De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 5

Chapter 53,836 wordsPublic domain

Dikwijls beklaagde ik mijn eigen aanzijn en wenschte ik dat ik dood was; en zonder de hoop om vrij te worden, twijfel ik niet of ik zou mijzelven gedood hebben, of iets gedaan hebben, waarvoor ik moest gedood worden. Terwijl ik in deze gemoedsstemming verkeerde, was ik gretig om over de slavernij te hooren spreken. Ik was altijd gereed om te luisteren. Telkens hoorde ik iets van de abolitionisten. Het duurde eenigen tijd eer ik ontdekte, wat dit woord beteekende. Het werd altijd in zulk een verband gebruikt, dat het voor mij een belangwekkend woord moest wezen. Als er een slaaf wegliep en het hem gelukte te ontkomen, of als een slaaf zijn meester doodde, of eene schuur in brand stak, of iets deed, dat in de oogen van een slavenhouder erg kwaad was, werd het een gevolg der abolition genoemd. Dit woord dikwijls in zulk een verband hoorende, begon ik te onderzoeken wat het beteekende. De dictionnaire gaf mij weinig of geene hulp. Ik vond het was "the act of abolishing" (de daad van afschaffen), maar nu wist ik nog niet, wat er afgeschaft moest worden. Hier stond ik verlegen. Ik durfde niemand naar de beteekenis van het woord vragen, want ik begreep wel, dat het iets was, waarvan men niet verlangde, dat ik iets weten zou. Na lang geduldig gewacht te hebben, kreeg ik een dagblad in handen, waarin verslag werd gegeven van een aantal verzoekschriften uit het Noorden, aandringende op de afschaffing der slavernij in het district van Columbia en van den slavenhandel tusschen de Staten. Van dien tijd af, verstond ik de woorden abolition en abolitionist, en kwam altijd digter bij wanneer zij werden uitgesproken, in de hoop van iets van belang voor mij zelven en mijne medeslaven te hooren. Langzamerhand kreeg ik meer licht. Ik ging eens naar de werf van Mr. Waters, en toen ik twee Ieren steenen zag uitladen, ging ik ongevraagd naar hen toe en hielp hen. Toen wij gedaan hadden, vroeg mij een van hen of ik een slaaf was. Ik antwoordde, ja. Hij vroeg: "Moet gij uw leven lang slaaf blijven?" Ik antwoordde wederom, ja. De goede Ier scheen daardoor diep getroffen. Hij zeide tegen den ander, dat het jammer was, dat zulk een knappe jongen als ik voor geheel zijn leven een slaaf zou zijn. Hij zeide dat het schande was mij zoo te houden. Zij raadden mij beiden om weg te loopen naar het Noorden; dat ik daar vrienden zou vinden en vrij zou zijn. Ik veinsde geen belang te stellen in hetgeen zij zeiden, en deed alsof ik hen niet verstond, want ik vreesde, dat zij verraders mogten zijn. Het is bekend, dat blanken somtijds slaven aanmoedigen om te vlugten, en hen dan, om de belooning te krijgen, opvangen en naar hunne meesters terugbrengen. Ik was bevreesd, dat deze schijnbaar goede lieden mij zoo mogten behandelen; maar ik onthield toch hunnen raad, en van dien tijd af besloot ik weg te loopen. Ik verlangde naar den tijd, dat ik veilig zou kunnen vlugten. Ik was te jong om er aan te kunnen denken dit terstond te doen; bovendien wenschte ik te kunnen schrijven, daar het misschien noodig zou zijn mijn eigen pas te schrijven. Ik troostte mij met de hoop, dat ik eens wel eene goede kans zou vinden. Ondertusschen wilde ik leeren schrijven.

