De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 48
Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurende de laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.
Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.
Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?
In de kolommen van de National Era, van den 2den Oct. 1851, luidt het volgende artikel van den uitgever aldus:
"Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan de True Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:
"Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.
"Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschen houden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op."
Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.
Het volgende wordt in de National Era, van 1851, aangehaald, als overgenomen uit de kolommen van de Augusta Republic (Georgia).
Vrijheid van spreken in Georgia.
Warrenton (Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.
Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.
De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:
Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt door de tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk--gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij--en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.
Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.
Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.
De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:
William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.
De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.
Er werd, op een voorstel,
Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juist signalement van gezegden Watson, naar de uitgevers der Augusta nieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.
Beschrijving.--Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.
Hierna werd de bijeenkomst gesloten.
Thomas F. Parsons, Voorzitter.
William H. Pilcher, Secretaris.
Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van een mensch.
Het volgende is uit den Richmond Times door de National Era overgenomen.
Lynch-wet!
Op den 13den dezer heeft het "Vigilance Committee", uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en de Wytheville Republican van den 20sten dezer, geeft op, dat het "Vigilance Committee" van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.
Over dezen hoon, maakt de Wytheville Republican de volgende aanmerkingen:
Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.
Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het "Committee of Vigilance" van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder van hem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.
Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geen blanke kinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.
De "Vigilance Committee's" waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon's aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.
De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep is als volgt, uit den Richmond Times (Virginia) door de National Era overgenomen:
Meer moeijelijkheden in Grayson.
Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.
Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de "Vigilance Committee's" op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te bieden voor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee's.
Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:
"Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het "Circuit Court", hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhand eene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte, rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.
Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel door Dr. Bailey, van de Era, van den 3den April 1852:
Lynching in Kentucky.
De American Baptist, van Utica (New York), behelst brieven van Eduard Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling, welke hij in Kentucky ondergaan heeft.
Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van de American Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.
Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.
Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van den Richmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.
Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men "slaveneigendom" noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeene opinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.
Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.
Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit de Journal and Messenger van Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:
"De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en de wet, maar niet voor onwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijn regt er toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat "onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt." Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwacht te zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken, kan in een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; "als zij u in de eene stad vervolgen, vlugt dan naar eene andere," zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eene belofte af, dat gij uwe regten niet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar het is de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eene belofte zou afleggen om nooit terug te keeren, ten einde zijn leven te redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijn regt is, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.
Het volgende is uit de National Era van den 10den Julij 1851.
De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die geen slavenhouders zijn.
Gebeurde met den Eerw. Jesse McBride.
Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.
Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:
"Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne "meeting", 8 mijlen beoosten Greensboro', waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ik zeide hun dat ik gaan zou, en als "goede soldaten" volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:
"Mr. McBride, hier is een brief voor u."
Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: "Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der "meeting."
"Neen, gij moet dien nu lezen."
Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: "Ik moet u spreken," en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.
"Ik zal later met u spreken," zeide ik, mijn horologie uithalende; "gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure."
Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:
"Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!"
Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen "Vader", pleitte op Zijne beloften, zoo als: "Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zal Ik een standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood" enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro', zeide:
"Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt."
"Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?"
"Neen, mijnheer."
"Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?"
"Ik ben onbekend met Hem."
"Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongste dag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijt over het algemeen geen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gij weet dat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarin zijne beginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBride nu. En wat zal het dan? Wel, als uw gedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de "kinderen Israëls," verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!" zeide ik.
"O ja," zeide Hiatt, "gij kunt zingen."
"De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben," en ik begon het gezang: "Vader, ik hef mijne handen naar u op," alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, "Laat ons bidden."
"G--d ver....e, dat is geen zingen!" zeide een uit het gezelschap achteraan.
"Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, "het is ons goed dat wij hier zijn." Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: "Pakt hem aan!" "Sleept hem er uit!" "Brengt hem tot zwijgen!"
Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.