De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 6

Chapter 63,157 wordsPublic domain

"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch omroerende, "wij hebben regters overal langs de kust, die klaar staan, om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende laarzen, en dat alles, als er gezworen moet worden. Gij moet eens zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans; den anderen kom ik zoo van mijne plantaadje aan de Paarlrivier, waar ik vijfhonderd slaven heb; dan weder ben ik een verre neef van Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent, weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden; maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk af. Maar Heere, als er iemand in het land is, die beter op alles kan zweren, en beter alle omstandigheden bij elkander brengen, en een strakker gezigt daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens willen zien--meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou, al keken de regters wat naauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik haast dat zij wat naauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger zijn, als zij dat deden, weet ge!"

In het jaar 1839 kreeg de schrijfster een meisje uit Kentucky als dienstbode in hare familie. Zij was slavin geweest bij eene van de laagste en ruwe huishoudens, waarmede zij, in eenen staat van halve barbaarschheid, in eene houten hut was opgegroeid. Bij de poging om haar godsdienstig onderrigt te geven, hoorde de schrijfster voor het eerst van haar leven eene vraag, welke zij niet mogelijk had geacht, dat in Amerika gedaan kon worden: "Wie is Jezus Christus dan toch?"

Toen de schrijfster haar de geschiedenis verhaalde van de liefde en het leven en den dood van Christus, scheen het meisje geheel overstelpt; tranen stroomden over hare wangen, en zij riep jammerend uit: "waarom heeft niemand mij dat vroeger gezegd?"

"Maar," zeide de schrijfster tot haar, "hebt gij dan nooit een bijbel gezien?"

"Ja, ik heb er de meesteres somtijds in zien lezen, maar, och heer, dat had zij wel kunnen laten; ik geloof niet dat het haar iets goeds deed."

Zij zeide dat zij in haar leven naar een paar veldpredikatiën (camp-meetings) was geweest, maar "niet veel bijzonders had opgemerkt."

In allen gevalle, de geschiedenis maakte zeker grooten indruk op haar, en had zulk eene verbetering in haar gedrag ten gevolge, dat de schrijfster groote hoop van haar koesterde.

Naar hare geschiedenis vernemende, werd het ontdekt, dat zij volgens de wetten van Ohio wettig regt had op hare vrijheid, dewijl zij in den Staat gebragt, en daar met toestemming harer meesteres tijdelijk gebleven was. Toen deze omstandigheden voor de bevoegde overheid behoorlijk gestaafd waren, werden er getuigschriften van hare vrijheid opgemaakt, en nu meende men dat alle gevaar van vervolging voorbij was. Nadat zij eenige maanden in de familie was geweest, werd Professor Stowe van verschillende kanten onderrigt, dat de jonge meester van het meisje was overgekomen en naar haar zocht, en dat zij, indien men niet oppaste, weder in slavernij zou gevoerd worden.

Professor Stowe ging naar den magistraatspersoon, die hare papieren had bekrachtigd, en vroeg of deze niet voldoende waren om haar te beschermen. Het antwoord was: "dat zijn zij zeker volgens de wet, indien zij onpartijdig gehoor kan bekomen; maar zij zullen in den nacht naar uw huis komen, met een officier en eene volmagt, zij zullen haar voor regter D*** brengen, en op haar zweren. Hij is de man, die al deze soort van zaken doet, en hij zal haar overgeven, en daarmede zal het gedaan zijn."

Mr. Stowe vroeg hem toen, wat er kon gedaan worden, en ontving den raad om haar naar eene of andere plaats van veiligheid te brengen, tot de navraag naar haar voorbij was. Dien ten gevolge bewezen de broeder der schrijfster en Professor Stowe haar dien nacht de dienst, welke de senator verhaald wordt aan Eliza bewezen te hebben. Zij bragten haar met een rijtuig omtrent tien mijlen ver langs een eenzamen weg, reden op eene waadbare maar zeer gevaarlijke plaats eene kreek door, en kwamen te middernacht aan het huis van John van Zandt, een edelaardig Kentuckiër, die de goede daad verrigtte, welke de schrijfster in haar verhaal aan van Tromp toeschrijft.

Na eenigen tijd aan de deur geklopt te hebben, kwam de brave eigenaar van het huis te voorschijn, met de kaars in de hand, gelijk verhaald is.

