De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 60
Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid voorbijzien tusschen den toestand van een' Amerikaansch geestelijke, in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken en in stand houden,--en dien van den Apostel, onder een heidensch despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.
Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt hebben om te veranderen.
In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt, lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid, in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken welke hen in slavernij brengen.
Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.
Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene predikatie, aldus aan:
Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.
Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.
Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde, maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen, in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben, en in staat zijn om het te behouden.
De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. "Het heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen, nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping, uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezit des duivels zoudt moeten zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden, zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest."
En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot de roovers zeggen zoude: "Er bestaat geene noodzaak, dat ik in deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt," dan zegt hij juist datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.
HOOFDSTUK VI.
HOE WERKTE HET CHRISTELIJK BEGINSEL OP DE SLAVERNIJ?
Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij het kunnen doen, en dat zij het niet gedaan hebben is blijkbaar.
De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt: eerst doodt zij den geest van een misbruik, en laat alsdan den vorm van-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.
Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel, dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: "Slaat dáár!"
In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: "Laat uw slaaf vrij," zeide het Christendom tot hem: "Behandel hem als uw broeder," het overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden hoe veel in dit gebod opgesloten lag.
Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft, is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.
Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders en kind, van man en vrouw.
Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende misbruiken.
Zij tastten de betrekkingen niet aan maar verwijderden de misbruiken, en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.
De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige betrekking. De wettige betrekking is de dienstbaarheid, en de slavernij is de verbastering van de dienstbaarheid.
Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het Romeinsche rijk doortrokken met den geest der slavernij. De verhouding van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den meester was slavernij.
De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte; zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.
De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid, waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.
Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot, volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.
Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft doen herleven.
Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook de huwelijksbetrekking door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het riep hem toe: "Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;"--"ieder moet zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven." Niet de minste toespeling wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.
Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen, "voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder;" en in dit geval even als in de andere werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin der Romeinsche wet.
Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.
HOOFDSTUK VII.
HET CHRISTENDOM HEEFT DE SLAVERNIJ FEITELIJK AFGESCHAFT.
Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij antwoorden, ja.
Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. Toen Christus op aarde verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd; daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.
Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.
Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde, een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.
De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is: Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,--een achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere belijdenis.
Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.
Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.
Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen, was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,--een vermogen, dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst, die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.
Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne meesters moesten verlaten.
De Kerk begon met de beperking van de magt des meesters en met het beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen; en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,--eene straf, welke in die dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen, niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen, als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven, dat in gevallen van zeer afschuwelijke misdrijven, de meester niet verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.
Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15de canon van het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming, maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,--inderdaad, eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle gemeenschap met de Kerk,--eene straf, welke in de schatting van die tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd hield, en hem aan zich-zelven en aan anderen deed voorkomen als met de ontzettendste zonde beladen.
Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende, strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan I zeide: "Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel, in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd, het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben aangegaan trots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters, behoort het toch niet ontbonden te worden." De H. Thomas was van dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met opzigt tot het aangaan van een huwelijk, niet verpligt zijn hunnen meesters te gehoorzamen.
't Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen, toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.
Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen, die reeds vrij waren.
Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.
De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt; en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn 7den canon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7den canon van het vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend, dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde, in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.