Het denkbeeld van eene manier om te leeren schrijven werd bij mij opgewekt door dikwijls op de scheepstimmerwerf aan Durgin en Bailey te zien, hoe de timmerlieden, wanneer zij een stuk hout gereed gemaakt hadden, daarop schreven voor welk gedeelte van het schip het bestemd was. Als een stuk hout voor de larboard (bakboord) zijde was bestemd, werd het gemerkt--L. Als een stuk hout voor de starboard (stuurboord) zijde was bestemd, werd het gemerkt--S. Een stuk voor de bakboord zijde naar voren (forward) werd gemerkt--L. F. Een stuk voor de bakboord zijde naar achteren (aft) werd gemerkt--L. A. Voor de stuurboord zijde naar voren werd het gemerkt--S. F. en naar achteren--S. A. Spoedig leerde ik de namen van die letters, en waartoe zij dienen moesten, als zij op een stuk hout op de werf werden gezet. Ik begon terstond ze na te schrijven, en binnen kort was ik in staat om de vier genoemde letters te maken. Wanneer ik daarna een jongen ontmoette, van wien ik wist dat hij schrijven kon, zeide ik hem dat ik even goed schrijven kon als hij. Het antwoord was dan: "dat geloof ik niet. Laat ik het u zien proberen." Dan maakte ik de letters, die ik zoo gelukkig was geweest van te leeren en daagde hem uit om dat te verbeteren. Op deze manier kreeg ik een goed aantal schrijflessen, die het wel mogelijk is dat ik nooit op eene andere manier zou gekregen hebben. Gedurende dien tijd waren de schutting, de muur en het straatplaveisel mijne schrijfboeken, en was een stuk krijt mijne pen. Daarmede leerde ik voornamelijk schrijven. Toen begon ik de cursief-letters in Webster's spelboek na te schrijven en ging daarmede voort, tot ik ze allen kon maken zonder naar het boek te zien. Tegen dien tijd was mijn kleine meester Thomas naar school gegaan en leerde schrijven; en hij had een aantal schrijfboeken volgeschreven. Deze werden te huis gebragt, aan eenigen van onze naaste buren vertoond en dan weggelegd. Mijne meesteres plagt elken maandag namiddag naar de "class-meeting" in het meeting-house in Wilk-street te gaan, en liet mij dan op het huis passen. Als ik zoo alleen gelaten was, plagt ik mijn tijd te besteden met in de witte tusschenruimten der schrijfboeken van den jongen heer Thomas te schrijven, volgende wat hij geschreven had. Dit bleef ik doen, tot ik eene hand schrijven kon, welke zeer veel op die van den jongen heer Thomas geleek. Aldus gelukte het mij, na eene jaren lange inspanning, eindelijk te leeren schrijven.

De aangehaalde bijzonderheden zullen bewijzen, dat het voorbeeld van George Harris lang niet zoo buitengewoon is als men zou kunnen denken.

Laat de lezer nog eens het verhaal doorzien, dat George Harris van het verkoopen zijner moeder met hare kinderen geeft, en dan het volgende berigt lezen, medegedeeld door den Eerw. Heer Josiah Henson, tegenwoordig leeraar der zendelings-vestiging te Dawn in Canada.

Na den dood van zijnen meester, zegt hij, werden de slaven der plantaadje allen bij opbod verkocht.

Mijne broeders en zusters werden allen een voor een toegeslagen, terwijl mijne moeder, mij bij de hand houdende, stond toe te zien met eene zielesmart, waarvan ik de reden in het eerst maar flaauw begreep, maar die mij toen de verkooping voortging met vreeselijke duidelijkheid voor den geest kwam. Mijne moeder werd toen van mij gescheiden en op hare beurt opgezet. Zij werd gekocht door een man, Isaac R. geheeten, in Montgomery County (Maryland) woonachtig, en toen werd ik geveild. Mijne moeder, half waanzinnig van smart over deze scheiding van al hare kinderen, drong door de menigte, terwijl er op mij geboden werd, naar de plaats waar R. stond. Zij viel voor zijne voeten, omklemde zijne knieën, en smeekte hem, op eenen toon gelijk eene moeder alleen kan, om ook haar "kleinste" te koopen en haar ten minste een van hare kinderen te laten. Zal men, kàn men het gelooven, dat deze man, aldus gebeden, in staat was, niet alleen om voor haar smeeken de ooren te sluiten, maar om zich met zulke geweldige stompen en schoppen van haar los te maken, dat hij haar noodzaakte om buiten zijn bereik te kruipen, en een gekerm van ligchamelijke pijn met de snikken van een brekend hart te vermengen?

Nu zijn al de hier opgegevene omstandigheden werkelijk omstandigheden der slavernij, verhaald door hen die weten wat de slavernij is, door de beste van alle proeven--de ondervinding; en zij zijn medegedeeld door mannen, die in vrijheid eenen naam hebben verworven, welke hun woord even geloofwaardig maakt als het woord van iemand op de wereld.

Het geval van Lewis Clark zou harder kunnen genoemd worden dan gewoonlijk. Het geval van Douglass is waarschijnlijk een onpartijdig voorbeeld van den gewonen toestand.

De schrijfster heeft voorheen met een groot aantal bevrijde slaven gesproken, waaronder velen verklaarden dat hun eigen lot bij vergelijking zacht was geweest; maar zij heeft nooit met iemand van hen gesproken, die niet nu of dan melding maakte van een of ander voorval, dat hij had bijgewoond, van een of ander tooneel, waarvan hij getuige was geweest, en dat een of ander gruwelijk misbruik van het stelsel deed blijken; en wat het treffendste daarvan was, de verhaler zelf beschouwde dit dikwijls blijkbaar zoo zeer als eene gewone zaak, dat hij er slechts toevallig en zonder eenige buitengewone aandoening melding van maakte.

Velen veronderstellen, dat het groote geschreeuw van hen, die vijanden der slavernij zijn, ontstaat uit het lezen van ongewaarborgde berigten in de abolitie-bladen opgemaakt, enz. Dit denkbeeld is zeer verkeerd. De berigten, die het slavenstelsel moeten doen veroordeelen, zijn ontleend uit de aanhoudende levende getuigenis der arme slaven zelven, dikwijls uit die van de vlugtelingen uit slavernij, die gedurig door onze noordelijke steden komen.

Als een voorbeeld van sommige der aldus aan het licht gebragte voorvallen, wordt de volgende onlangs gebeurde geschiedenis medegedeeld, aan de schrijfster door eene dame te Boston verhaald. Deze dame, die veel gewoon was de armen te bezoeken, werd eenige maanden geleden verzocht om naar eene mulattin te komen zien, die pas in een kosthuis voor kleurlingen was gekomen, en ten uiterste neêrslagtig scheen te zijn. Na een kort gesprek bleek het dat zij eene vlugtelinge was. Hare geschiedenis was de volgende. Zij en haar broeder waren, gelijk dikwijls het geval is, beide kinderen en slaven van hunnen meester. Bij zijnen dood werden zij aan zijne dochter gelaten, bleven als bedienden bij haar, en werden met zooveel toegeeflijkheid behandeld, als men verwachten kon dat eene zeer gewone soort van menschen diegenen zou bewijzen, die geheel en in alle opzigten onder hunne magt waren.

De vrouw van haren broeder liep weg en ontkwam naar Canada; en dewijl er van gesproken werd dat zij en haar kind, ten gevolge van geldelijke ongelegenheden, verkocht zouden worden, besloot haar broeder, een schrander en moedig jongman, haar insgelijks naar een vrij land te helpen vlugten. Hij verborg haar eenigen tijd in het achtergedeelte eener geringe woning in de stad, tot hij gelegenheid kon vinden om haar weg te zenden. Terwijl zij zich in deze schuilplaats bevond, was hij onvermoeid in zijne oplettendheid voor haar, bragt haar dikwijls vruchten en bloemen, en deed al wat hij kon om het vervelende harer gevangenschap te verzachten.

Eindelijk bood de hofmeester van een schip, aan wien hij diensten had bewezen, hem aan om hem aan boord van het schip te verbergen en aldus gelegenheid te geven om te ontkomen. De edelaardige man, hoewel uitgelokt door een aanbod, dat hem in staat zou stellen om terstond zijne vrouw te hervinden, aan welke hij teeder gehecht was, wilde deze gelegenheid liever voor zijne zuster overlaten, en bij afwezigheid van den kapitein van het schip, werden zij en haar kind aan boord gebragt en verborgen.

Toen de kapitein terugkwam en vernam wat men gedaan had, was hij zeer verstoord, daar de zaak, indien zij ontdekt werd, hem in ernstige moeijelijkheden kon wikkelen. Hij zeide eerst dat hij de vrouw naar de gevangenis in de stad wilde zenden; maar door haar smeeken en den aandrang des hofmeesters liet hij zich bewegen om tot des avonds te wachten, en haren broeder eene boodschap te zenden om haar terug te komen halen. Na den donker kwam de broeder aan boord, en in plaats van zijne zuster mede te nemen, deed hij in de aandoenlijkste bewoordingen een beroep op de menschlievendheid des kapiteins. Hij verhaalde de geschiedenis zijner zuster en zijne eigene, en pleitte welsprekend voor hare vrijheid. De kapitein had zich voorgenomen om verhard te blijven, maar, helaas! hij was slechts een mensch. Misschien had hij zelf vrouw en kind--misschien gevoelde hij, dat hij, indien hij in het geval van dien jongman was, voor zijne zuster hetzelfde zou doen. Dit zij gelijk het wil, hij werd eindelijk vermurwd. Hij zeide tot den jongman: "ik moet u van mijn schip wegzenden. Ik zal de boot uitzetten, en u er in zien gaan, en gij moet wegroeijen en mij nooit weêr uwe gezigten laten zien; en als gij dan toch mogt terugkomen en aan boord blijven, zal het uwe schuld zijn en niet de mijne."

Zoo werden dan in regen en duisternis, de jongman, zijne zuster en haar kind over het boord afgelaten en roeiden zij heen. Na eene poos ligtte het schip het anker, maar eer het Boston bereikte, ontdekte men dat de vrouw en het kind toch aan boord waren.

De dame, aan wie deze geschiedenis werd verhaald, werd verzocht om in zekere bewoordingen eenen brief te schrijven aan iemand in de stad, waaruit de vlugtelinge gekomen was, om haren broeder hare behoudene aankomst te doen weten.

De vlugtelinge werd van werk voorzien, waardoor zij zichzelve en haar kind kon onderhouden, en eenige weken lang zorgde de dame voor hare behoeften.

Op eenen ochtend kwam zij met ontroering binnen, uitroepende: "O, mevrouw, hij is gekomen! George is gekomen!" En kort daarop kwam de jongman zelf.

De dame, die dit verhaalde, behoort tot de aanzienlijkste kringen van Boston; en zij zegt dat nooit de manieren van een "gentleman" gunstiger indruk op haar maakten, dan die van den broeder der vlugtelinge. Zoo zeer had hij het voorkomen van een "gentleman," dat het voor haar gevoel onmogelijk was hem met die gemeenzaamheid, waarmede men personen van zijnen stand gewoonlijk aanspreekt, naar de omstandigheden zijner vlugt te vragen; en niet voor dat hij haar verzocht om een brief voor hem te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon, was zij in staat om zich te verbeelden, dat deze beschaafde man al zijn leven een slaaf geweest was.

Het overige dezer geschiedenis is niet minder romanesk. De dame had een vriend te Montreal, waarheen de vrouw van George zich begeven had; en na hem met geld voor hunne reiskosten voorzien te hebben, gaf zij hem eenen brief aan dezen heer, waarin hij verzocht werd den jongman te helpen om zijne vrouw te vinden. Toen zij te Montreal aankwamen, trad George aan land en toonde zijnen brief aan den eersten persoon dien hij zag, vragende of hij dengenen kende, aan wien hij geadresseerd was. Deze heer bleek juist de bedoelde persoon zelf te wezen. Hij kende George's vrouw, en bragt hem zonder vertoef bij haar, zoodat de dame met den teruggaanden post het genoegen had den gelukkigen afloop van het avontuur te vernemen.

Dit is slechts een voorbeeld van de geschiedenissen, die men gedurig hoort; zoodat diegenen, die over de slavernij spreken kunnen zeggen: "wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben."

Doch men zal zeggen dat al de slaven een logenachtig geslacht zijn, en dat het logens zijn, die zij ons vertellen. Er zijn echter sommige dingen aan die slaven, die niet kunnen liegen. Die diepe trekken van geduldige smart op het gezigt, die houding van kruipend nederige onderdanigheid; die treurige, blijvende uitdrukking van vertraagde hoop in de oogen, zouden hunne geschiedenis verhalen, al zou de slaaf nooit spreken.

Het is niet lang geleden dat de schrijfster gezigten heeft gezien, die iemand weken lang in zijn droom konden verontrusten.

Men verbeelde zich eene arme, afgeleefde moeder, oud, zwak en ziekelijk--met handen, tot op het gebeente versleten door harden, onbeloonden arbeid--wier negen kinderen aan den slavenhandelaar verkocht zijn, en wier tiende spoedig zal verkocht worden, indien zij niet door haren arbeid als waschvrouw negenhonderd dollars kan bijeenbrengen! Zulke gevallen komen iemand gedurig ter kennis; zulke getuigen zijn het die ons niet willen laten slapen.

Men heeft het betwijfeld of zoo iets als eene advertentie voor een man "dood of levend" gelijk de advertentie voor George Harris, ooit in de zuidelijke Staten gepubliceerd was. De gebeurtenissen van het verhaal, waarin dit voorkomt, worden verondersteld eenige jaren geleden te zijn, in den tijd, toen de "zwarte wetten" van Ohio werden afgekondigd. Dat in dien tijd zulke advertentiën in de nieuwsbladen gewoon waren, kan overvloedig bewezen worden. Dat zij thans minder gewoon zijn, is iets dat men hopen en waarover men zich verblijden mag.

In het jaar 1839 heeft Mr. Theodore D. Weld eene poging gedaan om de statistiek der slavernij te verzamelen en te rangschikken. Een massa van statistieke opgaven, welker echtheid met de grootste naauwkeurigheid onderzocht was, werd bijeengebragt. Sommigen van de "duizend getuigen," die hij laat spreken, waren geestelijken, regtsgeleerden, kooplieden en menschen van verschillende andere beroepen, die of in de slavenstaten geboren waren, of vele jaren daar hadden gewoond. Velen van hen waren slavenhouders. Anderen van de getuigen waren slavendrijvers of officieren van kustvaartuigen tot den slavenhandel gebezigd, of waren dit geweest.

Een ander gedeelte zijner bewijzen werd verzameld uit openbare redevoeringen in het Congres, in wetgevende vergaderingen van Staten en elders: maar het meeste werd uit nieuwspapieren van den jongsten tijd ontleend.

De papieren, waaruit deze feiten waren afgeschreven, werden bewaard en op eene openbare plaats ter lezing gelegd, waar zij eenige jaren lang zijn gebleven en door belangstellenden konden nagezien worden. Nadat het werk van Mr. Weld voltooid was, werd een exemplaar daarvan, met den post aan ieder uitgever gezonden, uit wiens blad zulke advertentiën genomen waren, en aan ieder persoon van wien eenige opgaven waren medegedeeld, terwijl de plaatsen welke hen betroffen, in die exemplaren gemerkt waren.

Het is zeer wel mogelijk dat dit eenigen invloed mag gehad hebben om zulke advertentiën minder gewoon te doen worden. Menschen van verstand doen dikwijls iets, dat zeer ongerijmd, of zelfs onmenschelijk is, alleen omdat men het vóór hen altijd gedaan heeft, en zij volgen zonder veel nadenken het algemeene gebruik. Wanneer echter hunne aandacht daarop gevestigd wordt door een vreemdeling, die de zaak uit een ander oogpunt beziet, gevoelen zij terstond het onvoegzame van zulk een gebruik en zien zij daarvan af. De lezer zal echter met smart moeten opmerken, wanneer hij aan dat gedeelte van dit werk komt, hetwelk de wettelijke verordeningen behandelt, dat in het jaar 1850, zelfs in de grootste steden onzer slavenstaten, deze barbaarschheid nog niet geheel in onbruik was gekomen.

De lijst van advertentiën in het boek van Mr. Weld wordt hier ingevoegd, niet om den lezer met de pijnlijke bijzonderheden daarvan te vermoeijen, maar opdat hij, door het oog over de dagteekeningen der aangehaalde bladen en de plaatsen der uitgaaf te laten gaan, eene juiste schatting zou kunnen vormen van de veelvuldigheid, waarmede deze barbaarschheid openlijk gepleegd werd.

De Wilmington Advertiser (Noord Carolina) van 13 Julij 1838 bevat de volgende advertentiën:

Honderd dollars zullen betaald worden aan ieder die zal vatten en veilig in eenige gevangenis van dezen Staat opsluiten, zekeren Neger, genoemd Alfred. En dezelfde belooning zal betaald worden, indien voldoend bewijs wordt gegeven, dat hij gedood is. Hij heeft een of meer lidteekens aan een van zijne handen, daardoor veroorzaakt dat er op hem geschoten is.

De burgers van Onslow.

Richlands, Onslow Co. 18 Mei 1838.

In dezelfde kolom en vlak onder het bovenstaande, is het volgende:

Weggeloopen mijn negerknecht Richard. Eene belooning van 25 dollars zal gegeven worden voor zijn aanhouden, dood of levend. Voldoend bewijs zal gevorderd worden, dat hij gedood is. Hij heeft waarschijnlijk zijne vrouw, Eliza, bij zich, die weggeloopen is van kol. Thompson, thans woonachtig in Alabama, tegen den tijd dat hij zijne reis naar dien Staat aanvaardde.

