De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 59
En toen, na de uitstorting des Heiligen Geestes, al deze onsterfelijke woorden van Christus, die als een dood zaad in de harten hadden gelegen, leven en wasdom ontvingen, en tot een hemelschen bloei zich ontwikkelden, toen werden deze twaalf mannen, elk in het zijne, een andere Jezus, vervuld met den geest van Hem die ten hemel gevaren was. De eerste Kerk, als door hen geordend, was eene broederschap van strikte gelijkheid. Er was geen strijd meer wie de meeste zijn mogt; de eenige strijd was, wie het meeste dienen en dulden zou. De Christelijke Kerk was een imperium in imperio; zich voor het uitwendige aan de wetten des lands onderwerpende, doch inwendig een hooger burgerschap belijdende, en aan hoogere wetten gehoorzamende. Zij waren dood voor de wereld, en de wereld voor hen. Hare gebruiken waren niet hunne gebruiken, hare betrekkingen niet hunne betrekkingen. Al de gewone betrekkingen des levens, zoodra zij in de Kerk van Christus overgingen, ondergingen eene plotselinge, onsterfelijke verandering; zoodat de herschapene betrekking niet meerder naar de oude en heidensche geleek, dan het verheerlijkte, in onverderfelijkheid opgewekte ligchaam naar het sterfelijke dat in verderfelijkheid gezaaid was. De betrekking des huwelijks was van eene tirannische heerschappij van de sterkere sekse over de zwakkere, in eene teedere vereeniging overgegaan, die ten zinnebeeld strekte van de betrekking van Christus tot de Kerk. De betrekking van ouder en kind, van de ruwe trekken der heidensche wet gezuiverd, werd een gepast zinnebeeld van de liefde des hemelschen Vaders; en de betrekking van meester en dienaar werd op dezelfde wijze tot eene vrijwillige betrekking tusschen twee gelijke broederen verfijnd, waarin de dienaar zijne pligten, als jegens den Heer, getrouw vervulde, en de meester hem eene redelijke vergelding voor zijne diensten gaf.
Niemand heeft er ooit aan getwijfeld dat eene betrekking zoo als deze, eene onschuldige betrekking was. Zij bestaat in alle vrije Staten. Het is de in de verschillende afdeelingen des levens algemeen bestaande betrekking tusschen hem die eenen anderen bezigt, en hem die gebezigd wordt. Het is waar, dat de wettige daad van bevrijding nooit van den meester gevergd werd; en waarom? Omdat de aard van het koningrijk zelve, waarin meester en slaaf waren overgegaan, dezen laatsten reeds bevrijdde. Een meester behoeft geene schriftelijke akte van bevrijding te geven, wanneer hij zijne slaven in Canada, of zelfs maar in New-York of Pennsylvanië brengt. Het oogenblik waarin meester en slaaf te zamen op dien bodem staan, verandert hunne geheele betrekking jegens elkander. De meester moge meester blijven, en de dienaar dienaar; maar, volgens de grondwet van den Staat dien zij betreden hebben, moet de dienst eene vrijwillige dienst van de zijde des dienaars zijn, en de meester is er eene billijke vergelding voor schuldig. Toen het water des doops meester en slaaf besprengde, kwamen zij beide te zamen onder de groote grondwet van Christus' koningrijk, welke is deze:
"Zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar, en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht." Onder zulk eene wet ontving de dienstbaarheid waarde, en werd eervol gemaakt, doch de slavernij werd eene onmogelijkheid.
Dat de Kerk in haar wezen, en uit hare eigene natuur, zulk eene instelling van gelijkheid, broederschap, liefde en vrijheid was, die het bestaan van den slaaf, als zoodanig, tot eene tegenstrijdigheid en onmogelijkheid maakte, is blijkbaar uit de algemeene strekking en bedoeling van al de apostolische schriften, inzonderheid die van Paulus.
En deze beschouwing is niet het gevolg eener drooge ontleding van Grieksche woorden, of kleingeestige uitpluizing der beteekenis van het woord doulos, maar van een wegslependen stroom van dien hemelschen, onwederstaanbaren geest van leven en liefde, die uit elke beschrijving der Christelijke Kerk ademt.
Tot allen, hetzij slaven of vrijen, rigt de Apostel deze bezielende woorden: "Één ligchaam is het, en één Geest, gelijkerwijs ook gij geroepen zijt tot ééne hope uwer beroeping: Één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen, en in u allen." "Want door Hem hebben wij alle den toegang door éénen Geest tot den Vader." "Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenooten Gods: gebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen." "Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Daarin is noch Jood noch Griek: daarin is noch dienstbare noch vrije: daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus." "Want gelijk het ligchaam één is en vele leden heeft, en al de leden van dit ééne ligchaam, vele zijnde, maar één ligchaam zijn, alzoo ook Christus. Want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één ligchaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen: en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. En indien één lid lijdt, zoo lijden al de leden mede; en indien één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich al de leden mede."
Het was de theorie van deze gezegende en goddelijke eenheid, dat welke gave, of meerderheid, of voordeel, door één lid bezeten werd, deze ook door elk lid werd bezeten. Daarom zegt Paulus tot hen: "Want alles is het uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen; zij zijn allen uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is van God."
Na de Kerk dus als een levend, onafscheidelijk vereenigd ligchaam te hebben voorgesteld, bezigt de Apostel een nog sterker en indrukwekkender zinnebeeld. De Kerk, zegt hij, is één ligchaam, en dat ligchaam is de volheid van Hem, die alles in allen vervult. Dat is, Hij die alles in allen vervult, wil deze Kerk als tot deelgenoot en wederhelft van zich-zelven maken, zoo als eene vrouw van haren echtgenoot. Van dat ligchaam van geloovigen wordt gesproken als van eene geestelijke bruid; in de wereld, doch niet van de wereld; onbevlekt, goddelijk, onsterfelijk; uit den dood der zonde opgewekt tot nieuwheid des levens, vrijgekocht door het bloed haars Heeren, en die Hem, ten laatsten dage, zal worden voorgesteld als eene verheerlijkte Kerk, zonder vlek of rimpel, of iets dat verontreinigt.
Een teeder en geheimzinnig medegevoel (sympathie) wordt verondersteld deze Kerk te doordringen, zoo als dat teeder en geheimzinnig zenuwenweefsel dat over het menschelijk ligchaam is uitgebreid; het geringste lid kan niet lijden, zonder dat het geheele ligchaam smartelijk wordt aangedaan. Zoo zegt Paulus, die zelf eene volkomene verwezenlijking van deze schoone theorie was: "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?" "Denwelken gij vergeeft, dien vergeef ik ook."
Maar meer nog, individuëele Christenen ontvingen op ernstigen, plegtigen toon, de herinnering: "Of weet gij niet dat uw ligchaam een tempel is des Heiligen Geestes, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uwes zelfs niet zijt?" En wederom: "Want gij zijt de Tempel des levenden Gods: gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen." En deze zoo verhevene taal werd in die dagen niet als loutere praal van welsprekendheid beschouwd, maar was de altoos aanwezige innerlijke bewustheid der ziel.
Iedere Christen werd jegens zijne broederen tot een voorwerp van geheiligden eerbied gemaakt, als de tempel des levenden Gods. De ziel van elken Christen werd in eerbiedige stilte gesust, en tot waakzaamheid, zorgvuldigheid en heiligheid aangespoord, door de bewustheid van een inwonenden God. Daarom bezigde Ignatius, die om zijne uitnemende vroomheid, par excellence, door zijne Kerk "Theophorus, de God-drager" genoemd werd, toen hij voor keizer Trajanus stond, de volgende merkwaardige taal: "Niemand kan Theophorus een boozen geest noemen, want, daar ik Christus, den Koning des Hemels, in mijn hart draag, breng ik de listen en kunstgrepen der booze geesten ten onder."
"Wie is dan de God-drager?" vroeg Trajanus.
"Hij, die Christus in zijn hart draagt," was het antwoord.
"Meent gij Hem, wien Pontius Pilatus heeft doen kruisigen?"
"Er is er maar één, en dien meen ik," hernam Ignatius.
"Draagt gij dan den gekruisigde in uw hart?" vroeg Trajanus.
"Zoo is het," zeide Ignatius; "want er is geschreven: Ik zal in hen wonen en in hen blijven."
Zoo volkomen was de vereenzelviging van Christus met den individuëelen Christen in de Eerste Kerk, dat het eene gemeenzame wijze van uitdrukking was, van eene den geringsten Christen aangedane beleediging te spreken als van eene beleediging, Christus zelven aangedaan. Zoo zegt Paulus: "Doch gijlieden, alzoo tegen de broeders zondigende, en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus." En van zich-zelven zegt hij: "Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij."
Lees ook het volgende uit een brief, door Cyprianus, Bisschop van Carthago, aan eenige arme Numidische Kerken geschreven, die zich tot hem gewend hadden met de bede om eenige hunner leden uit de slavernij onder de aangrenzende stammen der barbaren te verlossen. (Neander, Gedenkwaardigheden, 1ste deel, bladz. 100 der Nederduitsche vertaling.)
"Wij konden de gevangenschap der broeders niet anders aanzien dan als onze eigene, hun lijden niet anders dan als ons eigen, daar wij met elkander tot één ligchaam verbonden zijn, en daar niet alleen de liefde, maar ook een eigenaardig godsdienstig belang ons moet aansporen en in staat stellen, om de broeders, die leden van ons eigen ligchaam zijn, los te koopen. Want daar de Apostel zegt: "Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt, en de Geest van God in u woont," zoo moesten wij, als de liefde ons niet genoeg kon aansporen om de broeders te helpen, in dit geval toch bedenken dat er tempelen Gods gevangen zijn, en wij mogten deze tempelen Gods door ons dralen niet langer in de gevangenschap laten; wij moesten met al onze krachten door onze gehoorzaamheid ons het welgevallen van Christus, onzen Regter, onzen Heer en God, zoeken te verwerven. Want daar de Apostel Paulus zegt: zoo velen uwer gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, zoo moeten wij in onze gevangene broeders dien Christus voor ons zien, die ons uit het gevaar van gevangenschap losgekocht, en ons uit gevaar des doods verlost heeft. Wij moesten ons gedrongen gevoelen om Hem, die ons uit de kracht des Satans bevrijd heeft, en die nu in ons blijft en woont, uit de handen der barbaren te verlossen, om voor eene kleine som gelds Hem los te koopen, die ons door zijn kruis en bloed losgekocht heeft; en die dit daarom laat gebeuren, opdat ons geloof beproefd worde.
En omdat nu het Grieksche woord doulos een slaaf kan beteekenen, en omdat het blijkt dat er in de Christelijke Kerk menschen waren, douloi genaamd, zal deze of gene, in strijd met den geheelen geest dezer schoone instelling, misschien willen beweren dat deze lieden werkelijk als slaven beschouwd werden in den zin der Romeinsche en Amerikaansche wet? Van alle lompe, averegtsche, moedwillige domheden, is deze wel de domste. Toegegeven dat Christelijke meesters bedienden hadden die men douloi noemde, zoo als het duidelijk genoeg is dat men zulks deed, is het dan niet blijkbaar dat het woord douloi de beteekenis gekregen had van iets, dat in de Christelijke Kerk zeer verschilde met hetgeen het in de Romeinsche wet beteekende? Het was de taak der Apostelen niet, nieuwe woordenboeken te maken; zij veranderden geene woorden--zij veranderden zaken. De gedoopte, herborene, nieuw geschapene doulos, van één ligchaam en éénen geest met zijnen meester, met dezen één gemaakt, zoo als Christus één is met den Vader, en, met zijnen meester, een lid van die Kerk welke de volheid van Hem is die alles in allen vervult:--was zijne betrekking tot zijn Christelijken meester gelijk aan die van den Amerikaanschen slaaf tot zijn meester? Zou hij, die zijn zwaksten broeder als één met Christus beschouwde, zijn broeder als een roerend goed bezitten? Kon hij Christus als roerend goed bezitten? Kon hij Christus voor geld verkoopen? Kon hij den tempel des Heiligen Geestes als zijn eigendom bezitten, en in goeden ernst zijn regt verdedigen om dien naar welgevallen te verkoopen, te verpanden of te verhuren, zoo als dat regt in de slaven-houdende Staten van Amerika op den kansel beweerd wordt?
Wat zou men bij zulk eene leer gezegd hebben, wanneer zij in de Christelijke Kerk ware voorgedragen geworden? Elk der leden zou zijne ooren toegestopt, en uitgeroepen hebben: "Judas!" Zoo de vloek over hem werd uitgesproken, die meende dat de gave des Heiligen Geestes voor geld te koop was, wat zou er dan van hem gezegd zijn geworden, die meende dat de tempel des Heiligen Geestes zelve gekocht en verkocht, en Christus de Heere eene koopwaar kon worden? Er was nimmer sprake van zulk een denkbeeld. Het kon niet wederlegd zijn geworden, want het heeft nooit bestaan. Het was een ongehoord ja ondenkbaar werk des duivels, hetwelk Paulus zelfs niet eenmaal als mogelijk beschouwde, dat de eene Christen een regt kon beweren om den anderen Christen als koopwaar te bezitten, en handel te drijven in de "leden des ligchaams, het vleesch en been" van Christus. Zulk een afgrijselijk denkbeeld heeft de onschuld der Christenkerk zelfs niet in hare gedachten bevlekt.
De vermaningen, door Paulus aan Christelijke meesters en dienstknechten gegeven, toonen genoegzaam welk eene heiligende verandering de instelling ondergaan had. In den eersten brief aan Timotheus geeft Paulus de volgende vermaningen, eerstelijk aan hen die heidensche, en vervolgens aan hen die Christelijke meesters hebben. Die met betrekking tot heidensche meesters wordt aldus uitgedrukt: "De dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren aller eere waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde." In het volgende vers wordt aan de dienstknechten van Christelijke meesters de vermaning gegeven: "En die geloovige heeren hebben, zullen ze niet verachten, omdat ze broeders zijn: maar zullen ze te meer dienen omdat zij geloovig en geliefd zijn, als die dezer weldaad mede deelachtig zijn."
Let nu eens op het contrast tusschen deze vermaningen. De dienstknecht van den heidenschen meester wordt gezegd onder het juk te zijn, hetwelk klaarblijkelijk insluit dat de dienstknecht van den Christelijken meester niet onder het juk was. De dienstknecht van den heidenschen meester was onder de strenge Romeinsche wet; de dienstknecht van den Christelijken meester is een gelijke, en een broeder. Onder deze omstandigheden wordt den dienstknecht van den heidenschen meester gehoorzaamheid bevolen, ter aanbeveling van de Christelijke godsdienst. Aan de andere zijde wordt den dienstknecht van den Christelijken meester bevolen zijnen meester niet te verachten omdat hij zijn broeder is; maar hij behoort hem te gehoorzamen omdat zijn meester een geloovige en geliefde is, een deelgenoot van dezelfde heerlijke hoop als hij zelf. Verondersteld nu eens dat een geestelijke, op eene katoen-plantaadje gebezigd, waar de meeste leden der plantaadje--zoo als wij onderrigt zijn dat somtijds het geval is--leden zijn van dezelfde Christelijke Kerk als hun meester, de slaven tot zich zou roepen, en hen aldus toespreken: "Nu, jongens, ik wil niet dat gij uw meester verachten zult omdat hij uw broeder is. Het is waar dat gij allen één zijt in Christus Jezus; daar is hier geen onderscheid; daar is Jood noch Griek, neger noch blanke, slaaf noch vrije, maar gij alle zijt broeders,--alle te zamen ledematen van Christus, en erfgenamen van hetzelfde Koningrijk; maar gij moet uw meester uit dien hoofde niet verachten, gij moet hem als een broeder beminnen, en gewillig zijn om alles te doen wat gij kunt om hem te dienen, omdat gij ziet dat hij een deelgenoot is van dezelfde weldaad als gij, en de Heer hem even zeer bemint als u." Zou zulk eene toespraak niet eene zekere mate van verbazing, zoo wel bij den meester als bij de slaven wekken; en doet het feit dat zij ongerijmd schijnt, het niet in het oog vallen dat de betrekking van den slaaf tot zijnen meester onder de Amerikaansche wet zeer onderscheiden is van hetgeen zij in de Christelijke Kerk was? Doch laat ons een anderen tekst aanhalen, dien slaven-eigenaars zoo gaarne in hun voordeel trekken. In Colossensen III: 22-24 en IV: 1 staat geschreven: "Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar den vleesche, niet met oogendiensten als menschenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God, en al wat gij doet, doet dat van harten als den Heere, en niet den menschen; wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus." "Gij heeren, doet uwen dienstknechten regt en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heer hebt in de Hemelen."
Nu is er in deze vermaningen aan dienstknechten toch wel niets, hetwelk bewijzen zoude dat zij slaven waren in de beteekenis der slaven-wet, als roerend goed namelijk; want zij zijn even zeer toepasselijk op elken bediende in Oud en Nieuw Engeland; maar in de vermaning aan hunne meesters is iets hetwelk bewijst dat zij door de Kerk niet als roerend goed beschouwd werden, omdat den meester bevolen wordt hen te geven wat regt en gelijk is, als eene belooning voor hunne diensten. Van de woorden "regt en gelijk" beteekent "regt" datgene wat hen wettig toekomt, en "gelijk" datgene wat op zichzelve regtmatig is, ook al wordt het niet door de wet voorgeschreven.
