De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 55

Chapter 553,320 wordsPublic domain

De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!

De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der "Old School" tot gemeenschappelijke viering van 's Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der "New School" hield deze gevoelens voor geene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!

In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wij in aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.

In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: "Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden." Een ander voorstel was van een ouderling uit Pennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij, prima facie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.

Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: "Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin het uit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en "presbyteries" wordt overgelaten." De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft--inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijke en Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der "Old School" voornemens was te doen.

In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: "Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben." De gansche maatschappij ging toen éénen weg op--al de rijkdom, al de magt, al de fashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.

De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeide niets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij had alles gedaan, wat zij verlangden.

Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der "Presbyteries" in slaven-houdende Staten van drie tot twintig geklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.

Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis--het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendoms overeen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en de vrije Presbyteriaansche Kerk vormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd--het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.

Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,--genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.

Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.

De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegeven wist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan, als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen--ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.

Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagt wil niet toegeven,--wij moeten het. Het Zuiden zegt: "Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat." De Vereeniging der zondagsscholen heeft Mr. Gallaudet's geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? "Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wij kunnen meer goed doen door de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden." Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het even hoe zij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?

Hier zijn wij, in deze crisis,--hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,--wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!

De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaat over het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maar alleen uit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!

Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goede bedoeling niet genoeg is.

In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;--dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde--door onze schuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft--naar den afgrond!

Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,--de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme, als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijke getuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der "New School" heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?--had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?

Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De "Presbyteries" van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?--Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig mensch al sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.

Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:

Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, "uit die stad vertrekke."

Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.

Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.

Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de "Home Missionary Society," die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de "New School" der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, "zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen."

Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.

Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: "Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden."

Dit is een edel standpunt.