De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 53

Chapter 533,499 wordsPublic domain

Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigd zijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk, zijt gij een abolitionist? zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.

Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,

J. P. Durbin. J. Kennaday. Ignatius T. Cooper. William H. Gilder. Joseph Castle.

Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.

In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:

1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegen MENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16; en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel. Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt. Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en ze HOUDEN, KOOPEN of VERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.

Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werd eenstemmig aangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:

Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: "alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo." De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijs zullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaaf altoos is blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben--zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is--is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.

Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders, eenparig goedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:

Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, en algemeen ingezien en erkend wordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door de VOLKOMENE AFSCHAFFING der slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.

Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een groot abolitie-genootschap gevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.

De "Assembly" zegt verder dat de slaven voor tegenwoordig nog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de "Assembly") treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat "een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeente DE SLAVERNIJ VERAFSCHUWT en HARE VERNIETIGING wenscht." Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan "met betrekking tot het openbare welzijn onvermijdelijk gevorderd wordt;" en om zich "door geene andere inzigten te laten beheerschen dan "eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing de nadeelen en ongelegenheden die zij mogt medebrengen, geen invloed mogen uitoefenen." Zij waarschuwt tegen eene "noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid" als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.

Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen, eenstemmig werd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats van scholen te verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!

Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeen gevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:

Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.

Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien. Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats. Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth. Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben. Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn. In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft men de kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.

De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woord zelden, door er nooit voor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de "Assembly," en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.

In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:

Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijke ZONDE is. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.

In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: "voedt het voor mij op," het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden--en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.

Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.

Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeer afschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.

De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van den Emancipator schreef: "Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen."

De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:

Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:

Is uit dien hoofde besloten:

1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.

2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.

De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:

Is besloten:

1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.

2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.

3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.

De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderden afzonderlijk, en besloten:

Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.

Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:

Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart dat geene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uit krachte van hun gezag het geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen, is, derhalve, besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.

Het beloop van den slavenhandel,--tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,--kan uit de volgende items worden afgeleid. In een artikel van den Virginia Times uit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. De Natchez Courier (Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!

De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:

In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten, spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen die letterlijk in ketenen was. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: "'s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!" Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. "Ach!" riep mijne hospita, "dat is mijn broeder!" Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoeking doen? spreekt de Heere. Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?

Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.

Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.

Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de "New School" genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de "New School General Assembly." In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende "presbyteries." In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.

Het gedrag der "Old School Assembly," na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze: