De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 43

Chapter 433,798 wordsPublic domain

Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide: "Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het Noorden hebben zien komen." Zij zagen beiden naar buiten en een oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken, en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was, dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de "liberation meeting" te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan het grootste deel onder hen. Hij telde echter het geld na, teekende de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.

De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden gehoord dat zij zeer ziek was!!

Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:

"Gij zijt vrij, gij zijt vrij!" Emily gelooft dat zij bijna tot aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed, wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich, tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den minsten slaap, werd de nacht gesleten, en de morgen van den 4den November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.

Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige taal uitdrukte "de laatste droppel bloed in haar hart." Zij had ook nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw, in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf, hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder, dat het licht in Paul's en Milly's hut door het verschrikkelijke denkbeeld verduisterd werd.

Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren dag tot Paul: "Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen."

Paul antwoordde: "Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op den spoortrein geweest?"

"Wees maar niet bang, Paul," zeide ik: "ik zal gaan vol vertrouwen op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij geleiden, dat weet ik."

Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de Heer u tot betere gedachten brengen zal."

Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden, kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden, was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster, ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder, en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik, en opziende, zeide zij met een glimlach:

"O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!"

Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst omtrent hare jongste kinderen. "Nu, mevrouw," zeide zij, "die man door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt, die man," en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, "heeft laten vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden worden. Die man zeide dat hij mij verlangde te zien. Ja, mevrouw, hij heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien; en ik had geen behoefte om haar daar te zien."

Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegens alle slavenhouders. "Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven," zeide zij. "Maar zij zijn zoo goddeloos," zeiden de meisjes. "Ach kinderen de zonde moet gij haten, maar den zondaar liefhebben." "Nu, moeder," zeide een van de meisjes, "als ik op nieuw eene slavin moest worden, zou ik mij van kant maken." "Dat geloof ik niet, kind; dat zou goddeloos zijn." "Maar moeder, ik zou het toch doen; ik weet dat ik het nooit meer zou kunnen verdragen." "Draag het, mijn kind!" was haar antwoord, "want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen."

Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.

Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen kunnen--de zonde te haten, maar den zondaar lief te hebben!

Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.

Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen, stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoud van een klein kind. "O," zeide zij tot eene der dames, "gij kunt niet nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereen zoo vriendelijk jegens mij is!" Toen ik den vorigen avond naar huis ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was."

Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. "God zegene u, mijn liefje! Ik kan geen letter lezen."

"Hoe hebt gij dan," vroeg haar eene andere dame, "zooveel van God en van de hemelsche dingen geleerd?"

"Wel, het gelijkt eene gift van boven."

"Kan men den Bijbel dan voor u lezen?"

"Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo veel te werken, en als hij laat in den avond t'huis komt, is hij zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij de Geest."

"Gaat gij dikwijls naar de kerk?"

"Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. 's Winters kan ik het nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als 't ware ter kerk geweest, en heb ik gebeden--en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!" Nooit zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.

De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.

"Dat herinnert me," zeide zij, "wat ik eens een predikant hoorde zeggen. "Vrienden," zeide hij, "als gij dit of dat weet, hetwelk het hart van uwen broeder kan verheugen, haast u dan om het te zeggen; maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt het dan voor u! houdt het dan voor u!" O, wat heb ik mijne kinderen dikwijls gezegd: "Houdt het voor u, houdt het voor u!""

Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot haar. "Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en bid voor mij."

"Voor u bidden!" zeide zij op ernstigen toon. "Zeker zal ik dat, ik kan het niet helpen." En haar vinger opheffende zeide zij op een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aan ouden van haar stam: "Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij beginnen het eerst voor onze broeders te vragen."

De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden dezer vrouw, in verschillende County's, die zoo bereidwillig en edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen, te berigten, dat zij eindelijk zijn vrijgekocht.

Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.

Ik heb de oude lieden Edmondson--Paul en zijne vrouw Milly--gezien. Ik heb de vrije Edmondsons gezien--moeder, zoon, dochter--den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.

Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die aan boord van de Parel gevat waren. Wij hebben nog eene andere geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het einde zoo gelukkig wezen zal.

HOOFDSTUK VII.

GESCHIEDENIS VAN EMILY RUSSELL.

Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell geheeten, wier moeder tegenwoordig in New York woont. De schrijfster heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw, die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.

Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond bij de arme slagtoffers, die aan boord van de Paarl hun heil zochten.

Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder, lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!--

Alexandria, 22 Januarij 1850.

Lieve, beste Moeder!

Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik in Bruin's gevangenis ben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve, beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.

Uwe dochter,

Emily Russell.

Aan Ms. Nancy Cartwright, New York.

P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.

Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York, aan wie zij dien liet lezen. "Wat denkt gij wel, dat zij voor haar eischen zouden?" was hare vraag. Alles wat zij bezat,--haar huisje, hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste--dit alles was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel in den emmer.

Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben, voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.

Alexandria, 31 Januarij 1850.

Geachte Heer,

Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven dan achttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen. Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden. Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderd dollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.

Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.

Met alle achting,

Bruin & Hill.

Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.

Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven van schande, tusschen de achttien honderd en twee duizend dollars bedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in een algemeene vergadering verklaard, dat de Amerikaansche slavernij, zoo als zij is, geen kwaad is! [19]

Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een gewild en winstgevend artikel was.

Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij hier zacht behandeld werd--niet met een keten was vastgeregen aan de andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde, dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed was, en dus geen ongemak leed. Wij hebben het herhaaldelijk hooren beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw kan worden aangedaan,--hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!

Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij, Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien, bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap, in de tegenwoordigheid van den God der Genade!

Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft, dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.

Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder, om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet het minste belang meer inboezemde.

Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:

"Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?"

"Ja, ik heb tijding," antwoordde hij, "Bruin en Hill hebben een brief geschreven."

"En wat schrijven zij?"

Hij oordeelde het verkieslijk, haar terstond te antwoorden:--

"Emily is dood."

De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide: "God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!"