aldus hebben Christelijke wetgevers doen blijken, dat zij den tekst verstaan: "Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is;" als ook dezen: "Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen."
Er blijken voorzeker de meest ongewone begrippen van regt en billijkheid uit en het is de merkwaardigste verwezenlijking van het beginsel om aan anderen te doen wat wij wenschen dat ons geschiede, hetwelk de beschaafde wereld ooit het genoegen heeft gehad te aanschouwen. Als dit nu de instelling is, dan ga ieder na wat hare misbruiken moeten zijn; want eerwaarde predikanten betuigen ons met een ernstig gelaat, dat zij zich niet geroepen achten om zich met het stelsel te bemoeijen, maar alleen met zijne misbruiken. Wij zouden wel eens willen weten welk misbruik men kan aanwijzen, dat niet bij de wet voorzien en uitdrukkelijk door haar in bescherming genomen is.
En toch beweren Christelijke republikeinen (die, ofschoon de magt hebbende om die wetten in te trekken, haar elken dag handhaven), dat er geen kwaad in de slavernij ligt, indien men die instelling regelt naar de voorschriften der Apostelen en den onderhoorigen geeft wat regt en billijk is. Denken zij dan, dat, indien de Christen-meesters van Rome en Corinthe zulk een stel van regelen gemaakt hadden voor het bestuur hunner slaven, Paulus die zou erkend hebben als eene juiste toepassing van hetgeen hij met regt en billijk bedoelt?
Maar de Presbyterijen van Zuid-Carolina en alle andere Godsdienstige genootschappen van het Zuiden zeggen, dat de Kerk van onzen Heer Jezus Christus geen regt heeft om zich met burgerlijke instellingen te bemoeijen. Wat is die Kerk van onzen Heer Jezus Christus, waarvan zij spreken? Is zij niet eene vereeniging van republikeinen, die de constitutioneele magt hebben om die wetten te veranderen, wier pligt het is ze te veranderen, en die aan de voorschriften van den Apostel ongehoorzaam zijn elken dag wanneer zij er geene wijziging in brengen? Elk predikant in het Zuiden is stemgeregtigde zoowel als predikant; elk lidmaat is stemgeregtigde zoowel als lidmaat; en predikanten en ledematen behooren onder de meesters die dit afgrijselijke stelsel in stand houden, terwijl zij de volle magt hebben om het te veranderen: en nog durven zij er van spreken, hunnen dienstknechten te geven wat regt en billijk is! Indien zij hunnen onderhoorigen willen geven wat regt en billijk is, dat zij hun dan hunne menschenwaarde terugschenken; zij zijn de wettenmakers en kunnen het doen. Laten zij den slaaf het regt geven om iets in eigendom te bezitten, om een wettig huwelijk aan te gaan, om Gods woord te lezen, en om zulk eene opvoeding te erlangen dat zijn verstand en zedelijk gevoel er volkomen door ontwikkeld worde; het regt van gewetensvrijheid en van vrije eeredienst; het regt om zaken voor de regtbanken te kunnen aanbrengen en getuigenis te mogen afleggen; het regt om eenige stem te hebben in het bestuur, waardoor zijne belangen behartigd worden. Dit zal meer gelijken naar het geven van hetgeen "regt en billijk" is.
De eerwaarde Smylie, van Mississippi, zegt, dat de planters van Louisiana en Mississippi, terwijl zij twintig à vijf en twintig dollars voor een vaatje spek betalen, hunnen slaven drie à vier pond spek per week toeleggen; en geeft daarbij te verstaan, dat, indien dit de menschen niet overtuigt dat er regt en billijk gehandeld wordt, hij niet meer weet hoe hij het hun aan het verstand zal brengen.
De heer C. C. Jones, na op verschillende plaatsen te kennen gegeven te hebben dat hij niet voornemens is zich immer met den civielen toestand van de slaven te bemoeijen, brengt den negers in zijn Katechismus onder het oog, dat de meester zijnen dienaar geeft wat regt en billijk is, wanneer hij hem voorziet van goede huisvesting, goede kleeding, voedsel, oppassing en Godsdienstig onderrigt.
Dit is even als een man, die eene erfenis verduisterd heeft, welke aan weezen toebehoort. Uit zijne rijke inkomsten verschaft hij den weezen voedsel, kleederen enz., terwijl hij het overige voor zijn eigen gebruik houdt en verklaart dat hij hun geeft wat regt en billijk is.