De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 54

Chapter 543,627 wordsPublic domain

Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op het erkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.

2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderen zich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,--een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.

Voor dit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daar tegen slechts dertien.

Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.

In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.

In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij "TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET," en "VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;" en toch niettemin "dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap."

Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.

In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der "New School." Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende "Presbyteries." Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.

Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.

Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: "Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verre te gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de "Old School" overgaan."

Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: "Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?"

Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.

Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der "instelling" allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den "Presbyteries" de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: "De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen." De Eerwaarde George Beecher stelde voor om het woord: zedelijk vóór het woord: kwaad in te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.

In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.

De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde:

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, "Presbyteries" en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.

Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:

Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;--is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.

Niettemin ging het volgende besluit door:

Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der "wereld" is "die in het booze ligt," en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen de kunst te onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:

1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.

2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.

3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningen der slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.

4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken, dat gemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.

5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welke wij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.

6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), "Presbyteries" en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.

Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.

Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de "New School" met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en hare vernietiging wenscht. In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.

Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk te noemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis ware geuit geworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: "De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen."

Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zonde per se was, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al die vreeselijke foltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: "Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening der Kerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel--wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan."

Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. "Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid." [24] En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat is haar belang niet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam van leeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.

Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een' ander' op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een' derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al de fashion des lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.

En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij iets uitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet iets gedaan te worden wat die uitwerking kan hebben?

Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerkt dat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De "New School Presbytery" van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die "Presbytery" zeide, dat zij nooit op hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De "Presbytery" van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de "New School Presbytery" van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der "New School" niet beslist had, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.

De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.