De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 52

Chapter 523,539 wordsPublic domain

Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen, zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene, onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen, die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.

Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet onaardig, "de dolkmes-manier" genoemd geworden; en het behoeft ons niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer ver van den geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.

Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede, te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er verbrand moesten worden.

Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve, niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.

Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doen moest. Zij zijn even zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed- en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die, onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.

In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend worden. Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad; en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen, heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans, telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven, alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige, biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het, onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.

Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn, door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed, natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunne broederen te overtuigen, zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben, zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.

Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke kerk te dezen aanzien verrigt is.

Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:

1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is, evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige andere wettige maatschappelijke betrekking. ("Harmony Presbytery" van Zuid-Carolina).

2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn der slaven. ("Charleston Union Presbytery.")

3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche kerk in Petersburg).

4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven is. (James Smylie en zijne "Presbyteries.")

5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap worden goedgekeurd. (Dezelfden).

6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging te Charleston).

7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend is. (Dezelfde).

8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).

9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd is de slavernij onregt te noemen.

10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden als eene scheiding door den dood, en het aan de partijen vergund mag worden te hertrouwen. ("Shiloh Baptist Association" en "Savannah River Association.")

11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).

Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.

Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan, en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk met betrekking tot die beginselen terug.

HOOFDSTUK II.

In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?

Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.

Een geestelijke in de "Cincinnati New school Presbytery," predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbel gebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die "Presbytery" in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De "New School General Assembly" vernietigde nogtans deze beslissing der "Presbytery," en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de "Presbytery" hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de "Old School Church."

De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.

Omstreeks den tijd dat Smylie's vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.

Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.

Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag van praktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.

De Presbyteriaansche kerk der "Old School," tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een' man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de "Presbytery" voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.

De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der "Old School Assembly," beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: "het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder."

Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.

De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.

Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam's zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenis der handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:

De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.

In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:

Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.

Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot 's Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.

Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.

In 1801:

Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.

Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.

De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.

Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:

Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd, is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zij alle regt, wensch of voornemen tot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat, ten eenemale ontkennen of afwijzen.

Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaak der slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:

Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***

De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.

In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp te onthouden. [23]

In 1838 besloot de Conferentie,

dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den "Zions Watchman" mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.

Men zal zich herinneren dat "Zions Watchman" door Le Roy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.

In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.

Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:

Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.

Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7den April 1847: