De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 58

Chapter 583,810 wordsPublic domain

"Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen, waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.

"Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegen mij opgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.--Niemand antwoordt.

"En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: "Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!"

"Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij er aan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!

"Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: "Het is beter niet te trouwen." Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.

"Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede, dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.

"Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen--zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden."

Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering nam de door de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid; en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.

Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen, en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.

Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land, en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.

Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.

Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.

Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.

Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.

Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijd was. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.

Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.

IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.

Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder den mayor, tot bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig, zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat, nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren, klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.

Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten laatste werd het gebouw werkelijk in brand gestoken, en zij vlugtten naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het Altonsche treurspel.

Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: "Het is wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen verzaakte!" Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!

HOOFDSTUK IV.

DE DIENSTBAARHEID IN DE EERSTE CHRISTENKERK, MET DE AMERIKAANSCHE SLAVERNIJ VERGELEKEN.

"Look now upon this picture!--and on this."

Hamlet.

Het is de standvastige bewering van die belijders der Godsdienst in het Zuiden, die de slavernij volhouden, dat zij, met betrekking tot deze, op dezelfde wijze te werk gaan, als Christus en zijne Apostelen. Beschouwen wij derhalve de handelwijze van Christus en zijne Apostelen, zoowel als den aard van het koningrijk door hen gegrondvest, en zien wij wat er van de zaak is.

Napoleon zeide eens: "Alexander, Cæsar, Karel de Groote, en ik, hebben rijken gesticht; doch waarop steunde de schepping van ons genie? Op geweld. Jezus Christus alleen stichtte zijn Rijk op LIEFDE."

De begeerte om in magt, rang en vermogen boven anderen te zijn, is eene der diepste in de menschelijke natuur. Zoo er iets is wat den mensch van andere schepselen onderscheidt, dan is het dat hij een onderdrukkend dier par excellence is. Op dit beginsel, zoo als Napoleon opmerkte, zijn alle Rijken gegrond geweest; en aan het denkbeeld om op eenige andere wijze een Rijk te grondvesten, was zelfs nog nimmer gedacht geworden, toen Jezus van Nazareth verscheen.

Toen de rustige Galileër, door den nederdalenden Geest gekroond en verheerlijkt, uit de wateren van den Jordaan opsteeg, en begon te prediken, zeggende: "Het Koningrijk Gods is nabij gekomen," welke verwachtingen wekte Hij toen niet? De hoofden der menschen waren vol van legers die er te gebieden, van landstreken die er te veroveren, van kabinetten die er te vormen, van staatsambten die er uit te deelen zouden zijn. Er viel niet aan te twijfelen dat Hij hen dat alles bezorgen konde, want bezat Hij geene wonderkracht?

Het was daarom, dat Jezus van Nazareth zeer populair was, en geheele scharen tot zich trok.

Uit dezen koos Hij zich, uit de geringste standen, twaalf mannen van de beste en eerlijkste karakters die hij vinden konde, die Hij tot zijne onafscheidelijke medgezellen maken, en, door zijne symphatie en vriendschap, tot de geschiktheid vormen wilde om zijne denkbeelden te ontvangen en aan de menschen mede te deelen.

Maar ook zij, hoe opregt en eenvoudig van harte zij ook wezen mogten, waren door de algemeene ondeugd des menschdoms verblind en betooverd; en, al beminden zij Hem ook uit den grond hunner ziel, toch sloegen zij altoos nog het oog op de ambten en rangen die Hij zou uitdeelen, wanneer, volgens hunne verwachting, dat wonderdadig koningrijk in zijn luister verschijnen zou.

Terwijl zijn hart worstelde en arbeidde, en zich door nachten vol gebeden sterkte om verlating, verraad, verloochening, verwerping en een schandelijken dood te gemoet te gaan--al hetwelk zijn geliefd volk hem zou aandoen--voerden zij steeds dwaze twisten over de ambten in het nieuwe koningrijk. Andermaal en nogmaals zeide hij hen met de duidelijkste woorden, dat zoo iets volstrekt niet te verwachten was; dat er geen ander onderscheid in zijn koningrijk zijn zoude dan het onderscheid van smart, lijden en zelfverloochening, tot heil der menschen vrijwillig te ondergaan.

Zijne woorden schenen hen een ijdel verhaal toe. Inderdaad beschouwden zij Hem als eene soort van mythe,--eene verborgenheid,--een vreemd, bovennatuurlijk, onverklaarbaar wezen, dat altoos in gelijkenissen sprak, en dingen zeide die zij niet verstaan konden.

