De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 49

Chapter 493,524 wordsPublic domain

"Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gij moest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?"

"O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden."

"Zij zullen niet door mij lijden," zeide ik.

Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden "moeten ondergaan"; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en dat Christus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: "Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd--e afschaffing." En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.

Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was, zij die niet konden tegenhouden--dat zij mij konden vermoorden, maar niet de waarheid dooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.

Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:

Mr. McBride!

Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.

6 Mei 1851. (Geteekend door 32 personen.)

Eenigen waren professors in de Godsdienst,--Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een "vermaner", en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!

J. McBride."

VIERDE GEDEELTE.

HOOFDSTUK I.

DE INVLOED DER AMERIKAANSCHE KERK OP DE SLAVERNIJ.

Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker, omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden, en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid, over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is, doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als zedelijk overwigt toekennen.

Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid, door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden, welke niet van deze wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in; dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak, dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op haar schijnt te doen nederkomen.

Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken; doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt, is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij, zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt, de magt heeft om hem te ontslaan, en een' anderen te verkiezen.

De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen, waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van een voorspoedig' Amerikaansch' predikant uit.

Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord "Kerk," in den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden, als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd te worden, in ligchamen georganiseerd zijn.

Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?

Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak bespeuren. Die invloed namelijk heeft:

1o. de slavernij niet doen ophouden; 2o. er de toeneming niet van verhinderd; 3o. de herroeping der wetten niet veroorzaakt, die de opvoeding der slaven verbieden; 4o. geene daarstelling van wetten beproefd, die de scheiding der familiën verhinderen, en het huwelijk der slaven wettigen; 5o. geen einde gemaakt aan den binnenlandschen slavenhandel; en 6o. de uitbreiding van dit systeem, met alle zijne onregtvaardigheden, over nieuw aangewonnen landstreken niet verhinderd.

Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen kunnen bestaan.

Wat is er dan gedaan?

In antwoord hierop kan worden bevestigd:

1o. Dat nagenoeg alle hoofdsecten of benamingen, te dezen of genen tijde, als zedelijke ligchamen beschouwd, eene besliste afkeuring van het systeem hebben uitgedrukt, en aangedrongen, dat er iets tot zijne afschaffing gedaan wierd.

2o. Dat ééne benaming van christenen inzonderheid dat doel als uitsluitend ter harte genomen, en elk harer leden van eenig aandeel in slavenbezit getracht heeft te bevrijden. Wij bedoelen de kwakers. De wijze, waarop dat doel bereikt is geworden, zal de inhoud van een vlugschrift uitmaken, dat weldra door een lid hunner gemeente, den dichter J. G. Whittier, zal worden in het licht gegeven.

3o. Dat individueele leden van alle benamingen, door den geest des Christendoms bezield, op verschillende wijzen tegen de slavernij hebben geprotesteerd.

Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.

Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen, waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten, zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James G. Birney, getiteld: "De Kerk, het bolwerk der slavernij." De schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney, waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven, met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft, om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.

Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.

1. De Presbyteriaansche Kerk. "Harmony Presbytery" van Zuid-Carolina.

Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, ten duidelijkste blijkt, dat deze personen "niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;" en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.

1. Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.

2. Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.

3. Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, "al te regtvaardig" en "wijs is boven hetgeen geschreven staat;" en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.

"The Charleston Union Presbytery."

Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, een zedelijk kwaad zijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard. De door ons gehandhaafde gevoelens, in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.

Is besloten, dat naar het gevoelen van deze "Presbyters", het houden van slaven, wel verre van eene ZONDE in Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.

De New School Presbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:

Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:

1. Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken, al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.

2. Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking van meester en slaaf erkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.

Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van de Kerken der Baptisten. In 1835 bood de Vereeniging der Baptisten te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een memorie aan, waarin het volgende voorkomt:

Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernij in het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet was zich te mengen wanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: "Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten." Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging. Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eene geval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.

En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.

De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten, met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt, omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden, gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.

Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:

De Jaarlijksche Conferentie van Georgia:

Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad der slavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigen verdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk de slavernij als een zedelijk kwaad beschouwde;

Is, dien ten gevolge, besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie van Georgia medebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is.

Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders te doen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.

Op het gedane voorstel is eenstemmig besloten, dat de Jaarlijksche Conferentie van Georgia met gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de door onze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt, in het onderdrukken der pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van het abolitionismus te wekken.

Is, wijders, besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.

Conferentie van Zuid-Carolina.

De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de Conferentie van Georgia voorgesteld.

De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat "het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd wordt;" en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was: "het gaat Caesar, en niet de kerk aan" stelde hij het navolgende als een plaatsvervangend besluit voor:

Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;

Hebben wij, derhalve, besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.

Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.

Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelen dat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.