Maar nu bezitten wij het onbetwijfelbare getuigenis van alle wettige autoriteiten over de Amerikaansche slavenwet, dat de Amerikaansche slavernij geene aanspraak maakt van gegrond te zijn op hetgeen "regt" of op hetgeen "gelijk" is. Zoo zegt de regter Ruffin: "Het kan alleen in het afgetrokkene gevraagd worden of deze of gene magt van den meester met het regt overeenkomstig is. Het antwoord zou waarschijnlijk de eene met de andere wegvegen;" en dit beginsel, zoo ondubbelzinnig door den regter Ruffin uitgesproken, is, zooals wij gezien hebben, in alle redeneringen over de slavernij en de slavenwet, reeds voorlang volkomen toegegeven. Er wordt maar zeer weinig regtsgeleerde scherpzinnigheid vereischt, om te zien dat de invoeging dezer woorden van Paulus in de wet van den eenen of anderen Staat, eene practische vernietiging der slavernij in dien Staat zou medebrengen.
Maar, zegt men, Paulus heeft Onesimus aan zijn meester terug gezonden. Het is waar! maar hoe? Toen, tot onze eeuwige schaamte en schande, de verschrikkelijke wet tegen de gevlugte slaven in Boston ten uitvoer gebragt werd, en de Wieg der Vrijheid zelve van het gekerm der slaven weêrgalmde, en menschen, hardvochtiger dan Saulus van Tarsus, de Kerk ten plunderbuit maakten, in de huizen drongen, mannen en vrouwen grepen en ze in de gevangenis wierpen, toen geheele kerken van onschuldige Christenen opgebroken, en deze als kudden van sidderende schapen verstrooid werden; toen echtgenooten en vaders van hunne huisgezinnen werden afgerukt, en moeders, met arme hulpelooze kinderen, te middernacht, met bloedende voeten, door sneeuw en ijs, naar Canada vloden;--te midden van deze tooneelen, die Amerika tot een spreekwoord en eene uitfluiting onder alle natiën gemaakt hebben: toen heeft men mannen, Christenen, dienaren zelfs van Jezus' Evangelie gevonden, die--helaas, dat dit ooit moest worden opgeteekend!--op den kansel staande, in den naam en uit het gezag van Christus, deze gruwelen goedkeurden en regtvaardigden, en dezen allerbeminnelijksten en allereenvoudigsten brief van Paulus misbruikten om deze ongehoorde afgrijselijkheden te verdedigen!
Hij die zeide: "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?"--hij, die den bekeerden slaaf zijne ingewanden, zijnen zoon noemde, dien hij in zijne banden geteeld had, en die hem tot den broeder zijner ziel terug zond met de vermaning: "Neem hem aan als mij zelve, nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefde broeder,"--deze schoone brief, deze uitstorting van teederheid en liefde, meer dan liefde der vrouwen, werd open geslagen om door de vuile grijpvogelklaauwen van slavenkoopers en slavengeeselaars, als hun in naam van Christus en zijne Apostelen geteekende en gezegelde lettre de cachet, naar zich gehaald te worden, als volle magt verleenende om slaven terug te voeren om gepijnigd en gegeeseld, en in eeuwige slavernij verkocht te worden, zoo als Henry Long en Thomas Sims! Even zoo goed zou de brief eener moeder, waarin zij, met tranen en gebeden, haar eerste en eenigste kind aan de teedere liefde en het medegevoel van een vertrouwden vriend aanbeveelt, door een Inquisiteur als volmagt gebezigd kunnen worden om dat kind in den kerker te werpen en te folteren. Ware niet het laatste overblijfsel van 's Apostels ligchaam reeds lang tot stof vergaan, dan zouden zijne beenderen zich nog in hun graf bewogen hebben, om tegen zulk eene belastering van den Christelijken naam en het Christelijk geloof te protesteren. En is het hiertoe gekomen, O Jezus Christus! heeft men zulke dingen in Uwen naam gedaan, en zwijgt Gij nog? Voorwaar, Gij zijt een God die u verbergt, o God Israëls, de Verlosser!
HOOFDSTUK V.
VERVOLG.
Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen, alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten te weeg te brengen.
Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk afkeurden, en waaraan zij zich onderwierpen even zoo als zij den slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.
Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: "Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid."
Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.