Aan ééne zaak nogtans kleefden zij vast: Hij was een koning--Hij zou een koningrijk hebben; en Hij had hen gezegd dat zij zitten zouden op twaalf troonen, rigtende de twaalf geslachten Israëls.

En toen Hij nu opging naar Jeruzalem om te sterven; toen de zielsangst, waarmede Hij reeds lang van verre geworsteld had, bijkans rakelings genaderd was, en Hij stil en afgetrokken voor hen uitging, tusschenbeide afgebrokene gezegden tot hen rigtende, naar wier beteekenis zij schroomden te vragen--toen bragten zij, die achter hem wandelden, den tijd te loor met den gewonen twist "wie hunner de grootste zou zijn."

De moeder van Jacobus en Johannes kwam tot Hem, en brak zijne treurige mijmering af door eene zekere zaak van hem te begeeren--dat, namelijk, hare beide zonen, de een aan zijne regter- en de ander aan zijne linkerhand zitten mogten, als eerste staatsdienaars in het nieuwe koningrijk. Met het treurige, verreziende oog nog steeds op Gethsémané en Calvarië gevestigd, zeide Hij: "Gij weet niet wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden waarmede Ik gedoopt word?"

Jacobus en Johannes waren beide ten volle verzekerd dat zij dit konden. Zij waren gewillig om voor de zaak des koningrijks te strijden. De andere tien namen zulks zeer kwalijk. Waren zij er niet even gewillig toe als Jacobus en Johannes? En zoo streden zij onder elkanderen.

Maar Jezus riep hen tot zich, en zeide: "Gij weet dat de oversten der volkeren heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken magt over hen. Doch alzoo zal het onder u niet zijn; maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar, en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht. Gelijk de Zoon des menschen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen."

Laat ons nu tot eene andere week in deze geschiedenis overgaan. De discipelen hebben hunnen meester in triomf Jeruzalem zien binnen trekken, onder de vreugdekreten der menigte. Een onbeschrijfelijk iets in zijn voorkomen en wijze van doen, overtuigt hen dat er eene groote crisis op handen is. Hij wandelt onder de menschen als een nedergedaalde God. Nooit waren zijne woorden zoo krachtig en doordringend geweest. Nooit waren er woorden op aarde gesproken, zoo vol geest en gloed als die van de laatste week uit het leven van Christus. Al de ijver, al de vurigheid en beeldrijkheid der oude profeten schenen uit den dooden verrezen te zijn, verhemeld en verheerlijkt in den persoon van dezen Jezus. Zij durven Hem niet vragen, doch zijn er nu van verzekerd dat het koningrijk zal worden opgerigt. Zij voelen, in de schokken van die krachtige ziel, dat een groote tijdkring geëindigd is, en eene nieuwe periode in de wereldgeschiedenis aanvangt. Misschien zal op dit zelfde Paaschfeest de tijd gekomen zijn dat de wonderdadige banier ontplooid, en het nieuwe, onsterfelijke koningrijk zal worden uitgeroepen. Op nieuw worden de eerzuchtige verlangens wakker. Dit nieuwe koningrijk zal rangen en waardigheden hebben. En wie zullen er mede bekleed zijn? Terwijl alzoo hun Heer in gepeinzen verdiept zit, en in Zijnen geest dat eenvoudige gebod van liefde overdenkt, dat Hij als grondwet van Zijn koningrijk zal vaststellen, wordt er wederom verhaald: "En daar werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn."

Ditmaal berispt Jezus niet. Hij laat geen ongeduld, geen tegenzin, geen misnoegen blijken. Wat doet hij dan? Hoor wat Johannes zegt:

"Jezus, wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God henen ging, stond op van het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende een linnen doek, omgordde zichzelven. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wasschen, en af te droogen met den linnen doek, waarmede hij omgord was." "Als Hij dan hunne voeten gewasschen, en zijne kleederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij wat Ik ulieden gedaan heb? Gij heet mij Meester en Heer, en gij zegt wel, want Ik ben het. Indien dan Ik, de Heer en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet."

"Voorwaar, voorwaar zeg ik u, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gij dezelve doet."

Hier dan hebben wij den Koning, en de grondwet van het Koningrijk. De koning op de knieën, aan de voeten zijner dienaren, den laagsten huiselijken dienst verrigtende, met de aankondiging: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet."