De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 50

Chapter 503,506 wordsPublic domain

Broeder Gapers antwoordde, dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had, niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij een zedelijk kwaad (dat is, zondig) ware, alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tot haar regtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan het burgerlijk gezag toekomt, en bijgevolg niet zondig is.

Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.

In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten) twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide, uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat "zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernij ONREGT te noemen." De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina, waarin hij betuigde dat hij "met ongeveinsd en bijzonder genoegen" de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried, "als thans hoogst noodzakelijk."

"Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het Christendom (!) in Zuid-Carolina" achtte een herdruk van Mr. Freeman's vlugschrift nuttig, als een godsdienstig tractaat!

Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte, werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.

Nu zou de vraag kunnen ontstaan--en bij elken verstandigen denker onder het Christendom moet zij wel ontstaan:--kan het mogelijk zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van dat land, en door de beslissingen zijner geregtshoven omschreven, alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en bekrachtigen;--kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die, onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen zij haar, zoo als zij thans in Amerika bestaat?

Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.

Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.

Het zijn deze:

1. Het verbod van het getuigenis der kleurlingen in regtszaken.

2. Het beletten der opvoeding.

3. De binnenlandsche slavenhandel.

4. De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.

Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden, het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens hunne gevoelens is gebezigd geworden.

In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:--"Dat het voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is."

Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed, zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden stemden vóór het besluit.

Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het besluit vast en onveranderd zou blijven. De geest der discussie moge uit het volgende uittreksel blijken.

Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had voorgesteld, drukte zich aldus uit:

Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemd als een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef, het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.

De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen, zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.

Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: "wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!" Wij kunnen u niet handhaven in de noodzakelijke voorwaarden van het slavenbezit; één dier noodzakelijke voorwaarden de verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden, dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houden onder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond en openlijk, en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijke sympathieën vervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons, als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. *** Gij hebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maar thans herroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg, gij trekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde, en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, "al zouden de hemelen vergaan!" Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: "wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!" Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.

Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als aanhangsel, hetwelk de onverminderde belangstelling der Algemeene Conferentie voor de bevolking der kleurlingen uitdrukte.

Het is allerduidelijkst dat zij onverminderd was, om de beste der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit de daadzaak dat "the official members of the Sharpstreet and Ashby Coloured Methodist Church in Baltimore," tegen de motie protesteerden en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:

De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank--eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,--heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;--zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen, krachtig verklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***

Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken. Onze kwelling is voor u! Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gij vijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;--zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer "kleinen" te ergeren,--zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.

"Een Baltimoorsch kleurling", aan den uitgever van den Wachter Sions schrijvende, zegt:

Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondene van de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker: het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.

Met betrekking tot het tweede punt--de verdediging der wetten, die den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren--hebben wij het volgende voorbeeld:--

In den jare 1835 rigtte de "Chillicothe Presbytery, Ohio," een Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:

Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.

Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere misbruiken altoos zijn verdedigd geworden--met het woord van God. De tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit onderwerp. Hij zegt (pag. 63):

In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen, en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.

Iets verder voegt hij er bij:

De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.

Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:

Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.

Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was, die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:

Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot deze leerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van "verleidende geesten," "leeringen der duivelen" onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.

Zoo veel wat die wet betreft.

Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens, alleen met oogmerk om winst te doen.

Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben dan alleenlijk winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De slavenhandelaar koopt en verkoopt slechts met het eenige doel om winst te bejagen.

Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:

Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.

In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt de heer Smylie (pag. 13):

Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.

En verder:

Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven "eene afschuwelijke zonde en aanstoot is."

En wederom (pag. 21):

Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven, als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.

****

Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, een geschreven verlof aan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid, mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf ("gij zult koopen") om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene "afschuwelijke zonde en aanstoot" te zijn?

God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever "zullen," "koopen, bezitten en houden" slaven en slavinnen, in dienstbaarheid, voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat "het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is."

Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou kunnen verlangen, dan deze.

Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking, die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.

In 1835 gaf de "Savannah River (Baptist) Association" op de vraag:

Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?

het volgende antwoord:

Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren, burgerlijk eene scheiding door den dood is, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan de kerkelijke censuur bloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt. De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.

Aan de "Shiloh Baptist Association," die, eenige jaren geleden, te Gourdvine vergaderde, werd, volgens den Religious Herald, door "Hedman Church" de volgende vraag voorgesteld:

Mag aan een' dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?

Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:

Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.

De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt, maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers, eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke, gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:

Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.

In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, het algemeene denkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij, in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid der betrekking poogt in te prenten. Maar, wanneer de vroomste en godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen, wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?

Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden, welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt, zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in 1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der negers te schrijven of te compileren.