De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 51
Mr. Jones zegt, in zijne "Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs der negers," (pag. 83). "De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers) systematisch en op den duur in Mississippi bezig." De eerstgenoemde geestelijke wordt gekenschetst als een "bejaarden en onvermoeiden vader." In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist opzeggen." Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels van Mr. Smylie's vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken, en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een gedeelte zijner Inleiding af te schrijven, al ware het enkel om het daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke wateren wordt aangetroffen.
Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.
Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der abolitionisten, namelijk, dat de slavernij in zich zelve zondig is, veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd; terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij, op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die betrekking met zich brengt.
Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar, dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene, wat door Gods woord veroordeeld wordt.
De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden, en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is, wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet door het woord van God, maar door de leeringen van menschen geleid wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij, overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf "regtvaardiglijk handelt," eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.
"Hoe liefelijk op de bergen" zouden--naar de schatting van den schrijver--"de voetstappen van hem zijn, die"--aan den wilde van Borneo--"de blijde boodschap verkondigde" dat zijn gedrag, in het sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen werd terug gehouden door de bedenking--"zoo ik onregtvaardigheid in mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren." In plaats van, zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk het gebaande pad zijner pligten.
Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde in te zien, en te zeggen: "Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand," gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den hemel te zweepen, gevoelt hij dat "zijne wegen wegen van vrolijkheid, en zijne paden vrede zijn." Thans onderscheidende tusschen het wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen onoplosbaar geschenen had, namelijk: "De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele." [22]
Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;--het is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58, waar het Latijnsche motto: Facilis descensus Averni, sed revocare, etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die, zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die geen Latijn verstaan:--"Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan, maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen."
Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte "Sams" en jonge "Topsys" in de geheimenissen van den Assembly's Catechismus onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!
Dat Mr. Smylie's gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen kunnen bewijzen.
Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.
Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de meeste der slaven-staten bestaan er gestrenge wetten, die aan een ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis, ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen; en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26sten December 1831, bekrachtigd. Bij eene "meeting" van slavenhouders te Sterling, in denzelfden Staat, den 4den September 1835 gehouden, werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van den een' of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagblad Milledgeville Federal Union van den 1sten Februarij 1836, behelsde eene uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid der parochie van East-Feliciana bood, in het Louisville Journal van den 15den October 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13den Augustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden, werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland, een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg--dewijl niemand dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van den Staat welks burgers zij waren--was dit een openbaar aanbod van belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden vereenigingen, onder den naam van Committés van Waakzaamheid, gevormd, het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton, Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:
Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot den werkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.
Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.
Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.
De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was, hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.
Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den Staat Tennessee bijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, de ouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van 's Heeren Avondmaal had uitgereikt.
Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingen in het bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is, dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden; en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.
De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:
Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston in Zuid Carolina, berigt ons de Charleston Courier "dat de in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk verhoogde." Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk een indrukwekkend tooneel was!
Op deze bijeenkomst werd besloten:
Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin de bevolking der vrije kleurlingen onderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.
Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels, er zich op dezelfde wijze over uiten zal.
De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder vaardig was dan die van Charleston om "aan het algemeen gevoelen" te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29sten Julij, en besloten, eenstemmig:
Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.
Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.
Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.
De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina, besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever van Zion's Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld had, zoo als wij straks verhaald hebben.)
Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonder Zion's Watchman uit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,
J. C. Postell.
Orangeburgh, 21 Julij 1836.
De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, aan den uitgever van den Emancipator schrijvende:
Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van den Emancipator and Human Rights zou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In alle zedelijke aangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!
De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de "West-Hanover Presbytery."
Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij 's Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu, waarde Christen broeders, druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij u kwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan het publiek overgeleverd worden, om op andere wijze met hem te werk te gaan.
Uw toegenegene broeder in den Heere,
Robert N. Anderson.
De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid van de "Old School" der Presbyteriaansche kerk, levert een ander voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.
Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.
Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.
Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten dat zij gegrepen (lynched) zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemens is om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.
In de vergadering der gemeente van de "New School" zeide de Eerwaarde Dr. Hill, uit Virginië:
De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.
Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks, dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.