"Zijt gij de man die een arm gekleurd meisje voor menschenroovers zoudt willen bewaren?" was de eerste vraag.

"Dat denk ik nog al," was het vaardige antwoord. "Waar is zij?"

"Wel, zij is hier."

"Maar hoe zijt gij gekomen?"

"Ik heb de kreek doorgereden."

"Wel dan heeft de Heer u geholpen," zeide hij. "Ik zou die zelf in den nacht niet durven doorrijden. Een man, zijne vrouw en vijf kinderen zijn daar kort geleden verdronken."

De lezer zal misschien eenig belang stellen in het berigt, dat het arme meisje niet werd opgespoord, dat zij te Cincinnati goed is getrouwd, eene zeer achtenswaardige vrouw en moeder van een aantal kinderen is.

HOOFDSTUK VI.

OOM TOM.

Men heeft tegen het karakter van Oom Tom ingebragt, dat het onwaarschijnlijk was; en toch heeft de schrijfster meer bevestigingen van dat karakter ontvangen, en wel van meer verschillende zijden, dan van eenig ander in haar werk.

Velen hebben haar gezegd: "ik heb in dien en dien zuidelijken staat een Oom Tom gekend." Al de geschiedenissen van dezen aard, die haar verhaald zijn, zouden, indien zij verzameld werden, op zichzelven een klein boekdeel uitmaken. De schrijfster zal eenigen daarvan mededeelen.

Toen zij in gezelschap eener vriendin eene afgelegene stad van Maine bezocht, kwam het gesprek toevallig op dit onderwerp, en de heer, in wiens familie zij logeerde, verhaalde het volgende. Hij zeide dat hij, eenige jaren geleden op een bezoek bij zijnen broeder te New-Orleans, een negerdienaar in diens bezit had gevonden, van zoo bijzondere regtschapenheid en eerlijkheid, dat zijn broeder hem letterlijk alles vertrouwde wat hij had. Hij had hem dikwijls eene handvol bankbriefjes zien nemen, zonder ze na te zien, en ze aan zijnen dienaar overgeven, met last om te gaan koopen wat er voor de familie noodig was en hem het overschot terug te brengen. Hij bragt zijnen broeder deze onvoorzigtigheid onder het oog; maar deze antwoordde, dat hij zulke bewijzen had van de onwankelbare regtschapenheid van dien man, dat hij hem gerust kon vertrouwen, met hoe veel het ook wezen mogt.

De geschiedenis van dezen slaaf was de volgende. Hij behoorde aan iemand in Baltimore, die, daar hij een algemeen vooroordeel tegen alle godsdienstoefeningen van slaven had, alles deed wat hij kon, om hem geen tijd tot het waarnemen van godsdienstpligten te laten, en hem gestreng verbood den Bijbel te lezen en te bidden, hetzij alleen of met andere slaven; en omdat hij, gelijk de man uit den ouden tijd, Daniël geheeten, dit onchristelijk bevel gedurig ongehoorzaam was, verwees zijn meester hem tot die straf, welke een meester altijd kan opleggen--hij verkocht hem in levenslange ballingschap van vrouw en kinderen naar New-Orleans.

De heer die de schrijfster deze berigten gaf, zegt dat hij, hoewel in dien tijd geen godsdienstig mensch, zoodanig door de vroomheid van dien man getroffen was, dat hij tot zijnen broeder zeide: "ik hoop dat gij nooit iets doen zult om dezen man van zijne godsdienstige voorregten te berooven, want ik denk dat er een oordeel over u komen zal als gij dat doet." Hierop antwoordde zijn broeder, dat het zeer dwaas van hem zou zijn, indien hij dit deed, daar hij begreep, dat de godsdienst van dien man de wortel was zijner buitengewone goede eigenschappen.

Eenigen tijd geleden ontving de schrijfster uit het Zuiden, met den post, een boekje, getiteld: "Schetsen van Oud-Virginische huisbedienden," met eene voorrede van Bisschop Meade. Dit boek bevat berigten van de volgende slaven: Afrikaansche Bella, Oude Milly, Blinde Lucy, Tante Betty, Springfield Bob, Mammy Chris, Diana Washington, Tante Margaret, Rachel Parker, Nelly Jackson, My Own Mammy, Tante Beek.

Het volgende gedeelte der voorrede van Bisschop Meade zal niet zonder belangstelling gelezen worden:

De volgende schetsen werden mij ter hand gesteld met verzoek om te oordeelen in hoe verre zij ter uitgave geschikt waren.

Na ze gelezen te hebben, kon ik niet anders denken, dan dat zij zoo wel onderhoudend als stichtelijk zouden zijn. Zeer vele zulke voorbeelden van trouw en godsvrucht zouden er nog uit Oud-Virginische familiën kunnen bijgevoegd worden. Deze zullen als voorbeelden voldoende zijn, en strekken om te bewijzen hoe belangwekkend de betrekking tusschen meester en dienaar dikwijls is.

Velen zullen zonder twijfel verwonderd zijn te zien, dat er zoo veel verstand zoo wel als godsvrucht bij sommige der oude slaven van Virginië bestond, en dat zij de Heilige Schrift hadden leeren lezen, zoodat zij op deze wijze onder hunne mededienaren nuttig konden zijn. Het is ten aanzien der slaven in de zuidelijke Staten waar, en altijd waar geweest, dat, hoe wel openbare scholen voor hen verboden mogen geweest zijn, men het echter niet heeft gepoogd te verhinderen, wanneer eigenaren verkozen hunne slaven te onderrigten of hun toelieten om in stilte Gods woord te leeren lezen. Dien ten gevolge zijn er altijd eenigen geweest die dit geleerd hadden. In de meer zuidelijke Staten is het aantal van deze het grootst geweest. Hiervan werd ik omtrent dertig jaren geleden wel verzekerd, toen ik de Atlantische Staten bezocht, met het oogmerk om hulp-kolonisatie-genootschappen te stichten, en de eerste kolonisten voor Afrika uit te kiezen. In de stad Charleston, in Zuid-Carolina, vond ik meer verstand en karakter onder de vrije gekleurde bevolking dan ergens elders. Hetzelfde was waar van sommigen in slavernij. Een aanzienlijk getal van hen kon men in zekere gedeelten der Episcopaalsche kerken zien, die hunne gebedenboeken gebruikten en met de antwoorden instemden.

Deze aanmoediging van geestbeschaving bij de slaven door den eigenaar, was in vele opzigten bevorderlijk tot gemak en gastvrijheid.

Toen ik vele jaren geleden met eene zieke vrouw en twee vrouwelijke bloedverwanten van Charleston naar Virginië reisde, in eenen tijd van het jaar wanneer vele familiën zich gezondheidshalve van het land naar de stad begeven, werden wij vriendelijk gedrongen om op het landgoed van eene der eerste familiën in Zuid-Carolina te komen; en een brief werd ons gegeven van de meesteres, toen in de stad, aan hare slavin, die bij de afwezigheid der familie het huis bewaarde. Toen wij daar kwamen en den brief aan eene zeer fatsoenlijke dienstbode overgaven, welke dien terstond las, werden wij vriendelijk verwelkomd en twee dagen zoo rijkelijk onthaald alsof de eigenares aanwezig was geweest. Wij vernamen dat het in Zuid-Carolina niets ongewoons was, dat reizigers aldus bij de afwezigheid der eigenaren door de bedienden werden onthaald, wanneer deze brieven van hunne meesters kregen.

Voorbeelden van eene vertrouwelijke en welwillende betrekking tusschen slaven en hunne meesters en meesteressen, gelijk in de volgende schetsen wordt medegedeeld, zijn nog in al de slavenhoudende Staten te vinden. Ik zal er een vermelden, dat ik zelf heb waargenomen. De nu overledene regter Upshur van Virginië had een getrouw huisbediende, (thans bij zijn testament vrij verklaard) met wien hij over zaken plagt te corresponderen, wanneer hij op reis was. Ik was eenige jaren geleden in zijn huis ter maaltijd met een aantal anderen, terwijl hij zelf afwezig was, wanneer het gesprek op de presidents-verkiezing kwam, die toen in de Vereenigde Staten plaats had, en waarvan men met vurige belangstelling den uitslag verwachtte, toen zijn bediende ons onderrigtte, dat hij dien dag een brief van zijnen meester, op dien tijd aan de westelijke kust, had ontvangen, waarin deze schreef, dat de vrienden van generaal Harrison van alle ongerustheid ontheven mogten zijn, daar de reeds ontvangene opgaven zijne verkiezing volkomen zeker maakten.

Men moet natuurlijk niet meenen, dat wij willen doen denken dat deze voorbeelden talrijk zijn, daar de aard der betrekking dit verbiedt; maar wij willen nadrukkelijk verzekeren, dat er veel meer vriendschappelijk en Christelijk verkeer bestaat, dan velen in de verte willen gelooven. Dat er een groot en treurig gebrek aan Christelijk onderwijs bestaat, ondanks de jongste pogingen tot mededeeling daarvan, moeten wij met droefheid bekennen.

Bisschop Meade voegt er bij, dat deze schetsen worden uitgegeven met de hoop, dat zij de aandacht van geestelijken en hoofden van huisgezinnen met meer ernst zullen vestigen op den pligt om voor de zielen hunner slaven te zorgen.

Wat den slaaf van regter Upshur aangaat, van wien in het medegedeelde van Bisschop Meade gesproken wordt, heeft zijn meester in zijn uitersten wil de volgende merkwaardige getuigenis van zijne waarde en het uitmuntende van zijn karakter nagelaten.

Ik emancipeer en bevrijd mijn dienaar David Rice en gelast mijne executeuren om hem honderd dollars te geven. Ik beveel hem ten sterkste aan in de achting en het vertrouwen van elke maatschappij, waarin hij voortaan mag leven. Hij is vierentwintig jaren lang mijn slaaf geweest, gedurende welken tijd ik hem in de volste mate en in alle opzigten heb vertrouwd. Mijn vertrouwen in hem is onbeperkt geweest; zijne betrekking tot mij en mijne familie is altijd zoodanig geweest, dat hem daardoor dagelijks gelegenheid verschaft werd om ons te bedriegen en te benadeelen, evenwel is hij nooit betrapt op eenige ernstige fout, zelfs niet op eene onvoorbedachte overtreding van hetgeen voor zijnen stand voegzaam was. Zijn verstand is van eenen hoogen rang, zijne eerlijkheid boven alle verdenking, en zijn gevoel voor regt en welvoegelijkheid zuiver, ja zelfs fijn. Ik gevoel, dat hij regtmatige aanspraak heeft om deze getuigenis van mij mede te nemen in de nieuwe betrekkingen welke hij nu moet vormen; dit ben ik verpligt aan zijne lange en allergetrouwste diensten, en aan de opregte en standvastige vriendschap, welke ik hem toedraag. In den onafgebrokenen, vertrouwelijken omgang van vier en twintig jaren, heb ik hem nooit een onaangenaam woord gegeven, of aanleiding gehad om hem dat te geven. Ik ken niemand, die minder gebreken en meer uitmuntende eigenschappen heeft dan hij.

In de vrije Staten zijn eenige voorbeelden geweest van zulke buitengewone godsvrucht onder de Negers, dat hunne levensgeschiedenis en gezegden in godsdienstige tractaatjes zijn verzameld en tot algemeen onderrigt openbaar gemaakt.

Een van deze was, voor zijne bekeering, een tuchteling in de staatsgevangenis te New-York, en ontving daar, misschien, het eerste godsdienstige onderwijs, dat hem ooit werd medegedeeld. Hij werd zulk een uitstekend voorbeeld van nederigheid, geloof en vooral van vurige liefde, dat zijne tegenwoordigheid in de buurt een zegen voor de kerk werd geacht. Eene dame heeft de schrijfster de manier beschreven, waarop hij in de godsdienstige bijeenkomsten opstond en tot het gebed vermaande, en dan met schreijende oogen en de diepste nederigheid, hen als zijne meesters en meesteressen aansprekende, evenwel godsdienstige vermaningen uitstortte, die voor de meest beschaafden stichtelijk waren.

In de stad Brunswick, in Maine, waar de schrijfster woonde terwijl zij: "de Negerhut" schreef, kan men tegenwoordig het graf zien van eene bejaarde gekleurde vrouw, Phebe geheeten, die zoo zeer uitmuntte door hare godsvrucht en het beminnelijke van haar karakter, dat de schrijfster nooit anders haren naam hoorde noemen, dan met dat eerbiedig ontzag, hetwelk men zou kunnen meenen aan eene heilige verschuldigd te zijn. Het hutje waar zij woonde wordt nog als een soort van heiligdom beschouwd en bezocht, als de plaats waar de oude Phebe leefde en bad. Hare gebeden en vrome vermaningen werden voor de oorzaak gehouden der bekeering van vele jonge lieden in de stad. In weerwil van dat onchristelijk gevoel van "caste," dat in Maine even sterk heerscht als ergens elders in Nieuw-Engeland, en hoewel de Neger in het algemeen gesproken een voorwerp van afkeer en verachting is, was echter de invloed van hare vroomheid en haar beminnelijk karakter zoo groot, dat zij door alle klassen van menschen steeds met de grootste achting en onderscheiding werd behandeld. De beschaafdste en verstandigste dames der stad achtten het een voorregt hare hut te bezoeken; en toen zij oud en hulpeloos was, werd er met de teederste zorg in hare behoeften voorzien. Toen het nieuws van haren dood zich door de stad verspreidde, wekte dit een algemeen en zeer teeder gevoel van leedwezen op. "Wij hebben Phebe's gebeden verloren," was het gezegde, dat men naderhand dikwijls van leden der kerk hoorde, als zij elkander ontmoetten. Bij hare begrafenis waren de ex-gouverneur van den Staat en de professoren van het college dragers van het rouwkleed, en werd er eene leerrede gehouden, waarin de vele uitmuntende eigenschappen van haar Christelijk karakter als een voorbeeld voor het algemeen werden aangeprezen. Een godsdienstig tractaatje, een verhaal van haar leven bevattende, door eene dame van Brunswick geschreven, werd door het Amerikaansche tractaat-genootschap uitgegeven. De schrijfster herinnert zich, dat er, toen zij, voor het eerst te Brunswick komende, dit tractaatje las, een twijfel bij haar opkwam of het niet eenigzins overdreven was. Eenigen tijd later hoorde zij eenige jongelieden over dit tractaatje spreken, en zeggen dat zij niet dachten dat het eigenlijk een regt denkbeeld van Phebe gaf. "Waarom?" vroeg de schrijfster. "Is het te hoog gekleurd?"--"O neen, waarlijk niet," was het ernstige antwoord. "Het geeft er niet het minste denkbeeld van, hoe goed zij was."

Zulke voorbeelden strekken tot toelichting van de woorden des Apostels: "Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren opdat hij de wijzen beschamen zou, en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren opdat hij het sterke zou beschamen."

John Bunyan zegt, dat hoewel de vallei der vernedering onaantrekkelijk is voor de oogen van de menschen dezer wereld, echter de allerliefelijkste bloemen daar groeijen. Zoo is het met den staat der geringen en armen in deze wereld. God heeft dikwijls, altijd inderdaad, eene bijzondere aandacht daarvoor getoond, met uit die klasse de vaten zijner genade uit te kiezen. Men bedenke, dat toen Jezus Christus kwam, om de Christelijke bedeeling te stichten, hij zijne apostelen niet koos uit de overpriesters en schriftgeleerden, kundig in de wet en hoog in de kerk; ook verkoos hij hen niet uit de wijsgeeren en dichters, wier ontwikkeld en beschaafd verstand men had kunnen meenen dat best in staat zou zijn, om zijne groote ontwerpen te waarderen; maar hij verkoos twaalf eenvoudige, arme visschers, die onkundig waren en gevoelden, dat zij onkundig waren, en die daarom gewillig waren om zich met alle eenvoudigheid aan zijn bestuur over te geven. Wat God van de ziel, meer dan iets anders, vraagt, is geloof en eenvoudigheid, de genegenheid en het vertrouwen van het kleine kind. Zelfs deze twaalf verbeelden zich nog te zeer dat zij wijs waren, en Jezus was verpligt om een klein kind in het midden van hen te plaatsen, als een meer volmaakt leeraar.

Het negergeslacht is, dit erkent men, eenvoudiger, meer gedwee, meer kinderlijk, meer vatbaar voor liefde, dan andere geslachten: en daarom vinden de goddelijke genadegaven van liefde en geloof, wanneer zij door den Heiligen Geest worden ingeblazen, in hun natuurlijk karakter een gunstiger atmospheer dan elders.