Durant H. Rhodes.

In de Macon Telegraph (Georgia) van 28 Mei staat het volgende:

Omstreeks den 1sten Maart heeft de Neger Ransom mij verlaten zonder de minste aanleiding hoegenaamd; ik zal eene belooning van twintig dollars geven voor dezen Neger, indien hij gevat wordt, dood of levend--en als hij in eenigen misdadigen aanslag gedood wordt, zal er eene verhooging van vijf dollars betaald worden.

Bryant Johnson.

Crawford Co. Georgia.

Zie de Newbern Spectator (Noord Carolina) van 5 Januarij 1838, voor het volgende.

Weggeloopen van den ondergeteekende een Neger, genaamd Sampson. Vijftig dollars zal gegeven worden voor de overlevering van hem aan mij, of zijne verzekering in eenige gevangenis, zoodat ik hem krijg; en indien hij tegenstand mogt bieden, zoodat er geweld noodig is om hem te vatten, zal ik niemand aansprakelijk houden voor schadevergoeding, indien de slaaf mogt gedood worden.

Enoch Foy.

Jones, Co. N. C.

Uit den Charleston Courier (Zuid Carolina) 20 Febr. 1836.

300 dollars belooning.--Weggeloopen van den ondergeteekende, in November laatstleden, zijne twee negerslaven, genaamd Billy en Pompey.

Billy is 25 jaren oud, en is sedert vele jaren bekend als patroon van mijne boot; naar alle waarschijnlijkheid zal hij tegenstand bieden; in dat geval zullen 50 dollars betaald worden voor zijn hoofd.

HOOFDSTUK V.

ELIZA.

De schrijfster heeft in haar boek gemeld, dat Eliza een portret naar het leven was. Het voorval dat het origineel onder hare aandacht bragt kan zeer kort verhaald worden.

Terwijl de schrijfster vele jaren geleden in Kentucky reisde, bezocht zij de kerk in eene kleine landstad. Daar zijnde werd hare aandacht getrokken door een schoon quadronsch meisje, dat in een hoek der kerk zat en eenige kinderen onder haar opzigt scheen te hebben. De beschrijving van Eliza kan dienen tot eene beschrijving van haar. Toen de schrijfster uit de kerk terugkwam, vroeg zij naar dat meisje, en haar werd gezegd, dat zij even goed en beminnelijk was als schoon; dat zij een godvreezend meisje was en lid van de kerk; en eindelijk dat zij het eigendom was van Mr. ***. Het denkbeeld dat dit meisje eene slavin was deed haar ijzen, en zij zeide: "O, ik hoop dat zij haar goed behandelen."

"O zeker," was het antwoord, "zij maken even veel werk van haar als van hunne eigene kinderen."

"Ik hoop dat zij haar nooit zullen verkoopen," zeide iemand in het gezelschap.

"Zeker zullen zij niet. Een heer uit het Zuiden heeft niet lang geleden haar meester duizend dollars voor haar geboden; maar hij zeide hem, dat zij te goed was om zijne vrouw te zijn, en dat hij haar zeker niet tot bijzit zou hebben."

Dit is alles wat de schrijfster van dit meisje weet.

Wat de bijzonderheid betreft, dat Eliza de rivier op het ijs over komt--daar men de mogelijkheid hiervan heeft betwist--geeft de schrijfster de volgende omstandigheid ter bevestiging.

In de vorige lente, terwijl de schrijfster te Nieuw-York was, kwam een Presbyteriaansch geestelijke uit Ohio bij haar en zeide: "ik hoor dat men de daadzaak betwist dat die vrouw de rivier is overgekomen. Nu weet ik alles daarvan, want ik hoorde het geval van den man, die haar den kant heeft opgeholpen."

Men heeft beweerd, dat het tooneel waarin Haley, Marks en Loker het plan maken om Eliza op te vangen en tot eigen voordeel te verkoopen, eene grove overdrijving van den staat der zaken in Ohio bevat.

In hoeverre de schrijfster bekend is geweest met het gemak, hetwelk sommige vrederegters, onder de oude wet op voortvlugtige slaven, aan den menschenroof plagten te geven, kan opgemaakt worden uit eene vergelijking der beschrijving in haar boek met eenige omstandigheden, waarvan zij persoonlijk kennis draagt.