De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 56
Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en "Covenanters" niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat "GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;" en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de "Illinois Anti-slavery Society" onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der "Old School" hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: "Zoo ik een misdadiger ben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn." Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.
Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.
Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van de fashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen--eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze, zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is het harnas der regtvaardigheid.
Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,--alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.
Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De "Presbyteries" van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der "Old School" houdt, zonder tucht of protest, met deze "Presbyteries" gemeenschap. De Vergadering der "New School" betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de "Old School," terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.
Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der "New School," en ook vele der "Old School," besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:
Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eene ongeschikte wijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoe waar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welke dupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar, zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de "Connecticut General Association" de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan den New-York Observer de voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de "Godsdienstige voorregten en het onderwijs" der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.
Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheid van het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot de zachte behandeling der slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De "meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, "behandelen hunne slaven met zachtheid." Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die het ligchaam betreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de "meerderheid der slaven-houders" goedaardig is, de meerderheid der slaven in dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, één enkel man in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd--een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met "Su" doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord "vrijheid;" maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: "Wat zal ik met "Su" aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is." Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne "Su," ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!
Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaak voor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt--dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies--dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?
Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?
Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: "Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beter deel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde."
Maar welligt zal men zeggen: "De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?" Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haar op de regte wijze had aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar niet verkeerd hebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen--mannen, vrouwen en kinderen--ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna's in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: "Meester, bestraf uwe discipelen." Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: "Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden."
Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van "brand!" bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen hen in de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.
"Mijn hemel!" zegt een deftig lid der Vergadering, "welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!"
"Zij verraden een zeer slechten geest," merkt een ander op; "wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen."
Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.
"O! er is brand!--een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,--mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!"
"Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig," zegt er een.
"Ik heb opgemerkt," zegt een ander, "dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;--ik wil niet gaan zien."
Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.
"Wel, er is brand, dat lijdt geen twijfel," zegt er een.
"Er moet iets gedaan worden," zegt een ander.
"Ja," zegt een derde; "zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen."
"Op mijn woord," zegt een vierde, "er zijn vrouwen onder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan."
En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.
"Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown," zeggen deze mannen, "om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons."
En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.
"Om 's Heeren wille, DOET IETS!" is de kreet. "Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen! Iets om te stuiten!"
"Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen," zegt iemand van die toeschouwers.
Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.
"Het zijn onhandelbare enthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen," zegt een ander.
Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geene aardsche handen hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dien VIJAND u aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, dat BRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.
Kerk van Christus, er was eens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu--staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.
Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als "de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar," en zeggen: "Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!"--dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.
O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten! Uw God de verdediger der slavernij!--uw God de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.
Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.