De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 47

Chapter 473,710 wordsPublic domain

Een gouverneur van Zuid-Carolina, verklaarde in 1835 openlijk, dat de arbeidende klasse, blank of niet blank, een gevaarlijk bestanddeel uitmaakt, zoo het niet tot slaven gemaakt werd. En zal dit dan niet het onvermijdelijk gevolg er van worden?

HOOFDSTUK X.

HET ARME BLANKE UITSCHOT.

Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft men gewoonlijk geantwoord: "Let op uwe eigene mindere volksklassen."

De voorstanders der slavernij hebben Engeland op zijne eigene armen gewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,--ja, zelfs van zijne landbouw-districten.

Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is, waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam, onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen, niet te vreden zijn met slechts even zoo goed te zijn als landen, die tegen dat kwaad te worstelen hebben.

Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren te zeggen: "wij zijn niet slechter dan gij." Het moest oneindig veel beter zijn.

Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van een vruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte districten van Europa.

De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid, en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.

Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine; hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit, om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijke gift van hoogere talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger Sherman en Daniel Webster.

Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in Virginia--hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters in de nabuurschap koopen liever hunne smeden in Virginia. Kan er een timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit, en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen, in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van "arm blank uitschot," zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent, is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te brengen, om "een neger of twee te koopen," en te beginnen te leven zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin, die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed, door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren, opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch de tirannieke meerderheid van den eigenaar.

Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien "wat een neger er bij won om met hen handel te drijven." Deze omstandigheid toont ons aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden, die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme, onbescheidene nieuwsgierigheid, getuigen konden zijn van zulk eene duivelachtige handelwijze?

Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende mede:--Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij (de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon, taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en alles wat hem in deze ellendige woning gemakkelijks verschaft werd, was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging, trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen; zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag, waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om aan hunne wenschen te voldoen.

Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind, wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen, alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.

De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden dit blinde, wreede monster van het gepeupel er op na, even als een opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.

Deze aanvoerders hebben den kreet "afschaffing" voor het gepeupel gebezigd, even als de jager zijn "voort" aan zijne honden toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.

Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven, laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem, als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen, dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven, of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij, dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het spreken van oproerige taal [21]; en op de hielen der policie, die het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed zullen hebben. De fatsoenlijker burgers trachten te vergeefs hen terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren, en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.

Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts, die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen, dat mannen van eer en opvoeding, in Zuid-Carolina, zonder smart de zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn zeer sterk afgemaaid door den schrijver van "de blanke Slaaf."

Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen, worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:

"Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hij juist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, om zoo hoog Maar ook niet hooger op te rijzen naar den boog."

Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd worden--meestendeels door de getuigenis van menschen die in Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.

Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy, van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd: Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen, 22 Julij 1845:

Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in het trotsche Zuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echter waar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.

De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid, voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar, gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering der blanke bevolking. Hij zegt:

Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid, dat de slavernij vrije werklieden--landlieden, pachters, ambachtslieden,--ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten 's lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien met een gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.

Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het volgende op in zijne "Brieven over de slavernij," pag. 65:

In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: "Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben." In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.

In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.

In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.

In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in het Zuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.

Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat "een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten"; en echter heeft Kentucky een "school-fonds" op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.

Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundige journalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.

Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.

In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.

In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.

De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door verschillende nieuwsbladen aangetoond. De National Era haalt uit de Raleigh-Register (Nieuw Carolina) het volgende aan:

Zij zullen Noord-Carolina verlaten.

Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het "verre Westen" gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.

Als er eenige "wenschelijke verbetering" te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.

De uitgever van de Era haalt ook het volgende aan uit de Greensboro' (Alabama), Beacon: